Wydanie do czytania BokRobot
Książki
Za darmoDramatische Werken
Henrik Ibsen
Wybierz wersję
Rozdziały
Eerste bedrijf
TOONEELSPEL IN VERZEN IN DRIE BEDRIJVEN
PERSONEN
Mevrouw Halm, een ambtenaarsweduwe. Zwaanhilde, haar dochter. Anna, idem. Valk, een jong schrijver, en Lind, student in de theologie, logé's van mevrouw Halm. Goudstad, groothandelaar. Stuiver, klerk. Juffrouw Ekster, zijn verloofde. Strooman, dorpsdominee. Mevrouw Strooman, zijn vrouw. Studenten, gasten, familie en verloofde paren. De acht kleine meisjes van den dominee. Vier tantes, een huisjuffrouw, een oppasser, dienstmeisjes.
Het stuk speelt op mevrouw Halm's villa aan den Drammensweg bij
Kristiania.
Een mooie tuin, onregelmatig maar smaakvol aangelegd. Op den
achtergrond ziet men den fjord met zijn eilanden. Links van
den toeschouwer het hoofdgebouw met een veranda en daarboven een
openstaand zolderraam. Rechts op den voorgrond een open priëel met
tafel en banken. Het landschap ligt in sterk avondlicht. Het is in
den vóórzomer; de vruchtboomen bloeien.
Bij het opgaan van het scherm zitten mevr. Halm, Anna en juffr. Ekster
in de veranda, de beide eersten met een handwerk, de laatste met
een boek. In het priëel ziet men Valk, Lind, Goudstad en Stuiver;
op de tafel staat een punchbowl met glazen. Zwaanhilde zit alleen op
den achtergrond bij het water.
(staat met opgeheven glas en zingt)
In stillen bloemhof, zonblijde dag;
Vergeet dat de herfst vaak niet kan geven
Wat lente beloofde met lieven lach.
Bloesemtakken vol zoete geuren
Breiden zich welvend over u uit...
Laat dan van nacht de storm ze verscheuren,
Strooien langs velden en wegen zijn buit.
Waarom te vragen naar rijpe vruchten
Als alle boomen te bloeien staan?
Waarom toch treuren, waarom zuchten,
Zwoegend en slavend door 't leven gaan?
Waarom in 't veld toch op hooge stangen
Vogelverschrikkers met jas en hoed?
Broeders, wij willen der vogels zangen
Klinkend in 't oor ons lieflijk en zoet.
Waarom de vogels te verjagen
Uit uw rijk-bloeienden kersengaard!
Laat hen maar stelen die enkele dagen...
Vogels zijn dubbel hun zangloon waard.
Waarlijk in 't eind wint gij bij den ruil nog,
Krijgt zoete zangen voor late vrucht...
Snel gaat voorbij de Tijd, en bedenk toch
Hoe weldra de zomer weer ontvlucht.
Leven wil ik, genieten en zingen,
Tot bladerloos is de laatste heg;
Niet als een kind om méér zal ik dwingen,
Ruim dan gerust het overschot weg.
Open het hek; laat 't vee naar begeeren
Gulzig grazen, tevreden en stil;
Ik plukte de bloemen... wat kan 't mij deren
Wie 't doode restje nog nemen wil!
(tegen de dames)
Wil wat toegevend zijn... veel zaaks is 't niet.
(kijkt rond)
Toen Valk begon, was zij met-een gevlogen;
Nu is zij weg.
(wijst naar den achtergrond)
(zuchtend)
Veel minder rijk aan... ja... aan poëzie,
Dan in de rest toch wel te vinden is.
Om aan het slot ook nog wat aan te brengen.
(klinkt met hem)
Totdat het plakt en 't hout gemarmerd lijkt.
(onverstoorbaar)
Zoo deed ik 't ook...
(tegen de dames)
Maar vroeger wel dus...?
Toen ik verliefd was.
Ik dacht niet dat je liefderoes al uit was!
Dat is toch beter dan verliefd zijn, dunkt mij.
Aldus gepromoveerd was 't moeilijkste overwonnen;
Bevordering van minnaar tot geliefde.
(met een welgevallig herinneringslachje)
Of mijn herinnering mij niet bedriegt. (tot Valk gewend)
Nu zeven jaar geleden,... 't is de waarheid!
Maakte ik in stilte verzen op 't kantoor.
Dan schreef ik heele reeksen verzen wel,
Zoo lang soms als... ja, twee drie vellen vol.
Dat ging!
Dan draafde ze al...
Was of niet, was haar volmaakt om 't even.
Maar zeg, hoe drong je toch den tempel binnen?
Met andere woorden, het was juffrouw Ekster,
Die een poos later mijn verloofde werd;
Want toen was zij...
(voortgaand)
Mijn pen vermaakte ik niet, neen 'k moest haar stemmen,
En als zij soms bleef haken in 't papier,
Klonk dat als melodie van wat ik schreef;...
Ten slotte expediëerde ik toen een brief
Aan haar... aan haar...
Mijn aanzoek nam zij aan... de zaak was klaar!
Nu had je veilig dan je liefde binnen!
't Was of op eens mijn dichtvuur was gedoofd;
En als 'k een enkle maal nu eens beproef
Een Nieuwjaarsvers of zoo iets op te stellen,
Dan speel ik het met rijm noch rhythme klaar,
En,... ik begrijp niet waar het aan mankeert,...
Maar 't wordt kantoorstijl-werk, geen poëzie.
(klinkt met hem)
U denkt wel dat in 't bootje van 't geluk
Alleen voor u een plaatsje wordt bewaard;
Maar wees voorzichtig als den tocht u waagt.
Wat nu uw vers betreft, zoo weet ik niet
Of het poëtisch is in allen deele,
Maar hoe u ook de woorden draait of keert
Toch deugt niet uw moraal, dat zeg ik u.
Hoe moet men zoo'n administratie noemen,
Die vogels vrij het groene ooft laat pikken
Vóór het tot rijpe vrucht nog worden kon?
Die koe en kalf maar vrij in 't gras laat weiden,
Dat alles kaal is als de hooitijd komt?
Nou, 't zou er hier mooi uitzien 't volgend jaar!
(staat op)
Die in dat slappe woord "het volgend" ligt;
Dat maakt den blijdsten mensch op eenmaal arm!
Was ik een uurtje maar de sprookjes-sultan
Die over dood en leven vrij beschikt,
Dát woord was gauw ten doode opgeschreven,
Als dubbele o en e in nieuwe spellingsleer.
"De volgende liefde", "de volgende vrouw",
"De volgende maaltijd" en "'t volgende leven",...
Kijk, die omzichtigheid, die daarin ligt,
Die is het die der vreugde zoon verarmt.
Zoo ver je ziet wordt heel de wereld leelijk,
Zij doodt van 't oogenblik het hoogst genot;
Je hebt geen rust, eer je de boot gestuurd hebt
Met zwoegend tobben, naar het "volgend" strand;
En ben je eenmaal daar... mag je dan rusten?
Neen; je moet verder naar een "volgend" eiland.
Zoo gaat het voort... voort maar, het leven uit...
God weet of ginds een rustplaats wordt gegeven.
(nadenkend)
Er moet, dunkt mij, toch wel iets waars in zijn.
(bezorgd)
Hij 's excentriek genoeg... Hoor eens, mijn beste,
Toe, kom eens even hier!
(bezig zijn pijp schoon te maken)
(tegen Valk)
U mocht de omzichtigheid wel meer in eere
Houden; stel u 't geval eens voor dat u
Van daag ging dichten en daarvoor gebruikte
Al wat u heeft in kas aan poëzie,
Den heelen kostbren voorraad... en u zag
Dat er niets meer van over was, als u
Den andren morgen 't "volgend" wou gaan dichten...
Dan kreeg mevrouw Kritiek u gauw te pakken.
Dan slenterden mevrouw Kritiek en ik
Gemoedlijk arm in arm te zamen voort. (afbrekend met veranderde stem).
Maar zeg eens, Lind, wat scheelt jou eig'lijk toch?
Je zit daar maar den heelen tijd zoo somber;
Of bestudeer je soms den bouw van 't huis?
(zich beheerschend)
Je wendt je oogen van 't balkon niet af.
Zijn het de breede bogen der veranda
Die je met zooveel diepen ernst beschouwt,
Of wel het kunstig snijwerk van de deur,
Of van de vensterluiken, zeg wat is 't?
Want iets moet je gedachten tot zich trekken.
(met een stralend gezicht)
Bedwelmd door 't nù verlang ik verder niets.
Ik heb 't gevoel alsof ik aan mijn voeten,
Zag uitgespreid der heele wereld schatten.
Dank voor je lied van 't blijde lenteleven.
Dat was als uit mijn eigen ziel gegrepen! (heft zijn glas op en
wisselt een blik met Anna, onopgemerkt door de anderen).
Der bloeme heil, die zoete geuren spreidt
Niet denkend aan het worden van de vrucht! (ledigt zijn glas).
VALK (kijkt hem aan, verrast en aangedaan, maar dwingt zich tot een
luchtigen toon).
Hoort, lieve dames, dat is nu wat nieuws!
Hier maakte ik ongedacht een proseliet.
Nog gisteren liep hij met 't gezangboek rond,
Van daag roert boudweg hij de dichtertrom...
Men zegt wel dat een dichter wordt geboren;
Maar soms kan men een prozaschrijver mesten
Zoo onbarmhartig als een arme gans,
Met rijmgeknutsel en metrisch geknoei,
Dat alles in hem, lever, ziel en krop,
Zit opgestopt met lyrisch vet en kruim
Van rhetoriek, als hij wordt uitgehaald, (tegen Lind).
Mijn dank intusschen voor je vriendlijk woord;
Voortaan dus tokk'len samen wij de lier.
De rust hier buiten tusschen bloesemboomen,
Waar ongestoord en eenzaam u kan dwalen....
(glimlachend)
U juist heel druk aan 't dichten raken moest. (wijst naar rechts).
Dit klein priëel, zoo achter 't loof verscholen,
Lijkt voor een dichter mij als uitgezocht;
Dáár dunkt mij, moet de inspiratie komen...
(gaat naar de veranda en leunt met de armen op de balustrade)
Dan zal den lichten hemel ik bezingen.
Bezorg mij voor den tijd van ééne maand
Een smart, een diep, reusachtig groot verdriet,
En 'k zal van levensvreugde juublend zingen.
Of liever nog, bezorg mij maar een vrouw
Die voor mij is mijn licht, mijn zon, mijn God.
'k Heb Onzen Lieven Heer daarom gesmeekt,
Maar hij bleef doof, of houdt zich zoo, helaas.
Om in 't publiek met haar gearmd te wandlen;
Neen, uit wildst-jubelenden zwijmelroes
Moest plots terug zij in de eeuwigheid.
Wat zielegymnastiek heb ik wel noodig;
Licht kreeg ik op die wijs mijn deel er van.
ZWAANHILDE (is naderbij gekomen; zij staat nu vlak bij Valk en zegt
met schertsende uitdrukking, maar toch vast)
Goed, ik zal voor u bidden om zoo'n lot:
Maar als het komt,... draag het dan als een man.
(heeft zich verrast omgekeerd)
Maar gelooft u ook dat ik vertrouwen kan
Op uw gebed, als iets van groote kracht?
Want och, de hemel laat zich niet verbidden.
Ik weet wel dat uw wil voldoet voor twee
Om van mijn zielerust mij te berooven;
Maar of uw g'loof voldoende is daartoe,
Kijk, dat 's de kwestie.
(half in ernst, half schertsend)
Verwoestend 's levens lichten, groenen zomer,...
Wacht tot het knaagt en schrijnt bij dag en nacht,
Dan kent van mijn geloof u pas de kracht. (zij gaat naar de dames toe).
(op gedempten toon)
Nu heb je Valk in ernst toch boos gemaakt. (gaat voort zachtjes
en vermanend te spreken. Juffr. Ekster mengt zich in het
gesprek. Zwaanhilde staat er koud en zwijgend bij).
VALK (gaat na een kort nadenkend zwijgen naar het priëel en zegt in
zich zelf).
Er straalde zekerheid uit hare oogen.
Dat ik maar g'looven kon als zij, zoo vast,
Dat mij de hemel...
Het ware, met respekt, ook al te dwaas
Als zulke orders werden uitgevoerd.
Neen, weet u, wat bepaald u noodig heeft
Is gymnastiek voor armen, beenen, lijf;
Lig hier niet naar het groene loof te staren
Den lieven langen dag, hak liever hout.
En 't zou dan wel vervloekt gek moeten loopen,
Als binnen veertien dagen u niet was
Bevrijd van al die malle dichterkuren.
Ter linker lokt mij vleesch, ter rechter geest;
Wat zou wel hier de wijste keuze zijn?
(terwijl hij inschenkt)
(kijkt op haar horloge)
Dat wij den dominee gauw zullen zien. (staat op en reddert op de
veranda wat op).
Want zijn gezelschap is hij dubbel waard.
En ook gezien dat hij nu werkzaam is
Als kamerlid, op 't veld der politiek.
Want daarna krijgt hij handen vol met werk.
Met Zweedsche kwesties en veel andere zaken.
Ja, dat begrijp ik.
(gekrenkt)
Hoorde ik met grooten eerbied altijd spreken--
En dat door menschen die men g'looven kan--
Over den dominee en zijn roman.
(lachend)
Wat alledaagschen niet waardeeren kunnen.
(voortgaande)
Die door 't aandoenlijke zich laten prikk'len
Tot spotternij! Het is genoeg bekend,
Dat iemand hier, hij was nog maar student,
Zoo ongehoord pedant, zoo erg brutaal was,
Om "William Russell" zelfs te kritiseeren.
Een christlijk drama of zoo iets misschien?
(geroerd tot stille tranen)
Maar als zóó iets, dat toch geen leven heeft,
Al zooveel boosheid wekt en lage drift
En hevig-fellen hartstocht weet te ontkeetnen,
Zoo diep en bitter...
Begrijpen dat...
Maar wat tot nog toe mij niet duidlijk werd
Dat is, waar die roman nu in bestaat,
'k Vermoed wel dat die heel aangrijpend is;
Maar is 't niet mooglijk die zoo heel in 't kort...
Te resumeeren.
Ik kan 't vertellen...
Weet u, mijnheer,... hij gold als kandidaat
Voor een der knapste koppen van de stad,
Wist van kritiek en ook van nieuwe modes...
Hij schreef en componeerde zelf muziek
Op iets dat... bij een uitgever verscheen;
Het heette: "een sonnettenkrans aan haar".
Hoe innig zong hij die bij de guitaar!
(op gedempten toon)
Dat wat hij wist uit muffe perkamenten,
Zei eens, de liefde kon Petrarca's maken
Zoo goed als vee en luiheid patriarchen.
Maar wie was "zij"?
Nu lang zijn vrouw, die u zal leeren kennen.
Zij was een dochter van een firma die...
(voortgaand)
U kan begrijpen dat zij veel begeerd was;
Door de voornaamsten werd haar 't hof gemaakt.
Strooman had zij gezien op het tooneel;
Hem zien en hem beminnen dat was één...
Die anders niet wou doen dan harten scheiden;
En nog een voogd was er, geloof ik, ook,
Om 't bittre leed nog bitterder te maken;
Maar zij bleef hem en hij bleef haar getrouw;
Zij droomden van een hutje op de hei,
Een sneeuwwit lam dat beiden voeden zou...
Een hutje, een koele beek, elkanders harte!
Van 't jonge paar...!
(tegen juffr. Ekster)
Maakt twijfel wakker en verwart 't verhaal;
In referaten komt het er op aan
Te ord'nen, chronologisch en correct.
Maar nooit heb ik nog goed kunnen begrijpen,
Hoe zij daar leefden...
(vervolgende)
Dat koe en schaap niet ook op zolder woonden.
(tegen Stuiver)
Men heeft niets noodig waar de liefde woont;
Twee teedre harten leven haast van niets. (tegen Valk)
Hij had haar lief bij snarenspel en zang
Waarop zij met klavierspel weerklank gaf.
Alleen voor haar en voor zijn plicht te leven.
(aanvullend)
(staat op)
Het kon toch zijn dat hij in aantocht was.
(doet haar manteltje om)
Mijn wollen doek.
(onbemerkt tegen Anna)
(Zwaanhilde gaat het huis binnen; de anderen, behalve Valk, gaan
naar den achtergrond of af naar links. Lind die meegeloopen is blijft
staan en komt terug).
Ik ben zoo blij;... 't is of mijn hart moet barsten,
Als ik 't niet iemand zeg...
Verhoord word je eerst, veroordeeld, dan gehangen.
Wat zijn dat voor manieren? Je verbergt
Voor mij, je vriend, den schat door je gevonden;...
Beken het maar, gegrond is mijn vermoeden:
Je trok een prijs uit 's levens loterij!
Ik ben verloofd!...
(snel)
Van daag,... hoe 'k durfde weet ik zelf niet meer!
Ik zei... nou ja, dat kan ik niet vertellen;
Maar weet je... zij, dat mooie jonge meisje,
Bloosde als een roos,... en werd volstrekt niet boos!
Zeg, kan je 't vatten, Valk, hoe ik het waagde!
Zij luisterde en... schreide, meen ik zelfs;
Dát is toch een goed teeken?
Volmaakt sekuur, vraag 't dan aan juffrouw Ekster.
Bedriegt mij niet, 'k ben rustig, zonder vrees.
(Stralend en geheimzinnig).
Toen zij de koffiekopjes nam van tafel!
(heft zijn glas op en ledigt het)
(doet evenzoo)
Dat ik haar lief zal hebben tot mijn dood,
Zoo warm als nu... want och zij is zoo lief!
Bij Mozes noch profeten meer van daag.
(lachend)
(ernstig)
Den theoloog al uitgeschud heb nu.
't Verschil is dit alleen, dat 'k niet den Bijbel
Als Jakobsladder tot mijn God gebruik.
Nu moet ik Hem in 't leven zelf gaan zoeken;
Ik voel meer goedheid nu al in mijn hart,
'k Heb lief de grashalm, 't wurmpje aan mijn voet;
Die moeten van 't geluk hun deel ook hebben.
Mijn zoet geheim blijft heilig voor ons drieën.
Leef ik geheel in lenteblij genot.
Ik richt mijn oog op ons geluk vlak bij:
Daar houden wij van 't lot de teugels vast.
Noch jij, noch Goudstad,... noch zelfs mevrouw Halm
Kan zeggen tot mijn frissche bloem: "verwelk!"
Want ik heb wilskracht, gloed straalt uit háár oogen.
En daarom moet en zal zij opwaarts streven!
O, ik voel mij zoo sterk! Lag daar een afgrond
Vóor mij... hoe gapend ook... Ik waagde een sprong!
Je liefde maakt je bijna tot een rendier.
Dan weet ik wel waarheen mijn smachten trekt!
Je moet toch met 't kwartet de bergen in?
Maar 'k wed dat je geen pelsjas noodig hebt...
Ik adem berglucht nu in 't diepe dal;
Hier heb ik bloemen en de wijde fjord,
Hier heb ik bladerruischen, vogelzangen,
En mijn geluksfee... zij is immers hier!
Hoû die maar vast!... die zijn maar al te zeldzaam. (met een blik op
het huis).
Sst,... Zwaanhild...
(drukt hem de hand)
Wat tusschen jou en mij en háár moet blijven.
Dank dat je luisteren wou naar mijn geheim.
Begraaf het in je hart, hoû 't veilig daar...
(af naar den achtergrond hij de anderen).
en neer, zichtbaar strijdende tegen zijn aandoeningen. Even later
komt Zwaanhilde uit het huis met een doek op den arm; wil naar
den achtergrond gaan; Valk nadert haar en kijkt haar onafgewend
aan. Zwaanhilde blijft staan).
(na een kleine pauze)
(half in zich zelf)
Diep in die oogen glijdt een vlucht'ge schaduw,
Die om den mond verscholen speelt vol spotlust.
Het is daar.
Doe mij 't genoegen... gooi hem over boord!
Waarom kreeg u toch
Al toen u klein was zoo'n memento mori?
Maar veel te groot, te streng voor onze tijden.
Hoe kan een meisje uit onze dagen nu
Begrijpen wat de naam Zwaanhilde inhoudt?
Neen, gooi hem weg, als een verouderd pak.
Neen, hoog in 't zadel! In mijn stille droomen
Joeg 'k, voortgedragen op een vurig paard,
Zoo vaak ver weg, de wereld in vol moed,
Zijn manen als een vrijheidsvlag me omwapprend!
Kent niemand van ons paal of perk of grenzen,
Dan vreest geen mensch de sporen te gebruiken;...
Bij daden blijven wij zoet hier beneden;
Want 't leven heeft een ieder innig lief,
En niemand wil een sprong ten doode wagen.
(levendig)
Maar dan zij 't doel den sprong ten doode ook waard.
Een Californië na zandwoestijnen,...
Zoo niet, dan is 't maar beter thuis te blijven.
(spottend)
(warm)
De boot uitzetten en de zeilen hijschen?
(ironisch)
Waar niet met gouden prijs hij wordt beloond
Die moed heeft vrij de wereld in te gaan,
En hoog in 't zadel, stout vooruit te streven?
Zoo'n tocht, zoo zonder doel, is iets voor d'adel,
Maar onze tijd lacht om wat aadlijk is;
Dat wou u zeggen, niet?
Zie naar dien pereboom die ginder staat,...
Wat is die dor en bloesemloos van 't jaar.
Verleden jaar, dat had u moeten zien,
Boog heel de boom onder zijn vruchtenlast.
(een beetje onzeker)
(fijntjes)
Van ónzen tijd, te veel verlangd is, peren
Te oogsten waar een vorig jaar de boom
Te veel gedragen heeft aan bloem en vrucht.
In oud-romantische geschiedenissen.
Wie komt er op en strijdt voor waarheid nog,
Wie waagt zijn huid en zijn persoonlijkheid?
Waar vindt men helden?
(kijkt haar scherp aan)
(schudt het hoofd)
Toen 't g'loof onlangs in Syrië werd bedreigd
Trok u toen als verdediger daarheen?
Neen, op papier ging u de zaak ter harte.
En voor het goede doel zond u wat geld af.
(Pauze. Valk schijnt te willen antwoorden, maar houdt zich in en gaat
den tuin in).
(kijkt hem een oogenblik aan, nadert dan en vraagt zacht)
En anders niets.
(nadenkend en meewarig)
Geheel verschillend...
(driftig)
(uitbarstend)
Voor Jan-en-alleman mijn naakte ziel
Ten toon te stellen... als 't profane menschdom,
Dat op de straat te koop loopt met zijn liefde...
Als jonge vrouwen met hun bloote armen!
Jij was de eenige,... jij Zwaanhild, jij...
Dat dacht ik... maar dat is nu ook voorbij...
(wendt zich tot haar terwijl zij naar het prieël gaat en uitkijkt).
Sst! Hoor je wel?... spreekt als de zon gaat dalen.
Een kleine vogel, kijk, verschuilt zich daar
In 't loof,... daar komt hij net weer voor den dag...
En weet je wat ik vast geloof? Haar, wie
Geen dichterziel, geen zangstem werd gegeven
Die kreeg van God een vogeltje tot vriend...
Voor haar alleen en voor haar tuin geschapen.
(neemt een steen van den grond op)
Zal niet zijn zang te loor gaan bij een vreemde.
'k Kreeg niet de gaaf van 't woord en ook geen zangstem;
Daar kweelt mijn vogeltje in zijn groene schuilplaats,
Daar voel 'k als zangen dalen in mijn ziel...
Nu ja... ze blijven niet... ze vliegen weg...
(Valk gooit driftig met den steen; Zwaanhilde uit een kreet).
(loopt naar rechts en komt weer dadelijk terug).
(hartstochtelijk opgewonden)
En tand om tand, Zwaanhilde, meer was 't niet!
Nu krijg je dan geen groet meer uit de hoogte,
Uit 't land der zangen geen geschenken meer.
Dat is mijn wraak nu over wat je deedt!
Zong in mijn borst een vogel stout en sterk.
Nu kan de doodsklok voor hen beiden luiden,...
Jij doodde hém!
Mijn g'loof, zoo jong, zoo blij en zegevierend...! (verachtelijk).
Toen jij je hebt verloofd!
Hij doet examen, wordt wel gauw beroepen,...
Hij wenscht toch naar Amerika te gaan...
(op denzelfden toon)
Want je zult zeker Lind bedoelen?
Zal jij wel weten...
(met ingehouden lach)
Dient dat wel...
Zoo'n overgroot geluk? Ach neen, eilacy!
(bijna kinderlijk blij)
Och, Onze Lieve Heer is goed en mild toch!
Niet met een ander zal 'k gearmd je zien...
Hij wilde alleen het licht der smart ontsteken...
(wil haar hand vatten).
(wijst snel naar den achtergrond)
(Zij gaat naar het huis. Van den achtergrond komen op dat oogenblik
mevr. Halm, Anna, juffr. Ekster, Goudstad, Stuiver en Lind. Gedurende
het voorgaande is de zon ondergegaan; het landschap ligt in
schemerdonker).
(tegen Zwaanhilde)
Waar bleef je toch?
(met een blik op Valk)
Zet nu vast thee en maak de kamer netjes;
't Moet in de puntjes zijn; ik ken mevrouw wel.
(Zwaanhilde gaat het huis binnen).
(tegen Valk)
Dat 'k verzen in mijn schrijfmap houd verborgen?
Het spant er, nu 't tot trouwen dan zal komen.
De liefdezorgen zijn niet licht te tellen!
Met banden, vrijheidsroof en slavenleven.
(ziende dat Juffr. Ekster naderbij komt)
Er ligt in 't woord der vrouw en in haar geest.
(zachtjes)
(knorrig)
(gedempt tegen Valk terwijl hij met Anna nader komt)
Aan allen 't zeggen nu...
En geen oningewijde te vertellen,
Wat jou alleen aangaat...
Voor jou, mijn vriend, ook hier in huis logeergast,
Moest ik verstoppen dan mijn jong geluk!
Neen, nu mijn hoofd van jubel staat in brand...
Ja, goede lieve vriend, als dat je opinie is,
Ga dan maar gauw je engagement vertellen!
En één daarvan lijkt mij wel van gewicht;
Stel eens dat onder ons zich zou bevinden
Een stille aanbidder, sluipend om haar heen;
Stel dat hij dan op-eens met huwelijksplannen kwam
En aanzoek om haar hand... wat dat gênant zou zijn...!
Dat tot wat hoogers jij je voelt bestemd.
Van liefde's vrije priester die je nú bent,
Moet vroeg of laat je nog promotie maken;
Maar het is zelfs in strijd met alle vormen
Je nu al voor te doen als hoog-gewijde.
(verlegen)
Mijn nieuw geluk en mij, waar hij maar kan.
Die kwast komt immers daaglijks hier naar buiten,
Is rijk en vrijgezel, steeds om je heen;
In 't kort, mijn liefste, er is nog zooveel
Dat niets dan onheil voor ons kan voorspellen.
(met een zucht)
(deelnemend tegen Lind)
Wacht nog wat... geef niet noodeloos je bloot.
(Zij en Lind af, ieder naar een anderen kant)
(kijkt Lind na)
GOUDSTAD (die intusschen bij de trap heeft gestaan in gesprek met
mevr. Halm en Juffr. Ekster, komt nu naderbij en klopt hem op den
schouder).
Wel, staat u hier te broeden op een lied?
Ik dacht niet dat u daaraan ook al deed.
Een vriend van mij, ja, van ons allebei;...
Een schrijver van bizondre handigheid,
Want tusschen middaguur en avondstond
Heeft hij al afgemaakt een heele idylle.
(sluw)
U weet toch wel Dat 't scherm pas valt als zij elkander krijgen. Maar dat is nog maar één van zijn drie stukken: Daarnà eerst komen nog de schrijversweeën, Als nummer twee, de klucht van de verloving, Door vijf bedrijven heen behandeld wordt. En hieruit spint hij dan op nieuw de stof Voor 't huwelijksdrama, dat is dan het derde
(glimlachend)
Als 'k ook te broeden rondloop op een dichtstuk,...
(geheimzinnig).
Maar de heldin dan? Zij woont zeker buiten
Op 't vrije land, niet in bedompte stad?
(dreigt met den vinger)
(verandert van toon).
Mijn oordeel kan noch kwaad noch goed beduiden...
(glimlachend).
Met dat gedicht waarvan u heeft verteld.
Stel dat ik uw vertrouwen zou misbruiken,
En uitkomst en intrige ging bederven.
(gemoedelijk)
En 't waar' te gek, werd uwe hulp versmaad
Door wie, als ik, maar is een dilettant (gaat naar den achtergrond).
(in 't voorbijgaan tegen Lind)
Met moordnaarsplannen tegen je geluk, hoor. (verwijdert zich).
(zacht tegen Anna)
Wij moeten heusch terstond je moeder spreken.
(Zij gaan naar mevr. Halm toe, die met juffr. Ekster bij het huis
staat).
(pratend met Stuiver)
Als er maar stemming is...
(schertsend)
Met uw liefde soms?
(die er bij gekomen is)
Van ieder sprankje poëzie, gelukkig.
(beleedigd)
Of ook met mij, de poëzie te doen heeft.
Haar eigen wezen kent, dan moet zij sterven.
(tegen Stuiver)
Dan zeg het maar.
Bedacht hoe 'k u de zaak zou kunnen zeggen,
Maar 'k kon niet komen tot een goed besluit.
Sinds jij tot een "aanstaande" bent bevorderd,
Gevoel jij je gedrukt en steeds gedrukter...
(voortgaand)
Die je ter helle joeg, als je maar kon;
Dat is de zaak.
Ik heb geprolongeerd, als eerlijk man. (tegen Goudstad).
Maar 't wordt met iedre maand al meer en erger.
En men krijgt toch een vrouw als men gaat trouwen...
(vroolijk)
Dit was een echo uit je dichtertijden!
Zoo moet 't ook zijn; 'k begreep het wel terstond;
'n Paar vleugels had je noodig en een schaar!
Weer los te knippen, dat je uit kon vliegen
Weer vrank en vrij...
(boos)
Dat ik beschuldigd word van zoo'n vergrijp
Aan het gezag, dat 'k stil maar heengaan zou?
Zoo iets is een bekladden van mijn eer
En lasterlijke praat!
Wat wil je dan toch zeggen? Spreek toch... spreek!
(lachend tegen Stuiver)
Wat wou u dan?
(bedaart weer)
(snel tegen Goudstad)
Voor honderd thaler of zoo daaromtrent.
(die inmiddels bij mevr. Halm, Lind en Anna heeft gestaan)
(slaat uitgelaten zijn armen om zijn hals)
Dat Amor je een broertje heeft gebracht.
(trekt hem mee naar de anderen).
(overweldigd tegen de heeren)
Zij zijn geëngageerd!
(met tranen van ontroering, terwijl het paar gelukgewenscht wordt)
Die welverzorgd en blij dit huis verlaat;... (tot Valk gewend).
Al zeven nichtjes... allemaal met gasten... (haar aandoening wordt
haar te machtig; zij houdt haar zakdoek voor de oogen).
(tegen Anna)
(liefkoost haar zeer aangedaan).
(grijpt Valk's handen)
Van 't geestelijke matigheidsgenootschap;
Je kent 't gebod:... geen slemppartijen hier!
(keert zich tot Goudstad met een beetje boosaardige deelneming).
(vergenoegd)
Dat voor hen beiden dit geluk belooft.
(kijkt hem verwonderd aan)
't Doet mij genoegen.
Een zoete hoop...
U noemde juffrouw Halm; u stond toch hier
En vroeg mij...
(glimlachend)
Leer eerst die zuster maar wat nader kennen,
En oordeel zelf of zij niet zou verdienen
Dat er wat meer werk van haar werd gemaakt
Dan hier in huis gewoonlijk wordt gedaan.
(koel)
Kan zij niet vatten; daar legt zij het af...
Eén winter uitbrengt, wed ik dat voor niemand
Zij onderdoet.
(vroolijk)
Zij kiemen ongemerkt in vorst en sneeuw.
(komt bij hen en grijpt Valk's handen)
Ik voel mij zoo gelukkig en zoo rustig!
Hoe men zoo doet als pas verloofde minnaar!
(onaangenaam aangedaan)
(schertsend)
(kijkt hem na)
Vergeef mij, voor een ander leedt je pijn!
Gelezen?
Daar staat iets in, van iemand wien het lot
Zijn goede, gave oogtand trekken deed,
Omdat een neefje van hem leed aan tandpijn.
(kijkt uit het raam)
(Intusschen heeft men een rijtuig hooren stilhouden links buiten. De
dominee, zijn vrouw en acht kleine meisjes, allen in reistoilet,
komen één voor één binnen).
(ijlt de nieuw aangekomenen te gemoet)
U komt juist goed van pas, want denk eens aan,
Mijn dochter Anna is daar net verloofd.
(schudt Anna de hand met zalving)
Dat is een schat, die motten niet of roest
Verteren kunnen... zoo zij althans echt is.
Gebracht heeft naar de stad.
Die buiten zijn gebleven.
Wat 't is een liefdrijk vaderhart te missen
Voor 's rijks belang.
(tegen mevr. Halm terwijl zij afscheid neemt)
Bij Jensen, weet ik, gaan ze laat naar bed;
De tantes zullen blij zijn, nu dat spreekt.
Mijn lieve Anna, wees niet meer verlegen...
Want morgen is het Zondag; met visites
Wordt je overstroomd, daar kan je vast op reeknen!
En u wil zeker wel
Een kopje thee? Mevrouw wees dan zoo goed!
(Mevr. Halm, Strooman, zijn vrouw en kinderen met Goudstad, Lind en
Anna gaan het huis in).
(terwijl zij Stuivers arm neemt)
Hoe Luna zwevend rust tusschen de wolken!
Maar neen, je kijkt niet eens!
Ik dacht alleen maar even aan ons debet.
(Zij gaan weg naar links. Valk die onder het voorgaande onafgewend
Strooman en zijn vrouw beschouwd heeft, blijft alleen in den tuin
achter. Het is nu heelemaal avond; in huis is het licht opgestoken).
Zoo gaan zij door het leven, twee aan twee,
Te zamen staan zij als de zwarte stammen,
Die 'n boschbrand naliet op de dorre hei;...
Zoo ver het oog maar reikt is 't kale vlakte...
O brengt dan niemand 's levens frissche groen!
(Zwaanhilde komt op de veranda met een bloeienden rozenstruik dien
zij op de balustrade zet).
Die ééne... ja...!
Maar zeg eens, ben jij dan niet bang daarbinnen,
Waar 't lamplicht op de vale lijken valt...
(kijkt naar Strooman, die zich aan het raam vertoont)
Vocht voor zijn liefde tegen heel de wereld,
Trok tegen zede en gebruik te veld.
Zijn liefde uitte hij in blijde zangen...!
Zie hem nu aan! In lange jas... zijn beste...
Het wandlend drama van zijn diepen val!
En dan die vrouw, met haar verlepte jurk,
Met scheefgeloopen schoenen, los en klapperend,
Zij is de fee, die hem tot schoonheidsleven
De groote wereld binnen leiden zou.
Wat bleef er van die vlam? Niet eens de rook meer!
Sic transit gloria Amoris, zie je!
Ik weet geen mensch wiens lot 'k zou willen deelen.
(snel)
Indruischend tegen de natuur, onwaar!
(schudt het hoofd)
Zoo stellig als wij staan hier op den grond.
Wij willen langer niet van de gemeente
Der platte alledaagschheid leden zijn!
Zelfstandig, waar en vrij zich te ontwikk'len
Moet toch het doel zijn van een ernstig mensch.
Dat heb jij ingezien zoo goed als ik.
Er klopt een zieleleven in je polsen
Dat warme woorden vindt voor krachtig denken.
Jij duldt het keurslijf niet der vormlijkheid
Gesnoerd om 't hart, dat vrij en ruim wil kloppen;
Je stem is niet geschikt om mee te zingen
In het gewoonte-koor, naar zede-maat.
Mijn oog versomberd heeft, mijn borst benauwd?
Ik had mijn eigen weg mij willen maken...
Toen kwamen tantes met haar goeden raad,...
Zij moesten overleggen, wikken, wegen... (dichterbij).
Maar in gedachte, zeg je; neen ik waagde
Een stoute poging zelfs... 'k ging leeren schildren.
Maar toch mijn vrijheidsdrang liet zich niet binden;
En 'k zocht daarna de planken van 't theater...
Zij zag mij liever gaan als gouvernante...
Zij waren bang, 't zou slecht zijn voor mijn toekomst,
Als jonge heeren het te weten kwamen.
(kijkt haar een oogenblik deelnemend aan)
Ik zag terstond toen 'k je voor 't eerst ontmoette,
Hoe weinig je op de anderen geleek,
En hoe geen een je eigenlijk begreep.
Rondom de tafel zaten ze allemaal,
Met kopjes thee,... en de gesprekken gonsden,
De dames bloosden en de heeren kirden
Als tamme duiven op een zomerdag.
En over godsdienst, zedelijkheid zelfs,
Werd er gepraat door meisjes en matronen,
En huislijkheid gevierd door jonge vrouwen,
Terwijl jij eenzaam zat, als heel alleen.
En toen 't gebabbel eindlijk was gestegen
Tot roes, een thee- en prozabachanaal,...
Toen glansde als zilver jij, een edel muntstuk,
Als tusschen koper en papier verdwaald.
Jij waart een goudstuk uit een verre landstreek
Dat hier berekend werd naar andre koers,
En nauwlijks gangbaar in een licht gesprek,
Waar verzen, boter, kunst en dergelijken
Behandeld werden... juist sprak juffrouw Ekster...
(quasi ernstig)
Zijn hoed in de armen als een schild, daar stond...
"Toe, Zwaanhild, drink toch eens, je thee wordt koud."
En zoet dronk je je thee, de slappe, weeë,
Zooals zij allen, jong en oud, daar deden.
Maar daadlijk trof en pakte mij die naam;
De wilde Völsungsage, gruwlijk, wreed,
Met heel haar lange rij verslagen ridders,
Scheen tot in onzen tijd mij toen te reiken;
'k Zag als een tweede Zwaanhild daar in jou,
Vernieuwd en in een andere gestalte.
De leugenvlag moest 't recht tot oorlog dekken
Eertijds, nu eischt het volk zelf recht en rust;
Maar zondigt iemand tegen ónze zeden
Dan moet voor zijn geslacht hij schuldloos boeten.
(licht ironisch)
Zulk bloedig fantazeeren kon ontstaan;
Maar voor jou is het wel geringe kunst
Waar geest ontbreekt, toch geesten te zien rijzen.
(geroerd)
Met tranen in je stem,... o 'k zie het wel.
En meer nog zie 'k;... wordt jij vertrapt in 't stof,
Gekneed als klei je eigen vrije wezen,
Dan zal er menig knoeier weldra komen
Met 't modelleermes, plomp en dom en ruw.
Gods scheppingswerk zullen zij naäpen
Om naar hun eigen beeld je te herscheppen,
Veranderd, aangedikt, verkleind, onkenbaar.
En als men je dan zoo ten toon kan stellen
Dan juublen zij: "Kijk nu is zij normaal!
Kijk die plastieke rust, als marmer koel!
Bestraald door 't licht van lampen en van kronen
Is zij als voor salon-décor geschapen!"
(grijpt hartstochtelijk haar hand).
Wees eerst de mijne vrij in Gods natuur;
Nog vroeg genoeg kom je in vergulde kooi;
Daar tiert de dame, maar de vrouw moet kwijnen,
En die alleen heb 'k lief. Een ander mag
Je dan ééns binnen leiden in zijn huis;
Maar hier, hier is mijn lente opgebloeid,...
Mijn eerste lied ontsproot hier uit mijn ziel.
Hier kreeg ik vleugels;... hier, als jij mij bijstaat,
Dat weet ik, Zwaanhild,... hier, hier word ik dichter!
O waarom zeg je mij dat alles nu?
Het was zoo mooi elkaar vrij te ontmoeten.
Is 't dan zoo noodig het geluk te steunen
Met woorden van belofte, dat 't niet breekt!
Je hebt gesproken en nu is 't voorbij.
Mijn trotsche Zwaanhild,... als je 't waagt te springen.
Wees dapper, als je moed hebt vrij te zijn!
Te doen waartoe ons innigst zijn ons drijft;
En 'k weet dat jij door God bent aangewezen
Tot wering van mijn schoonheids-zondenval.
Ik moet, gelijk mijn naamgenoot de vogel,
Kop in den wind de lucht in, zal ik stijgen.
Jij bent de zefier waar 'k mij op laat wiegen,
Met jou eerst krijg ik draagkracht in mijn wieken.
O wees van mij, eer nog je krijgt de wereld,...
En valt het loof, dan scheiden onze wegen.
Zing mij je zieleschatten in mijn ziel,
En zang voor zang geef 'k rijkelijk je weer...
Dan kan je onder worden, rustig, stil,
Als blaren welken, zonder smart of klacht.
(met onderdrukte bitterheid)
Hoewel die duidlijk je gezindheid toont.
Want je beschouwt mij als een kind den wilg
Dien het tot ééndagsfluitje kalm versnijdt.
Totdat de herfst in grauwe mist hem hult. (heftig).
Je moet! Je zult! Ja meer, het is je plicht
Om mij te schenken, wat zoo rijk je ontving.
Wat jij daar droomt dat wordt in mij tot lied!
Ziedaar den vogel, dien ik doodde... dom...
Die was voor jou een bron van zanggenot...
O weiger 't niet; zing ook voor mij als hij...
Mijn leven wordt voor jou tot één gedicht!
Als ik mijn laatste liedje heb gezongen...
Wat dan?
(bekijkt haar)
(zachtjes)
(lacht spottend)
Die 't àl zou wagen, voor een zichtbaar doel! (met kracht).
Ik wees je 't doel; geef nu een antwoord dat
Voor altijd mij voldoet.
Op dien weg kan ik je nooit nader komen.
(koud-afbrekend)
ZWAANHILDE (heeft zich zwijgend van hem afgewend. Zij legt de handen
op de balustrade en laat haar hoofd daarop rusten).
VALK (loopt eenige malen heen en weer, steekt een sigaar op, blijft
dicht bij haar staan en zegt na een pauze):
Je vindt het zeker hoogst belachelijk
Wat ik van avond je al zoo heb verteld? (houdt op, op antwoord
wachtend, Zwaanhilde zwijgt).
Ik ben te ver gegaan, dat zie ik wel;
Je voelt alleen als zuster of als dochter;...
'k Zal spreken met handschoenen aan voortaan
Dan zullen wij elkander 't best verstaan... (wacht even; maar daar
Zwaanhilde onbewegelijk blijft staan, keert hij om en gaat naar
rechts).
ZWAANHILDE (heft het hoofd op, na eenig stilzwijgen, kijkt hem strak
aan en komt nader bij hem).
Nu wil ik nog een ernstig woord je zeggen
Tot dank omdat je mij hebt willen redden.
Je hebt een beeld gebruikt dat mij op eenmaal
Je "hemelstijging" juist begrijpen deed.
Ik zag je als een valk, die op moet stijgen
Kop in den wind; zal hij de hoogte in.
Ik was de zefier die je opwaarts droeg,...
En zonder mij was machteloos je streven...
Hoe jammerlijk! Hoe niet-te-zeggen klein!...
Belachlijk zelfs, zooals je zelf besefte.
Toch viel je beeld niet op een dorren grond;
Want voor mijn oog ontstond daaruit een ander,
Dat niet, als 't eerste hinkt en kreupel gaat.
Ik zag je, niet als valk, maar als een vlieger,
Als dichtervlieger, van papier gemaakt,
Welks eigen ik een bijzaak is en blijft,
Terwijl het opzettouw de hoofdzaak is.
Het breede voorvlak was beschreven, dicht,
Met toekomstwissels op poëtisch goud;
En iedre wiek een bundel epigrammen,
Die flapten in den wind, maar niemand raakten;
De lange staart was een modern gedicht
Dat fouten geeslen wou van onzen tijd,
Maar dat alleen kon zachtjes fluistren even
Van d'een of ander die zijn plicht verzaakt.
Zoo lag je machtloos voor mij, en je vroeg:
"Och zet mij op in 't westen of in 't oosten!
Och, drijf mij met mijn liedjes in de lucht,
Al moet het je ook moeders boosheid kosten!"
(knijpt de handen samen in hevige gemoedsbeweging)
Ik ben te groot voor dat soort kinderspel;
Maar jij, geboren voor hoog geestlijk werk,...
Jij,... bent tevree met vliegen naar de wolken,
En bindt je dichterleven aan een draad,
Die ik, wanneer ik wil, kan laten glippen.
(snel)
(zachter)
Laat deze dag een datum voor je wezen;
Vertrouw voortaan op eigen vleugelslag,
En laat het dan maar buigen of wel barsten.
Papieren liedren hooren in de map,
De levende zijn eigendom van 't leven;
En die alleen zijn gangbaar op de hoogten.
Zoo kies dan welke van de twee je wilt. (dichter bij hem).
Nu deed ik wat daar straks je van me vroeg:
Ik zong mijn laatste lied uit volle borst;
En 't was mijn éénige; nu ben ik leeg;
Als je nu wilt, gooi mij dan met een steen!
(Zij gaat het huis binnen; Valk blijft onbewegelijk staan; en kijkt
haar na; ver weg op het water ziet men een boot; daaruit klinkt van
verre en gedempt het volgende:)
Als arend gezweefd over wereldzeespiegel;
En achter ons blijven der stormvogels scharen.
Verstand is maar ballast... overboord dat terstond!
Misschien raakt er straks wel mijn bootje aan den grond,
Maar het is toch zoo heerlijk te varen!
(verstrooid... ontwaakt uit zijn gedachten)
(tegen Goudstad, die naar buiten komt met een lichte overjas over
den arm).
Zoo, mijnheer Goudstad,... sluipt u zoo stil weg?
Wij niet-poëten houden niet van tocht;
Wij krijgen 't van de avondlucht te pakken.
Goênacht!
Wijs mij iets om te doen, maar liefst iets groots...!
Dat ingrijpt...!
(met spottenden nadruk)
Dan zal u zien, grijpt u het leven wel.
(ziet hem peinzend aan en zegt langzaam)
Nu ben ik wakker van mijn leeg gedroom,
Nu heb ik 's levens dobbelsteen geworpen,
En u zal zien... de duivel haal mij...
Vloek niet; daarmee verjaagt u nog geen vlieg.
Ik keer des Scheppers werkplan nu eens om;...
Zes lange dagen deed ik niets dan gapen;
Mijn wereldbouwwerk ligt nog ongebouwd;...
Maar morgen, Zondag--dan zal ik gaan scheppen!
(lachend)
Maar ga nu eerst wat slapen; goeden nacht!
(af naar links. Zwaanhilde wordt zichtbaar in de kamer boven de
veranda; zij sluit het raam en laat het gordijn zakken).
raam en barst als door groote aandoening bevangen uit).
Goênacht! Goênacht! Slaap zacht en droom van nacht;
En morgen, Zwaanhild, zijn wij twee verloofden. (gaat snel weg naar
rechts; van het water klinkt het weer):
Maar het is toch zoo heerlijk te varen!
(De boot glijdt langzaam verder, terwijl het scherm valt).
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF
Tweede bedrijf
Zondag namiddag. Mooi aangekleede dames en heeren drinken koffie op de veranda. Door de open glazen deuren ziet men verscheidene gasten binnen in de tuinkamer; daaruit klinkt het volgende:
Openlijk moogt gij verliefd nu wezen,
Elkander omhelzen, slag op slag,
Kussen zooveel gij maar wilt... het mag!...
Geen luistervink hoeft gij te vreezen.
Nu kunt gij dwepen naar hartelust,
Overal samen, buiten en binnen.
Nu moogt ge uw liefde kweeken gerust,
Koestrend ze laten groeien in rust;
Toon nu eens hoe gij kunt minnen!
(in de kamer)
Wat had ik je geplaagd!
(ook daar)
(in de deur)
(op de veranda)
(bedrijvig)
Dat doet zij zelf.
(op de veranda tegen een dame met een handwerkje)
(in de deur met een blaadje)
Zult hebben als je gaat visites doen.
(in de kamer bij het raam)
(tegen eenige dames op de veranda)
(met hooge stemmen)
(evenzoo opspringend)
(vertoont zich rood en verlegen in de deur)
STUIVER (in de deur, met een kop koffie in de eene hand en een beschuit
in de andere).
Neen, men moet niet de feiten zoo verdraaien,
Ik attesteer dat men zich hier vergist.
(binnen zonder dat men haar ziet)
(roepen)
(Allen loopen de kamer in; lachen en luid gepraat hoort men een
poos daarbinnen).
VALK (die gedurende het voorgaande in den tuin heeft rondgeloopen,
komt nu naar voren, blijft staan en kijkt naar binnen, totdat het
leven een beetje bedaard is).
Daar slachten zij der liefde poëzie...
De slager, die een koe slacht, zoo onhandig
Dat zij onnoodig pijn lijdt in het sterven,
Dien sluit men op, een dag of tien; maar hier...
Die heele reeks van beulen komt weer vrij. (balt de vuisten).
Ik zou ze kunnen... stil, geen holle woorden;
'k Wil hand'len van af heden, heb 'k gezworen.
(komt gejaagd en voorzichtig uit de deur)
Nu kan 'k eens weg...
Daarginder? Goede wenschen hebben wel
Als muggen je omzwermd den heelen dag hier.
Maar met wat minder kon ik 't ook wel doen.
Hun interest is wel wat heel vermoeiend;
Een oogenblikje rust zal mij verkwikken. (wil naar rechts af).
Klop maar als je de deur gesloten vindt.
Wij praatten gistren tot nà middernacht;
En hebben wel 't gewichtigste besproken;
En dan ook, dunkt mij, is het wel het beste
Wat spaarzaam om te gaan met je geluk.
Voor alledaagsch gebruik...
Nu ga ik eens een lekker pijpje rooken;
Dat heb ik in geen drie dagen gedaan.
Mijn bloed was zoo onstuimig in beweging;
Ik was zoo bang dat zij mij weigren zou...
rechts. Juffr. Ekster en eenige andere dames komen uit de tuinkamer).
(tegen Valk)
Als hij een week lang draagt het uithangbord.
Van 't tuinhuis, waar wij allebei logeeren. (smeekend).
Och, u moet hem eens even laten blazen;
Jaag hem niet daar van daan!
De rust niet duren.
Dan kan u 't spel van nieuw af weer beginnen.
Nu wil een preek hij schrijven in het Engelsch.
Een mogelijk beroep bij de emigranten
Te volgen...
(verschrikt)
Nog niet vergeten? (tegen de dames) Roep toch al de tantes!
Haal Anna en haar moeder, Strooman ook!
(in beroering)
den dominee, zijn vrouw en kinderen, Stuiver, Goudstad, mevr. Halm
en de overige gasten).
Weet je wat Lind
Vast heeft besloten, in zijn hart, geheim?
Als dominee...
(verontwaardigd)
(slaan de handen in elkaar)
Dien volgt men als men vrij en niet verloofd is;
Maar een aanstaande volgt alleen zijn bruid...
Neen Anna-lief, bedenk je maar bijtijds nog;
Jij, die van kind af in een groote stad...?
Zoo iets is, dunkt mij, toch al heel curieus. (tegen de dames).
Komt allemaal nu! (zij neemt Anna bij den arm).
Wacht, nu moet je hooren;...
En dan zeg jij hem wat hij nu te doen heeft.
(zij gaan naar den achtergrond en rechts af, druk samen pratend, met
verscheidene dames; de andere gasten verspreiden zich in verschillende
groepjes door den tuin. Valk houdt Strooman staande, wiens vrouw en
kinderen steeds in zijn nabijheid zijn. Goudstad loopt op en neer
onder het volgende gesprek).
Vóór Anna opgezet wordt tegen hem.
(plechtig)
Maar als ik hem van middag goed verstaan heb,
Rust dat beroep maar op een lossen grond,
En 't offer dat gebracht wordt is onzeker...
Ik durf er voor instaan met mijzelf
Dat groot en eerlijk hij zijn roeping voelt...
(levendiger)
Een jaargeld,... ja, dan is 't een andre zaak.
(ongeduldig)
Ik spreek van roeping, drang... niet van salaris!
(met een gevoelvol lachje)
Amerika, Europa of in Azië,...
Of waar dan ook. Ja, was hij nu nog vrij,
Mijn waarde jonge vriend,... als hij alleen was,
Nog jonggezel,... ja dan, dan ging het wel;
Maar Lind, die pas verloofd is,... neen voor hém
Is zulk een werkkring toch wel niet verkieslijk.
Denk maar eens na; hij is een krachtig man,
En mettertijd krijgt hij wel een gezin;...
Ik onderstel bij hem veel goeden wil;...
Maar "middelen", niet waar...? "Bouw niet op zand"
Zoo staat geschreven. 't Ware wel wat anders,
Als 't offer nu...
Dat weet ik wel.
Als 't offer dat vrijwillig men wil brengen,
Vrijgevig ook...
Men legt het toch voor hem op 't altaar neer.
Niet hij moet 't brengen...
(kijkt naar den achtergrond)
VALK (staart hem een oogenblik verbaasd aan, begrijpt dan plotseling
en barst in lachen uit).
Ach zoo, dát offer... ja!... dat wat zij u
Op feestdag brengen... ritslend bankpapier!
Wordt dat door Kerst en Pinksterfeest vergoed.
(vroolijk)
Zelfs als je een domme, luie kaffer bent!
Dan mag men zelfs als Zoeloe-zendling gaan. (gedempt).
Nu hoop ik haar met zachtheid wel te winnen. (tegen een van de kleine
meisjes).
Mijn lieve kind, och haal mijn kop eens even,
Mijn pijpekop bedoel ik, vat je wel... (voelt in zijn jaszak).
Neen, wacht een oogenblik;... ik heb hem bij mij.
(stopt voortgaande zijn pijp, gevolgd door vrouw en kinderen).
(komt naderbij)
Der liefde hier... of 'k moet mij zeer vergissen?
Die lokken niemand... (tegen Lind die van rechts komt).
Zoo, ben jij daar al?
Daar boven, zeg: de lamp ligt er in stukken,
't Gordijn omlaag gerukt, je pen gebroken,
En heel de kachelplaat met inkt begoten...
(klopt hem op den schouder)
Al veel te lang zat 'k achter de gordijnen
En dichtte op papier bij 't licht der lamp;
Nu is het uit met kamerpoëzie;...
Ik wandel in God's zonneschijn nu liever;...
Mijn lente kwam, met haar mijn zielsvernieuwing;
En voortaan dicht ik enkel nog in daden.
Daarom niet dat mevrouw hier is gediend
Met het verlies... vooral van haar gordijnen.
Zelfs zusterskindren, dochters... zou dan zij
Een zuur gezicht voor zoo'n gering iets zetten!
(boos)
En voor ons beiden zeer comprometteerend!
Doch maak dat met haar uit. Maar 't lampje was
Mijn eigendom, met alles wat er bij hoort...
Je hebt Gods zomer met zijn helder licht,...
Waartoe dient dan een lamp?
Vergeet hoe kort de zomer nog maar is.
Wil ik met Kerstmis gaan voor mijn examen
Dan moet ik waarlijk woekren met mijn tijd.
(met groote oogen)
Mij dunkt toch zoo'n examen is geen grap...
Van 't heden dronken had je geen verlangen,...
Zelfs niet een middelmatig "haud" trok je aan;...
Je ving den mooien vogel van 't geluk;
Je voelde je, alsof daar aan je voeten
Lag uitgespreid der heele wereld rijkdom...
Natuurlijk op cum grano salis...
Dat heb ik vast besloten.
Daarmee zal heel wat tijd verloren worden.
Maar nòg meer vrijen tijd er af te nemen,
Dat moet ik mij toch tot mijn spijt ontzeggen.
De wijde wereld in wou met gezang.
Die veertien dagen kan ik niet meer missen.
Je zei iets, dat beneden in het dal
Ook berglucht woei en dat er vogels kweelden.
Men kan daarvan genieten, ook al zit men
Geregeld te studeeren met zijn boek.
Als Jakobsladder...
Dat zegt men zoo, als men vrij en alleen is...
(ziet hem aan en slaat de handen ineen in stomme verbazing)
(een beetje verlegen en kregel)
Dat ik nu andre plichten heb dan jij;
Ik heb mijn meisje nu. Kijk eens naar de andre
Verloofden, menschen zelfs met lange ervaring,
Op wie je hoop ik toch niets af zult dingen,
Zij zeggen allen, zullen twee te zamen
Door 't leven gaan, dan...
Wie gaf je die?
En dat is toch een man die niet kan liegen.
En juffrouw Ekster, die 's zoo op de hoogte,
Zij zegt...
Die zijn verzonken in een zielerust...
Denk eens, zij weet niets meer van haar verloving,
Heeft glad vergeten wat 't is lief te hebben.
Dan vlucht herinring als een schuwe vogel, (legt de handen op zijn
schouder en kijkt hem spottend aan).
Zeg, jongenlief, jij sliep vast goed van nacht?
En tegelijkertijd zoo vol emoties;
Ik was haast bang dat 'k gek geworden was.
(Onder het voorgaande heeft Strooman zich af en toe vertoond wandelend
op den achtergrond, druk pratend met Anna; mevr. Strooman en de
kinderen achter hen aan. Juffr. Ekster vertoont zich nu ook; gelijk
met haar mevr. Halm met eenige andere dames).
(onzichtbaar)
(tegen Valk)
Och toe, kom mee!
Laat ons eens gauw de oneenigheid beslechten
Die tusschen jou en Anna is ontstaan.
(wijst naar Anna, die verder-weg in den tuin staat)
In haar betraande oogen. 't Is om de plannen
Daarginder in Amerika.
Zij wilde zelf toch...
(spottend)
Neen, vriend, je zult daar anders over denken
Als wij die zaak eens kalmer gaan bezien.
Mijn mooiste en liefste droom!
In onzen hoogbeschaafden tijd aan droomen...?
Kijk, Stuiver droomde nog verleden dat
Er kwam een brief met zulke vreemde hoeken...
(met een knikje)
(De dames maken een kring om Lind heen en gaan al pratend dieper den
tuin met hem in).
Op deze gronden dus, mijn lieve kind,
Op deze gronden, die 't verstand ons aangeeft,
De zedeleer, gedeeltlijk ook de Bijbel,
Ziet u wel in dat zulk een verdeeldheid
Van opvatting, geen reden van bestaan heeft.
(half schreiend)
Voor allerlei verwikling en gevaren;
Maar laat niet twijfel in zijn net u vangen,...
Wees dapper, spiegel u aan mij en Maren!
Dat 'k even zoo bedroefd was, als u nu,
Toen het beroep kwam...
Zij moest verlaten al de stadsgenoegens;
Maar toen wij 't later wel wat ruimer kregen,
En 't eerste tweelingpaar ons was geboren,
Toen ging het over.
(zacht tegen Strooman)
Ga voort zoo!
De mensch moet niet bevreesd zijn. Valk,
Dat zoo'n beroep ook niet is onvoordeelig
Dat zei u toch?
Nu, iets brengt het u stellig toch wel op.
En is dat zoo, waartoe dan nog te vreezen?
Zie eens terug naar lang vervlogen dagen!
Naar Adam, Eva, Noach met zijn dieren...
De lelies in de lucht... op 't veld de vogels...
De vogeltjes... de vogeltjes... de visschen... (vervolgt met gedempte
stem, terwijl hij zich met Anna verwijdert).
(terwijl juffr. Ekster en de tantes met Lind aankomen)
De heele oude garde in 't geweer!
Wij hebben hem!... nu gauw met hem naar haar. (gaat naar Anna toe).
(met afwerende beweging)
Doet maar de Heil'ge Geest Zijn eigen werk
Dan is 't volbracht...! (bescheiden). En heb ik iets gedaan,
Dan kreeg ik kracht...!
Verzoening, hè?
(aangedaan)
Dat niet aangrijpend zoo'n tooneel zou vinden?
Het werkt zoo scherpend, het gemoed zoo prik'lend.
't Is zoo opwekkend zulk een kind te zien,
Onmondig nog, een offer brengend, droef,
Doch willig, op het altaar van den plicht.
Jij, Lind, bezit den sleutel van haar hart;
Maar wij, vriendinnen hebben nog een looper
Die opensluit, waar soms de sleutel faalt;... (drukt hem de hand).
En mocht het noodig zijn in later tijd,
Kom dan tot ons,... vriendinnen blijven wij.
Een oogenblik zoo blij, en zoo weemoedig toch! (wendt zich tot Lind).
Maar jonge vriend, laat nu de zaak dan uit zijn. (leidt Anna naar
hem toe).
Neem haar... je bruid... je bruid... neem haar... en kus haar dan!
(reikt Anna de hand)
(tegelijkertijd)
(verbaasd)
(evenzoo)
(hulpeloos omkijkend naar de omstanders)
(bedrijvig)
Misverstand... dat 's zeker.
Heeft zij beloofd!
(lachend)
achtergrond).
(tegen elkaar)
(tegen Goudstad en Stuiver, die buiten in den tuin gewandeld hebben en nu nader komen)
(tegen juffr. Ekster als zij ziet dat de theetafel gedekt is)
(kortaf)
De vriendschap, thee, de liefde en de tantes!
Nu kan die licht een vroolijk einde nemen.
't Proces berust dus op een paragraaf
Waar 't heet: den man te volgen is de vrouw
Verplicht. Dat 's duidelijk voor iedereen.
Je stelt je reis maar uit, en blijft stil hier.
(blij)
(Zwaanhilde en de dienstmeisjes hebben intusschen de theetafel gedekt
onder aan de verandatrap. Uitgenoodigd door mevr. Halm gaan al de dames
om de tafel zitten. De rest van het gezelschap gaat gedeeltelijk op
de veranda of in het priëel zitten, gedeeltelijk in den tuin. Valk
zit op de veranda. Onder het volgende wordt er thee gedronken).
Als zomerregen, achterna weldadig;
Dan schijnt de zon nog mooier, en belooft ons
Een zomermiddag klaar en wolkeloos.
Die buitjes, groot en klein, die houden 't frisch.
Daarin heeft 't overeenkomst met een visch...
Liefde is een bloem; ontbreekt haar zoele regen,
Zoodat de lieflijke zou gaan verkwijnen... (houdt stil).
(met een galante buiging)
Maar die gelijkenis, al is zij lang
Gebruikt, door dichters eindloos nagepraat,
Is toch nog niet heel duidlijk voor de meesten;
Want bloemen zijn er in zoovele soorten.
Zegt eens, welk bloempje zou de liefde wezen?
Noemt dat wat er het meeste op gelijkt.
Zij geeft aan 't leven toch een rozengloed.
Want als die uitkomt wordt het lente eerst.
Wordt zij vertrapt van mans- of paardevoet,
Ja, maakt nieuw schot als zij is platgetreden,
Dat heeft ons Pietersen zoo mooi beschreven.
Het Pinksterfeest van 's levens jeugd inluidt.
Nog even groen is als in 't hart van Juni.
Geneest, die lijdend zijn aan zwakke longen.
Als brandhout, maar de vrucht is ongenietbaar.
De hoofdtooi uitmaakt van de dames daar.
Wacht eens... was die niet grijs... neen violet;...
Hoe heet die nu...? Laat zien... zij leek veel op die...;
'k Ben zoo vergeetachtig, dat is zoo raar.
Mij doet zij aan een bloempot eerder denken;
In 't eerst is daar maar nauwlijks plaats voor één,
Maar later kan die heel wat spruiten bergen.
(te midden van zijn kindertal)
In 't vroege voorjaar wit van bloesemsneeuw;
Wat later zet de bloesem zich tot vruchten
En worden tot veel groote groene bessen;
Door d' ouden stam gevoed met levenssappen
Worden het eens, zoo God wil, rijpe peren.
Maar allen dwaalt u op verkeerde wegen.
Geen enkel beeld gaat òp; hoor nu naar 't mijne;...
Dat kan u draaien, keeren, naar believen, (staat op in
redenaarspositie).
In 't verre Oosten groeit een kostbaar kruid;
De "Zoon des Hemels" plant het in zijn tuinen...
Als die van Strooman, als...
Heel ver weg, achter dorre zandwoestijnen;...
Schenk mij eens in, Lind! Dank je. 'k Zal nu drinken
Op thee en liefde, en daarover toosten.
(de gasten schuiven nader bij elkaar).
Het stamt oorspronklijk uit het sprookjesland;
Och, daar hoort immers ook de liefde thuis!
Alleen de Zoon der Zon wist, naar men zegt,
De plant te bouwen, kweekend haar met zorg.
En met de liefde is het evenzoo;
Een druppel zonnebloed moet in ons zijn,
Zal liefde wortel schieten in ons binnenst
En groeien, bloeien, blad en bloesems dragen.
Dus moet de thee ook wel al lang bekend zijn...
Als kleine jongen prentjes zat te kijken...
(triomfant)
Uw beeld gaat daar niet op, dat voelt u zelf.
Dat is een leer, die we allen onderschrijven.
In Kaapstad en in Rio en Kamschatka,
Van Napels tot aan 't goede stadje Brevig,
Zal menigeen beweren, liefde is eeuwig;
Nu, dat is mogelijk wat overdreven,...
Maar oud is zij... dat valt niet te ontkennen.
En thee bestaat in soorten, goede en slechte.
(die intusschen van de veranda gekomen is)
Een heimelijk klein hemelsch rijkje in zich.
Daar schieten duizenden van zulke spruitjes,
Omheind door schroom, als door Chineeschen muur.
Maar al de popjes van uw fantazieën,
Die in de schaduwen der kiosken zitten
En smachtend droomen... sluiers om de lenden,
En gouden tulpenbloemen in de handen...
Voor hen plukt u de eerste groene knoppen;
Wat later herfst daar vond, was u om 't even.
Kijk, daarom krijgen wij met stof en steeltjes,...
Een napluk, die er staat als vlas tot zijde,...
Een oogst met moeite van den struik geschraapt...
(knikkend)
(snibbig)
Die maakt ons dwaas... alleen maar in romans.
Van haar pantoffelrijk vindt men soms sporen
Bewimpeld onder echtlijke gordijnen.
In 't kort, gelijknis is er, waar u die
Het minst verwacht. Zoo zegt de oude spreuk
Dat, komt de thee tot ons over de zee,
Dan lijdt zij, en verliest wat van den geur,
Het fijn aroma, dat haar eigen is.
Door de woestijn moest zij en over bergen,...
Moet aan Kozak en Rus den tol betalen;...
Die stemplen haar, dan mag zij verder gaan,
En geldt bij ons dan pas voor echte waar.
Maar gaat het met de liefde ook niet zoo
Door 's levens woestenij? Wat waar 't gevolg,
Wat 's werelds oordeel, als eens u of ik,
Boud onze liefde vrij invoeren wilde!
"O, het moreele aroma ging verloren!
"De geur der wettigheid is glad er af!"
(staat op)
Is zulke waar nog altijd contrabande.
Dan moet zij door der vormen koud Siberië,
Waar frissche zeelucht haar niet schaden kan;...
Moet zij den stempel toonen, zwart op wit,
Van organist en klokkenist en koster,
Familie, vrienden, kennissen, ja, wie niet,
En vele andre braven nog... behalve
Den vrijpas, dien God zelf haar heeft gegeven...
En dan het laatste punt van overeenkomst;
Ziet, hoe beschavingshand zoo loodzwaar drukt
Op 't Zonneland, daarginds, in 't verre Oosten;
Zijn muur vervalt, gebroken is zijn macht,
De laatste echte Mandarijn gehangen.
Profane handen plukken nu den oogst.
Weldra is 't Zonneland nog maar een sage,
Een sprookje waaraan niemand meer gelooft;
De heele wereld wordt één nevelgrauw!...
Ten grave droegen wij het wonderland.
Maar is dat zoo,... waar blijft dan nu de liefde?
Ach, dan is immers zij ook mee verdwenen! (heft zijn theekop op).
Wel, dat verga dan, wat niet kan bestaan:...
Met deze thee drink ik op dooden Amor!
(drinkt; groote ontstemming en beweging in het gezelschap).
In allerlei gestalten om ons heen.
Hier zit de weduwe in haar zwarte kleed...
Nog menig stevig liefdepand kan kweeken.
Verloofde paren in verscheiden soorten.
Al vele jaren lang.
(afbrekend)
De jongste klasse... 't paartje van vandaag...
Die waarheid heeft u hier dus maar te grijpen,
Te hooren en te zien...
Wanneer heb 'k daarvan ooit 't bestaan ontkend?
Maar u moet bij dat alles wel bedenken
Dat rook niet altijd is 't bewijs van vuur.
Ik weet het opperbest, men neemt ten huwlijk,
Maakt zich gezinnen en dat alles meer;
U zal mij zeker nooit hooren ontkennen
Dat de één een ring krijgt, de ander een refuus,
Dat rose briefjes stil worden geschreven
En dicht gemaakt met duifjes... samen kijvend;
Dat er verliefden loopen door de straten
En de visites chocolade krijgen,
Dat het gebruik een formulier uitvond,
Een eigen vormen-codex voor verliefden;...
Maar lieve Heer, wij hebben ook majoors,
Een arsenaal met heel wat materiaal;
Daar vindt men trommels, sporen en rapieren,...
Maar wat bewijst dat dan toch allemaal?
Alleen dat er soldaten zijn en wapens.
Maar wapendragers zijn toch nog geen helden.
Ja zelfs als er een leger stond van tenten,...
Zou daarmee heldenmoed zijn te bewijzen?
't Is niet altijd naar waarheid, als beweerd, wordt,
Dat jonge liefde 't sterkst zou zijn, en zoo...
Ja, zoo alsof die juist de een'ge was.
Op die is niet ten allen tijd te bouwen.
Neen, eerst in 't huwlijk, het intieme leven,
Rust liefde op een rotsgrond, vast en zeker,
Die nooit kan wijken, nooit ons kan ontglippen.
Ik meen dat een verbond van vrije menschen,
Dat jaren duurt, al kan men 't daaglijks breken,
Het best beantwoordt aan der liefde echtheid.
(met gloed)
Is toch in 't wezen rijker, sterker nog.
(peinzend)
Van de anemoon die groeit onder de sneeuw.
(plotseling uitbarstend)
Dat 't Paradijs zocht achter scheidingsmuur.
(gekrenkt tegen Valk, terwijl zij opstaat)
Om twist te stoken waar wij vrede maakten;
Heb voor uw vriend en zijn geluk geen zorgen...
Maar dat zal 'k haar wel dezen herfst nog leeren.
(klopt Anna op het hoofd)
(lacht luid)
Waanzins hansworsterij uit vriendenmond!
Was 't dan verstand dat hij bij haar wou vinden?
Was 't een professor van het keukenboek?
Hij kwam hierheen als lente's blijde bode,
En koos een wilde roos zich uit den hof.
U ging die kweeken; nu kwam hij terug...
Wat vond hij toen? Een bottelstruik!
Maar 'n bottelstruik was niet zijn lentebruid!
Dan was hij hier niet aan een goed adres.
Met huislijkheid, dat hoort er ook zoo bij;
Dat is een uitwas van de groote leugen,
Die hoog zich opwerkt als de wilde hoprank.
Ik neem, mevrouw, mijn hoed af heel eerbiedig,
Voor iedre "balprinses"; zij is de schoonheid,...
En in de balzaal spint er gouden draden
Het ideaal,... in kinderkamers zelden.
(met onderdrukte woede)
'n Geëngageerde is voor zijn vriend verloren;
Dat is de heele kern van de zaak.
'k Heb ondervinding, geloof mij, op dat punt.
(met nadruk)
Te zoeken?
(uitbarstend)
En oorlog wil 'k, en strijd met al mijn krachten
Tegen die leugen, zóó diep ingeworteld,
Die je allen kweekt en teederlijk verzorgt,
Dat hoog zij opschiet en op waarheid lijkt.
Ik wil verzet aanteek'nen...
Die fluistert van der weduwe verlies,...
Van liefde, die in lichte zonnedagen
Aan "klagen" noch "verlangen" ooit deed denken!
Dat noem je dus der liefde fiere stroom,
Loom door der echtelieden ad'ren kruipend!
Van liefde, allen sleur met voeten tredend,
Die dapper op de buitenwallen stond,
En lachte om der werelds wijze dwazen!
Dat noem je dus der liefde schoonheidsvlam,
Die een verloving lange jaren aanhoudt!
Och kom! Is dat dezelfde, die ontstak
Het dichtvuur in den nuchtren ambtenaar?
Dat noem je dus der liefde jong geluk,
Dat bang is zich te wagen over zee,
Dat offers eischt, en liefde's schoonst kleinood
Zich zelf te offren... jammerlijk versmaadt!
O gij, der alledaagschheid waanprofeten,
Noemt ééns de dingen bij hun waren naam;
Noemt wat de weduw voelt een droef verlangen,
Gewoonte 't huwelijk, want zoo heeten zij!
Bespotting klinkt ons toe uit ieder woord! (komt Valk dicht onder
de oogen).
Nu waag ik nog mijn oude huid in strijd
Voor 't oude g'loof tegen de nieuwe leer!
Een echtpaar--als een priester--is gewijd...
(aan den anderen kant van Valk)
Die kunnen al vooruit Victorie zingen!
Hoe ware 't mogelijk.., hoe ware 't doenlijk...
Neen, 't waarheidswoord is machtig, onomstootlijk;...
Hij moet wel doof zijn, die dit niet verstaat.
Kijk,... dit zijn liefdekindren altegaar...! (houdt verward stil).
Dat is te zeggen... neen, natuurlijk niet...!
(waait zich met haar zakdoek)
Zoo waar, zoo goed, en zoo echt nationaal.
U zelf maakt onderscheid tusschen de panden
Van 't huwlijk en der liefde... zooals 't hoort!
't Verschil bestaat als tusschen rauw en gaar,
Als tusschen wilde bloemen en gekweekte.
Bij ons wordt liefde alras een wetenschap,
Al lang is die bij ons geen hartstocht meer.
Bij ons is liefde als een gild apart,
Met vaste wetten en een eigen vlag;
Zij is een stand van minnaars en gehuwden...
Zij doen hun dienst en kunnen dien wel aan;
't Hangt alles aan elkaar als zeewier in een kliek.
Een zangvereeniging is al wat er ontbreekt.
Dat was een goed idee; er zijn al bladen
Voor kindren, dames, g'loovigen en schutters.
Ik hoop dat niemand naar den prijs zal vragen.
Dáár krijgt u dan te zien, als paradeerend,
Hoe Jan en Piet en Klaas in 't huwlijk treden;
Dáár wordt elk rose briefje ingelascht,
Dat Willem aan zijn teedre Laura schreef.
Daar komt dan onder andre ongelukken,...
Als moord, en brand door crinoline-rokken,...
Wie in den loop der week is "aangeteekend";
Daar biedt men in de lijst der advertenties
Gebruikte ringen voor civiele prijzen;
Daar annonceert men tweelingen en drielingen;
Wordt er getrouwd, dan wordt de heele bende
Bijeengetrommeld om te komen kijken;...
Wordt iemand afgewezen, 't wordt gedrukt
In 't blad, zoo tusschen andre nieuwsberichten;
Iets in den trant van 't volgende: "Alweer
Heeft 't liefdeduiveltje geëischt een offer!"
Ja, u zal zien, 't gaat best; want loopt het tegen
Den tijd dat 'k nieuwe abonnees moet werven,
Dan weet ik wel een lokaas dat hen trekken zal,
Dan slacht ik op groot-blads-manier een jonggezel.
Ja, u zal zien hoe 'k dapper strijd voor de eer van 't gild;
Als 'n tijger,... als een redacteur grijp ik mijn prooi..."
(komt naderbij)
Je goeden naam zet je niet zoo op 't spel!
Dat niemand van de liefde leven kan;
Ik zal bewijzen dat 't een leugen is,
Want ik zal er van leven als een prins;
Vooral als juffrouw Ekster mij wil toestaan
Als "feuilleton" te plaatsen den "roman"
Van onzen dominee, den heere Strooman.
(verschrikt)
Wàt, mijn roman? Was ik dan ooit romantisch?
En oud gebruik! Dat is een groote leugen!
Hier staat een vriend die niet zal wijken.
Ik open 't blad met zijn verliefde verzen.
(met een verschrikten blik op den dominee)
Durf jij te zeggen dat ik verzen...!
(in groote woede)
Een trouwen broer, die niet afvallig wordt.
"Een lied der liefde" wacht ik van vriend Lind,
Dier liefde, al te teer voor zee en wind....
Die emigranten prijs geeft voor zijn teederheid,
Zoo toont zijn liefde zich in al haar heerlijkheid!
Wij kunnen niet meer onder één dak wonen...
'k Hoop dat u heden nog mijn huis verlaat...
(met een buiging terwijl mevr. en de gasten naar binnen gaan)
U heeft mij, en mijn vrouw ook, diep gekrenkt...
Ja zelfs mijn kindren, Trientje, Mientje, allen...!
Kraai maar mijnheer,... kraai uit maar je ideeën...
(gaat met vrouw en kinderen naar binnen).
U, met uw liefde, die u heeft verloochend,
Vóór 't haangekraai ten derde maal weerklonk!
(wordt onwel)
Maak mijn corset los... 'k heb het zoo benauwd!
STUIVER (tegen Valk, terwijl hij met juffr. Ekster aan zijn arm
weggaat).
'k Zeg je de vriendschap op!
(ernstig)
(Hij gaat naar binnen; Zwaanhilde is bij de verandatrap blijven staan).
Nu heb ik opgeruimd!
(wijst beleefd naar het huis)
Mama, met al de vrienden, al de tantes.
(komt naderbij)
Met mij zal zich hun kudde niet vermeerdren.
Dan sta ik naast je als je trouwe schildknaap.
Maar was jij zelf dan, Valk, hij, die je nù bent?
Je boodt mij als geluk 't lot van den wilg...
Neen, het is waar, toen was 't maar kinderspel;
Maar jij hebt mij gewekt tot ernstig streven.
In 't woelend leven staat de groote tempel,
Waar klinken zal der waarheid reine stem.
Niet als de oude Asen, uit de hoogte
Toekijkend op het wilde strijdgewoel;...
Maar dragen 't schoonheidsmerk in eigen borst,
Zooals sint Olaf op zijn pantser 't kruis droeg,...
Met wijden blik bet slagveld overzien,
Al zit hij zelf in 't warnet van den strijd...
Een zonnestraal te weten achter nevels,
Dat moet een man als levenstaak aanvaarden!
En eenzaam staat.
Toch is dàt de eisch. O neen, dat is voorbij,
Dat leven, eenzaam dwepend, in mijzelf.
Uit is het met mijn dichten binnenskamers;
Mijn lied zal 'k leven, tusschen hei en dennen,
Mijn strijd zal 'k voeren in het trillend heden;...
Ik of de leugen... één van ons moet wijken!
'k Heb je miskend; je hart is warm en dapper;
Vergeef 't,... en laat ons scheiden zonder boosheid...
Wij scheiden niet. Zwaanhilde, heb je moed?
Dan strijden wij te zamen, zij aan zij!
Geen enklen vriend heb 'k, strijd met iedereen,
Met scherpe speren valt de haat mij aan;...
Zeg heb je moed? Met mij is 't staan of vallen...
Mijn toekomstweg gaat dwars door zede en wet,
Waar duizend kluisters om den voet zich slingren;...
Dáár dek ik als alle anderen mijn tafel,
En schuif den ring aan 't handje van mijn liefste!
(trekt een ring van zijn vinger en houdt dien in de hoogte).
(in ademlooze spanning)
Dat liefde's macht nog altijd eeuwig is,
En ongeschonden en in al haar pracht
Haar draagt door 's levens platte alledaagschheid.
'k Wees gistren naar den vuurgloed van ideeën,
Die uitsloeg wild, hoog op der bergen toppen;...
Toen werd je bang,... je beefde omdat je vrouw bent;
Nu wijs ik op het ware doel der vrouw!
En Zwaanhilds hart volbrengt wat het belooft;
Ziehier nu d'afgrond,... Zwaanhild, waag den sprong!
(bijna onhoorbaar)
(jubelend)
Een lichtstraal die op overwinning wijst!
Nu wordt het lente, en mijn ziel gaat bloeien!
(zij valt hem moedig in de armen terwijl het scherm valt).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF
Derde bedrijf
Avond met helderen maneschijn. Gekleurde lampions aan de boomen. Op
den achtergrond gedekte tafels met wijnflesschen, glazen, gebak
enz. Uit het huis, waar alle ramen verlicht zijn, klinkt gedempt
pianospel en gezang gedurende het volgende tooneel. Zwaanhilde
staat bij de veranda. Valk komt van rechts met eenige boeken en een
schrijfportefeuille onder den arm. Achter hem komt de besteller met
een koffer en een reistasch.
Dat er niets meer is dan een taschje nog,
En 'n zomerjasje.
Als 'k wegga, op mijn arm. Kom nu eens hier;
Hier is de map.
Straks maar verbranden, hoor.
(glimlachend)
Met al de wissels op poëtisch goud.
De boeken,... nou, die kan je zelf wel houden.
Nu, als meneer zijn boeken weg gaat geven,
Dan is hij zeker klaar al met studeeren?
En nog veel meer.
Ga hen nu helpen alles op te laden. (besteller links af).
Eén uur nog Zwaanhild, hebben wij voor ons,
Hier in den zomernacht, bij 't licht der sterren.
Zie, hoe ze glinstren tusschen 't bladgewelf,
Als van den wereldboom de gouden zaden.
Nu maakte ik los den laatsten slavenband,
Nu heeft de geesel mij voor 't laatst geraakt.
Als Jakob's volk sta 'k voor de reis gereed,
Vóór 't Paaschlam, in mijn hand den pelgrimsstaf.
Gij stomp geslacht, dat achter de woestijn
Geen Kanaän, 't beloofde land vermoedt,
Gij tijdslaaf zonder rust, bouw maar uw mummies
Hun koningsgraven in hun pyramiden;...
Ik zoek de vrijheid... dóór de woestenij,...
Mij brengt bij ebtij zelfs, de zee wel verder;
Maar 's vijands bolwerk, opgebouwd uit leugen,
Zal dáár verzinken in haar diepste diep!
(korte pauze; hij ziet haar aan en vat haar hand).
Je bent zoo stil, mijn Zwaanhild!
O, laat mij droomen, stil maar droomen.
Spreek jij voor mij; gedachten bloeien òp
En worden tot gezang... als voor de maan
De blanke waterlelies zich ontsluiten.
Nooit weifelende stem: "ik ben van jou!"
O, zeg het, Zwaanhild, toe!...
(valt hem om den hals)
En ik was eenzaam in mijn eigen ziel;
Een ongenoode gast bij feest en vreugde,
Was 'k niets waard dáár... ja soms ook nog wel minder.
Maar toen kwam jij! Voor de allereerste maal
Vond 'k mijn gedachte in eens andren woord;
Wat vaag ik droomde, wist jij vorm te geven!
Jij jeugdig, krachtvol, tusschen al die ouden!
Half stootte mij soms af je scherp verstand,
Half wist je zonnig wezen me aan te trekken,
Zooals aantrekt de zee het groene strand,
En klippen 't water weer terug doen wijken.
Nú zag 'k tot op den bodem van je ziel,
Nú heb je onverdeeld mij en geheel;
Jij, lieve loofboom, bloeiend aan de branding.
Mijn hart heeft enkel vloed, maar nooit meer ebbe!
In smart en lijden doopte... dat was wijding.
'k Wist zelf niet wat mij drong, eer 'k duurgekocht
In jou den schat zag, dien ik ging verliezen!
Ja, dank zij Hem, die in mijn levensboek
Met droefheidsstempel adelde mijn hartstocht;
Die ons een vrijbrief gaf op onzen tocht,
En ons gebood, als uitverkoren paar,
Door 't donkre woud naar 't lichtend doel te jagen!
(wijst naar het huis)
Daar stralen lichten voor het jonge paar;
Daar klinkt der vrienden zang, met vroolijk lachen.
Wie langs den weg gaat moet wel denken dat
Dáár het geluk is... in dat feestgewoel. (medelijdend).
Jij, 's werelds troetelkindje... arme zuster!
Haar zielegoud met hem en honderd andren,
Haar kapitaal verspreid in zooveel handen,
Dat zij 't geheel van niemand eischen kan?
Geen enkle is haar nu meer àlles schuldig
Voor niemand hoeft zij meer geheel te leven.
O, ik ben tienmaal rijker wel dan zij;
Ik heb van alle menschen er maar één.
Leeg was mijn hart, toen jij met zegevanen,
Met feestgejubel vroolijk binnen trok;
Nu heersch jij daar als heer van mijn gedachten;
Als lentegeuren vul jij heel mijn ziel.
Ja, 'k mag God danken, nu en alle dagen,
Dat 'k eenzaam leefde totdat ik jou vond,...
Dat ik als dood was... toen de klokken luidden
Die riepen mij uit 't donker tot het licht.
Wij zijn de rijken,... wij die buiten staan...
Bezitters van den schat zijn wij, die uitzien
Al reizend, 't land in, in den stillen nacht.
Laat lichten schijnen en laat tonen klinken,
Laat hen daarbinnen dansen en genieten;...
Zie opwaarts, Zwaanhild, in den blauwen nacht,
Daar schittren duizend kleine lichtjes ook...
Gaat door het lindeloof een ruischen zacht...
'k Verliet hem voor der wereld druk gewoel.
Toen wenkte hij mij thuis met zachte hand;
En nu ik kom steekt hij het lamplicht aan,
Bereidt een feest den weergevonden zoon
En schenkt zijn mooiste werk mij nog tot loon.
Van nu af, zweer ik, wil ik trouw hem blijven,...
Hem dienen, dapper strijden voor zijn licht.
Vereenigd wordt ons leven tot een lofzang,
Tot liefdes hooglied, die het al verwint!
Waar hij een man...
Die samen kùnnen toch niet ondergaan!
(wijst Valk den ring dien zij aan haar vinger draagt).
Nu ga ik alles hun vertellen gauw!
(snel)
Van avond plukken we enkel roode rozen
Van zoet geluk... dagwerk waar' heiligschennis.
(De deur van de tuinkamer wordt geopend).
Daar komt je moeder! Schuil weg! Als mijn bruid
Mag niemands oog van avond je bekijken!
(Zij gaan tusschen de boomen door naar het tuinhuis. Mevr. Halm en
Goudstad komen naar buiten op de veranda).
(komt er bij)
Ik weet het wel!
Hij houdt zijn woord; daarvoor ken ik hem wel.
Hij zet ons allemaal in zijn courant,
Mijn meisje's naam gedrukt wel honderdmalen,
En vlak daarnaast bedankjes, tweelingparen.
Ja, weet u, als 't niet was om onze eer
Dan zou ik haast een wapenstilstand voorslaan...
Ik vond aanduidingen, ja zelfs een spoor,
Aanwijzend dat, toen hij zoo'n hoogen toon
Voerde daar straks, hij niet heel nuchter was,
Er is zelfs één bewijs, al is 't niet wettig,
Dat sterk getuigt tegen den man in kwestie.
Ik heb gehoord en weet dat na 't diner
Hij in de kamer, waar hij woont met Lind,
Zich erg heeft aangesteld, onrustig, woest.
Den boel stuk...
naar den achtergrond gaat; Zwaanhilde blijft verborgen staan bij
het tuinhuis).
Stil, wij zijn op 't rechte spoor!
Een oogenblik, mevrouw! Valk gaat niet heen,
Of doet hij 't wel, dan zal het zijn als vriend.
Ik maak de zaak voor allen wel weer goed,
Als 'k hem maar even spreken kan...
(zij gaan samen den tuin in; onder het volgende ziet men hen op en
neer loopen op den achtergrond, in druk gesprek).
te kijken).
Wat is zoo'n dichter toch een man van haat;
Maar ik bureau-mensch ben een man van staat...
En politiek... 'k werk voor mezelf... (ziet den dominee die uit de
tuinkamer komt).
Ha zoo!
Mijn waarde,... och wees zoo goed
En ga, een oogenblikje maar, naar binnen,
En hoû mijn vrouw...
En 't kleine goed zijn altijd bij elkander
En nooit eens... (mevr. en de kinderen vertoonen zich in de deur).
Ja... daar heb je ze allemaal weer!
(zachtjes tegen Stuiver)
Dat ze amuseert,... iets grappigs, een vertelling!
(gaat de veranda op)
Dat is een meesterstuk van mooien stijl... (haalt een boek uit
zijn zak).
Ik zal u eens een staaltje daarvan geven... (noodigt haar beleefd
uit de kamer in te gaan en gaat zelf mee. Valk komt naar voren in
den tuin; hij en Strooman komen tegenover elkaar te staan en kijken
elkaar een poosje zwijgend aan).
Meegaande nu, dan toen wij scheidden?
Ik ga met vasten tred mijn eigen weg...
U denkt misschien nog over de courant
Voor liefdezaken?
Met daden, niet met letters, breek ik 't ijs.
Van wien ik niet zoo licht meer vrij kom nu;
Hij, Stuiver, zal zijn overmacht gebruiken...
En dat is dan uw schuld, en dat is slecht.
U rakelde òp die oude dweperijen,
En dat hij niet zal zwijgen, durf ik zweren,
Als tegen de eischen van het brullend koor
Ik maar een enkel woord in 't midden breng.
De ambtnaarswereld is een groote macht
In onze pers, juist thans, is mij gezegd.
Het prulligste berichtje kan mij neerslaan,
Zoo het gedrukt wordt in het groote blad,
Dat met Simson's geweld en wraak te keer gaat,
Met voeten trappend, om zich heenslaand woest...
En dat nogal als juist 't kwartaal weer om is!...
(tegemoetkomend)
(angstig)
Let op: daar val ik op 't altaar der wrake...
(luimig)
Daar gaat een Nemesis om door het leven,
Die zeker treft, al treft zij dikwijls laat,...
Die te ontloopen is geen mensch gegeven.
Heeft iemand zich aan de idee bezondigd,
Dan komt de pers, haar altijd waaksche wacht,
En doet den schuldige zijn misdaad boeten.
Met de "idee" waarover u 't zoo druk heeft!
Ik ben toch huisvader en echtgenoot,...
Bedenk dat 'k twalef kinderen bezit:
Mijn dagwerk houdt mij dag aan dag gebonden,
'k Heb een gemeente en een groote hoeve,
Met kudden, vee, en geestelijke lamren,...
Kijk, dat moet alles goed beredderd worden,
Met scheren, dorschen, en het land bemesten;
Dan word ik hièr, dan in den stal geroepen;...
Waar vind ik tijd om voor idees te leven?
Berg u in 't warme huis nog vóór den winter.
In 't jonge Noorwegen begint 't te dagen;
Het koene leger telt wel duizend strijders,
En d' ochtendbries doet 't wapperend dundoek zwellen.
Met al de mijnen, ja met alles wat
Tot gistren nog mijn koninkrijkje was,...
Is er van daag niet veel voor mij veranderd?
Denkt u dat 'k nog zoo rijk ben als toen 'k hier kwam...?
(als Valk wil antwoorden).
Er was een tijd dat 'k jong was, net als u,
En ook niet minder onbevreesd en dapper,
Toen kwam de strijd om 't brood... de tijd verliep;
Zoo iets staalt niet den geest, maar wel de handen.
'k Trok noordwaarts; vond mijn thuis in het gebergte...
Voor mij lag heel de wereld in mijn kerspel.
Mijn thuis... mijnheer! Weet u wel wat een thuis is?
(kortaf)
Een thuis is dáár, waar rijklijk plaats voor vijf is,
Ofschoon een vijand 't acht te klein voor twee.
Een thuis is dáár, waar je gedachtenleven
Vrij spelen kan, als 't kind op vaders schoot.
Waar niet je stem vergeefs klopt aan de harten,
Maar antwoord krijgt met welbekend geluid.
Een thuis is dáár, waar rustig 't haar kan grijzen
En niemand merkt toch dat je ouder wordt,
Waar teere erinnering blauwend je omschemert,
Als heuveltoppen verweg achter 't woud.
(met gedwongen spot)
Zoo ongelijk schiep ons de lieve Heer.
Bij mij ontbreekt, wat u rijk werd geschonken,
Maar ik won toch, waar u verloren heeft.
Van uit de wolken, lijkt wel eens een waarheid
Verdichtsel maar, op platgetreden grond;
U wil de hoogte op, ik hooger niet dan 't dak,...
Een arend werd de een...
Ik ben een kloekhen;... goed; onder mijn vleugels
Heb ik een kiekenschaar, die heeft u niet!
En voor mijn broedsel heb ik hart en moed,
En ik verweer mij als men het te na komt.
O, ik begrijp 't heel goed, u vindt mij dom,
Ja, mooglijk velt u wel een harder oordeel
En houdt u mij voor tuk op wereldsch goed;...
Daarover zij geen twist meer tusschen ons!
(grijpt Valk's arm en gaat voort met gedempte stem maar met steeds
meer kracht).
Ja 'k ben begeerig, dom en stomp geworden:
Maar gierig werd 'k voor hen die God mij gaf,
En ik werd dom in harden strijd met zorgen,
En ik verstompte in berglands eenzaamheid.
Doch telkens, als een idealen-boot
Ten onder ging in d' eindelooze branding,
Verrees een andre zichtbaar aan de kim,
Die naar de kust nieuw levensloon mij voerde.
Voor iedren droom, die onder ging in zwoegen,
Voor iedre slagpen, die in 't stijgen brak,
Kreeg ik als Godsgeschenk een levend wonder,
Dat ik van Hem ontving met lof en dank.
Ik streed voor hén, voor hén was 't dat ik schraapte,
Voor hén verklaarde ik zelfs de Heil'ge Schrift;...
Het was mijn bloementuin, dat kindertroepje...
Nu heeft u met uw spot daarop getrapt!
Aesthetisch-litterarisch is bewezen
Door u, dat mijn geluk is domme waan,
Dat wat mij heil'ge ernst was, is belachlijk...
Nu eisch ik, geef mij mijne rust terug,
Maar laat die gaaf en zonder barsten zijn...
Den twijfel, u alléén kan dien verwijdren.
Haal neer den muur, die mij scheidt van de mijnen,
Hef op den ban, die mij gevangen houdt.
't Gebarsten vaatwerk van uw heil kan kitten?
Met woorden, ook door 't woord is op te richten;...
En dat u klinken kan den lossen schakel;...
Denk nog eens na... spreek uit de waarheid dan,
En geef mij rust... dat 'k weer de vlag kan hijschen...
(trotsch)
(ziet hem strak aan)
Van iemand, speurend op der waarheid spoor: (met opgeheven vinger).
Daar gaat een Nemesis òm door het leven;
Die te ontloopen is geen mensch gegeven! (hij gaat naar het huis).
STUIVER (komt naar buiten met zijn bril op en met het open boek in
de hand).
O dominee, kom gauw, de kinders huilen
Om u...
(in de deur)
(Strooman gaat het huis binnen).
(stopt boek en bril in zijn zak en nadert Valk).
Je ziet toch stellig in dat 't niet kan aangaan
Gebruik te maken van confidentieele
Verhalen;... die mag men niet vertellen.
(volijverig)
Je kunt begrijpen hoe dat moet vermindren
Al mijn vooruitzicht, als mijn chef eens wist
Dat er een pegasusje somtijds hinnikt
In d' arbeidsuren van zúlk een bureau.
Je weet wel dat men liefst in alle zaken
Van het bureau, geen dichters heeft aan 't werk,
Maar 't ergst zou zijn, kwam het toevallig uit
Dat 'k overtreden had het hoogst gebod,
En dingen van gewicht had meegedeeld.
(geheimzinnig)
Om zijn ontslag onmidlijk aan te vragen.
Dat 's een verordning voor ons ambtenaren,
Dat we overal, zelfs thuis, 't geheim bewaren,
"Den... "klerk" die dorscht aldus den mond te snoeren."
(haalt de schouders op)
En buitendien, nu traktementsherziening
Eerstdaags wellicht ter sprake komen zal,
Is 't niet verstandig om zich te verdiepen
In ambtnaarskwesties van zoo teeren aard.
En daarom, zie je, wees zoo goed te zwijgen;...
Want als ik eens verloor...
Het protocol is eigenlijk de doekspeld,
Die 't boezemdoekje sluit van het bureau;
Daarachter snuffelen geeft niets dan last.
Een wenk te geven dat je verzen schreef.
Die dominee, die nu toch voorspoed heeft,
En geld genoeg voor 'n leven zonder zorg?
Maar als dan hij al wegzonk in verwording,
Wat moet er van ons klerken dan wel worden?
Van mij,... ik die nog nooit bevorderd ben,
Een meisje heb en weldra zal gaan trouwen,
Natuurlijk gauw voor een gezin moet zorgen,
Etcetera! (heftiger). O, was 'k gefortuneerd,
Ik gorde mij het pantser om de leden,
Sloeg op de tafel dat de wereld dreunde.
En was 'k alléén, een jonggezel als jij,
Dan zou 'k, geloof mij, door de prozasneeuw
Wel baan ook breken voor de hooge idee!
Veracht der wereld domme uilenoordeel;
De vrijheid maakt zelfs rupsen tot kapellen!
(een stap terug)
De paarl is weg; wat moet de leege schelp?
Ik ben geen jong student, maar ambtenaar!
Ik tel nu niet wat Christiaan de Vijfde
In zijn tijd over trouwbeloften voorschreef,...
Want die bepalingen zijn niet genoemd in
De "Strafwetboeken" van 't jaar twee-en-veertig;
In zoover waar' de zaak niet crimineel,
Het zou geen inbreuk-maken op de wet zijn...
(met vastheid)
Er kan geen sprake zijn van zoo'n exceptie.
Zij stelt geen hooge eischen aan het leven,
Ik evenmin, en 'k heb al lang gemerkt
Dat voor 't bureau en 'n thuis ik ben gemaakt.
Laat andren trekken met de wilde zwanen,
Ook 't stille, kleine leven kan wel mooi zijn!
Wat zegt ook ergens weer geheimraad Göthe
Van 's hemels melkweg, schitterend en wit?
Dat toch geen mensch daar room van af kan scheppen,
En nog veel minder boter er van maakt...
Laat 't daagsch gedoe dan wijden door den geest;...
Een man moet wezen burger van zijn tijd,
Maar aadlen ook zijn burgerlijken werkkring.
Ja zeker is in 't kleine ook veel moois;
Maar 't is de kunst 't te zien en te verstaan.
Niet ieder die de klei wenscht te hanteeren
Is daarom nog de pottebakker-kunstnaar.
Je weg versperren ligt niet in ons plan.
Wij gaan den grooten weg, jij zweeft in hoogten,
Ja, dáárin hebben wij ook eens gezweefd;
Maar arbeid eischt de dag en geen gezang,...
Dat leert men àf, zoo zoetjes aan in 't leven.
Het jonglingsleven, kijk, is een proces
En 't dwaaste wel van alle proceduren;...
Maak een accoord, en kom niet in verzet,
Want je verliest je zaak voor alle rechters.
(moedig en hoopvol terwijl hij een blik slaat op het tuinhuis)
Toch weet ik, zou genâ voor recht mij gelden!...
Ik weet, twee kùnnen wel het leven leven.
In vrij geloof, blij in het hoogste streven;
Maar jij verkondigt luid de droeve leer:
Het ideaal, dat 's erg secondair!
Net als de bloem..., zoodra de vrucht zich zet.
(Binnen aan de piano speelt en zingt juffr. Ekster: "Ach, du lieber
Augustin". Stuiver blijft staan en luistert in stille ontroering).
Zij roept mij met hetzelfde oude lied,
Dat tot mij sprak, toen ik voor 't eerst haar zag.
(legt zijn hand op Valks arm en kijkt hem in de oogen).
Klinkt uit haar spel, vol smachtend, teeder beven,
Met nieuwe kracht haar eerste ja mij toe.
En als ten slotte onze liefde uitdooft
En sterft, om op te staan als teedre vriendschap,
Zal 't oude lied verbinden 't dan en toen.
En kromt mijn rug zich dan bij 't altijd schrijven,
En wordt mijn dagtaak enkel strijd met zorgen,
Toch zal ik huiswaarts keeren welgemoed,
Waar wat voorbij is in muziek herleeft.
Vind 'k daar een rustig uurtje met ons beiden
Dan ben 'k met al het andere tevreden!
(Hij gaat het huis binnen. Valk gaat naar het tuinhuis. Zwaanhilde
komt te voorschijn; zij is bleek en ontroerd. Zij kijken elkaar een
poos zwijgend aan en vallen dan elkaar hartstochtelijk in de armen).
Jij frissche, vrije bloem op kerkhofzoden,...
Dàt noemen zij nu liefde's lenteleven!
Een lijklucht waart om bruidegom en bruid;
Naar lijken riekt het, waar twee samen gaan
In 't straatgewoel, een glimlach op de lippen,
Der leugen klamme kalkgraf in hun hart,
En d'onmacht van den dood in al hun streven.
Dàt noemen zij dan leven! Groote goden!
Is zulk een lot dan waard al die ellende?
Is 't troepen kindren op te kweeken waard?
Te voeden hen met braafheid en met plicht?
En hen doen hopen op een korten zomer?
Opdat de slachtbank toch maar wel voorzien blijv'!
Is overal de wereld niet dezelfde?
En vindt je niet aan ieders muur gehangen,
In waarheids glas-en-lijst, dezelfde leugen?
Neen, laat ons blijven, 't mooie spel genietend,
Tragi-comedie, harlekijnsvertooning,...
Een volk dat g'looft... wat alle menschen liegen!
Zie Strooman en zijn vrouw, en Lind en Stuiver,
Vertoonend ware liefde's maskerade,
Geloovig sprekend en in 't hart de leugen,...
Toch, in den grond zijn 't waarlijk brave menschen!
Zij liegen voor zichzelf en voor elkander;
Maar aan die leugen zelf mag niemand raken;...
En ieder vindt, al slingert soms zijn boot,
Zich rijk als Croesus, zalig als een God;
Zelf stuurden zij uit 't Paradijs stroomàf,
En bons! zaten zij vast op 't hellezand;
Maar niemand van hen merkt waar zij nu zitten,
En ieder denkt in 't Paradijs te toeven,
En ieder glimlacht roerend ach en och;
En komt dan Belzebub met bokkepoot,
Gehoornd en brullend, spottend, schimpend, scheldend,...
Dan stooten zij elkander zachtjes aan:
Dat 's Onze Lieve Heer; neem gauw je hoed af!
(na een oogenblik nadenkend zwijgen)
Den weg gewezen naar mijn lenteweelde,
Het leven dat ik droomend voor mij zag
Zal ik van heden af mijn dagtaak noemen.
O, goede God! hoe tastte ik in den blinde,...
Toen bracht Gij licht,... toen liet Gij hèm mij vinden!
(ziet Valk met stille teedere bewondering aan)
Die pal staat in den storm, die alles neervelt,
En eenzaam staat, doch mij beschutten wil?...
(kijkt schuw naar het huis)
Elk sprak uit naam van ééne helft der wereld.
Eén vroeg of jonge liefde groeien kon
Wanneer de ziel gebukt ging onder weelde?
De ander vroeg: en hoe kan liefde leven
Als niets dan armoede haar staat te wachten?
't Is vreeselijk... om zulk een leer te preeken
Als waarheidswoord, en toch maar voort te leven!
Wat kan iets uiterlijks daar dan toe doen?
Ik heb je 't al gezegd: zoo je wilt strijden,
Dan zal ik met je staan of met je vallen.
O, niets zoo licht als 't bijbelsche gebod
Om alles te verlaten, hèm te volgen,
Den liefste, en met hem te gaan tot God.
(omarmt haar)
Wij staan in 't onweer; niemand kan ons vellen!
(Mevr. Halm en Goudstad komen van rechts op den achtergrond. Valk en
Zwaanhilde blijven in het tuinhuis staan).
(gedempt)
(verrast)
Dat hij zoo stil iets voerde in zijn schild.
(in zich zelf)
Maar neen, dat g'loof ik niet...
(reikt hem de hand)
(ernstig)
(kijkt om terwijl zij heengaat)
(nadert Valk)
Dan ga ik weg.
(wil zich verwijderen)
Want tusschen ons moet alles helder zijn;...
Wij drieën moeten ronduit samen spreken.
(verrast)
(onderdrukt een glimlach)
Een half jaar nu dat ik u heb gekend;
Wij keven...
Wij gaven elkaar vaak de volle laag;
U stond als hoofdman van een hooge zaak,
Ik was zoo maar een alledaagsche slover,
En toch was 't als een band, die ons verbond
In duizend lang vergeten oude dingen
Van uit mijn eigen jeugd-gedachtenleven,
Die door uw woorden werden opgewekt.
Ja, ja. U kijkt mij aan; mijn grijzend haar
Was ook eens golvend, zwaar en bruin eertijds,
Mijn voorhoofd, dat door dagelijkschen arbeid
Niet glad meer is, droeg ook niet altijd rimpels.
Maar daarvan nu genoeg! 'k Ben zakenman...
(met lichten spot)
(treedt tusschen hen beiden).
Kijk, daarom, Valk en Zwaanhild, sta ik hier.
Wij moeten spreken, want nabij is 't uur,
(gespannen)
(glimlachend)
Op een gedicht...
(knikt langzaam)
(ziet Zwaanhilde even aan en keert zich weer tot Valk).
Geen andre vrouw verzocht ik ooit zoo iets;
Jou, Zwaanhild, heb ik grondig leeren kennen;
Voor preutschheid is je mooie ziel te hoog.
Ik zag je als kind, ontluiken als een bloem,
En al wat 'k in een vrouw waardeer, bezat je;...
Maar lang beschouwde ik je enkel als een dochter;...
Nu vraag ik... of je worden wilt mijn bruid?
(Zwaanhilde wijkt schuw terug).
(vat hem bij den arm)
Vraag u 't haar ook,... dan heeft zij vrije keus.
(kijkt hem strak aan)
Te bewaren... het mijne niet alleen.
Speel geen comedie, dat geeft je toch niets;
Want ben ik maar een alledaagsche werker
Zoo kreeg ik toch een soort van helderziendheid.
Ja, Valk, je hebt haar lief. 'k Zag zonder nijd
Die jonge liefde groeien tot een bloem;
Maar juist die overmoedig sterke liefde,
Die is het die Zwaanhilds geluk kan knakken.
(stuift op)
(kalm)
Als jij haar nu eens kreeg...
(uitdagend)
(langzaam en met nadruk)
Dat zij op dezen grond nu alles bouwde,
En alles waagde op deze ééne kaart,...
En 's levens storm wegspoelde dezen grond,
En 't bloempje kwijnde in het winterduister?
(vergeet zich en roept uit)
(kijkt hem beteekenisvol aan)
Toen 'k jong was, zooals jij. In vroeger dagen
Had 'k iemand lief;... gescheiden werden wij.
Ik zag haar gistren weer;... niets is meer over.
(glimlacht ernstig)
Om haar heb 'k vele jaren lang getreurd,
En al dien tijd stond zij in mijn herinring
Zooals zij was, het mooie, jonge meisje,
Toen 'k haar ontmoette voor het allereerst.
Nu gloei je beiden ook in blinden gloed,
Nu zet je ook je leven op het spel,...
Kijk, daarom roep ik je nu toe: voorzichtig!
Wacht even en denkt na; 't spel is gevaarlijk!
Mijn vast geloof gezegd, dat kan niet wijken.
(aanvullend)
Gewoonte, ouderdom en nood en zorgen.
Nu, 't mag zoo zijn; 't kan waar zijn; maar bekijk
De zaak nu ook eens van den andren kant.
Wat liefde is, weet niemand te verklaren;
Waarin dat blijde g'loof nu juist bestaat,
Dat twee tot zalig één-zijn zijn gemaakt...
Kijk, daarop antwoordt je geen mensch ter wereld.
Maar 't huwelijk is uit zijn aard iets praktisch,
En evenzoo 't engagement, mijn vriend;
En 't laat zich feitelijk heel goed bewijzen
Dat iemand is geschikt voor die en die.
Maar liefde doet haar keus juist in den blinde,
Die kiest zich niet een huisvrouw, maar een meisje;
En als nu eens dat meisje niet geschikt is
Tot vrouw voor je...?
(gespannen)
(haalt de schouders op)
Een goed engagement hangt niet van liefde
Alleen maar af; daar komt nog heel wat bij,
Familieleden, die men lief heeft ook,
En die men gaarne ook tevreden zien wil.
En 't huwlijk dan? Ja, dat is als een zee
Van vordringen en eischen, die helaas,
Met liefde weinig meer te maken hebben.
Hier eischt men huislijkheid en stille deugden,
Hier eischt men keukenkennis en nog meer,
Bescheidenheid, een juist gevoel van plicht,...
En veel nog, dat in 't bijzijn van de dame
Tot nadere bespreking 'k niet geschikt acht.
Doe wat ervaring op; kijk rond in 't leven,
Waar elk jong paartje heeft den mond zoo vol
Alsof het millioenen had gekregen.
Dan wordt er haastig maar op los getrouwd;
Een nest gebouwd... nu kan 't geluk niet òp;
Zoo gaat 't een tijdlang voort als in een roes;
Maar dan komt de vervaldag;... hemel ja!
Dan blijkt het heele huis een groot failliet!
Failliet de rozen wangen van de vrouw,
Failliet de bloesems van haar meisjesdroomen,
Failliet de blijde overmoed van hèm,
Failliet is alle gloed van vroeger dagen;
Failliet, failliet het heele mooie nestje;
Toch gingen deze twee het leven in
Als liefdeshandelshuis der eerste klasse!
(hartstochtelijk)
(onverstoorbaar)
Was het toch waarheid, 't Was je eigen woord,
Toen je hier stond, en 't heele theegezelschap
Versloeg. Toen klonk het ook: dat is gelogen!
Van allen daar; nu, kwalijk neem ik 't niet;
Wij vinden 't allen minder aangenaam
Van dood te hooren spreken als wij ziek zijn.
Zie Strooman, hij, die componeerde, dichtte,
In zijn verliefden tijd, met geest en smaak;...
Wien kan 't verbazen dat de man zoo zakte
Toen zij in 't huwlijk traden met zoo'n haast?
Geschapen was zij voor hem als geliefde,...
Maar ongeschikt was ze om zijn vrouw te zijn.
En dan de klerk, die goede verzen schreef?
Nauw was hij, bij de gratie, geëngageerd,
Of uit was 't met de heele rijmlarij;
En sedert ligt 's mans Muze plat ter neer
Door de juristerij in slaap gewiegd.
Zoo zie je duidlijk... (ziet Zwaanhilde aan).
Heb je 't koud?
(zachtjes)
(dwingt zich tot een spottenden toon)
Nooit met een "plus",... waarom wil u dan steken
Het kapitaal dat u beheert, in zulk
Een twijfelachtig zeekre loterij?
Het lijkt haast of u 't er voor houdt dat u
Speciaal voor een bankroet geschapen is?
(kijkt hem aan, glimlachend en schudt het hoofd).
Op twee manieren kan men 't nestje bouwen;
't Kan op krediet van mooie illusies steunen,
Met wissels op een eindloos toekomstheil,
En op een eeuwigheid van jeugd en leven,
En op onmooglijkheid van jicht en snuif...
Het kan ook steunen op twee rozenwangen,
Op heldre oogen en op mooi lang haar,
Op 't vaste g'loof dat alles zoo zal blijven
En 't pruikenuurtje voor ons nooit zal slaan.
En 't kan ook steunen op gedweep en droomen,
Op bloemenweelde in dorre woestenij,
Op harten die heel 't leven blijven kloppen
Als toen zij beiden spraken 't eerste ja.
Hoe noemt men zaken doen als die?... Je weet het;...
Dat noemt men humbug... humbug, lieve vrienden!
U man van goud... misschien wel millionnair;
Terwijl wat ik bezit in deze wereld,
Straks door twee sjouwers weggedragen is.
(scherp)
Want een soliede grondslag, kan 'k zoo denken,
Beteekent geld,... het toovermiddel geld,
Dat 't hoofd van meen'ge weduwe op leeftijd
Met tooi van gouden glorieglans omstraalt.
Dat is een stille, warme hartestroom
Van achting, vriendschap, die een hart tot eer
Strekt, evengoed als hartstochts jubelroes.
't Is een gevoel van graag volbrachte plichten,
Van teedre zorg, en van een vredig thuis,
Van zelfverloochning voor elkanders heil,
Van waken dat geen enkle steen zal kwetsen
Der uitverkoorne voet, waar zij ook gaat.
Het is een zachte hand die heelt de wonden,
't Is mannekracht, die stil gewillig draagt
Het evenwicht, niet door den tijd verstoorbaar,
't Is de arm, een trouwe steun, die opheft zacht...
Dat is wat ik je bieden kan, Zwaanhilde,
Voor je geluksgebouw; antwoord mij nu.
(Zwaanhilde doet hevige moeite om te spreken. Goudstad heft de hand
afwerend op).
Bedenk je wel, opdat 't je niet berouwe!
Kies tusschen ons nu, vrij en welbewust.
Dat heb 'k gelezen in je oogen diep.
Kom, zeg het haar nu ook, dat zij beslisse! (drukt hem de hand).
Nu ga 'k naar binnen. Laat het spel nu uit zijn.
En durf je mij beloven op je woord
Te zijn voor haar ook zulk een vriend voor 't leven,
Als ik het wezen kan,... (tot Zwaanhilde gewend).
Nu goed, dan haal je
Een dikke streep door dat wat ik je bood.
Dan overwin ik toch, in alle stilte;
Als jij 't geluk maar vindt; dàt is wat 'k wilde, (tegen Valk).
En, 't is waar ook,... je sprak daar straks van geld;
Geloof mij, dat 's toch meer dan klatergoud.
Ik sta alleen, heb niemand in de wereld;
Al wat het mijne is zal 't jouwe wezen;
Ik neem als zoon je aan en haar als dochter.
Je weet, dicht bij de grens heb ik een landgoed;
Daar ga ik heen. Jij richt je elders in,
En is het jaar om, zien wij elkaar weder...
Nu ken je mij; pleeg met je zelf nu raad,
Vergeet niet dat de reis stroomafwaarts gaat,
En dat geen spel is... geen genieten, zwelgen;...
En nu, in 's hemels naam,... nu moet je kiezen!
(Hij gaat het huis in. Pauze. Valk en Zwaanhilde kijken elkander
schuw aan).
(in zichzelf)
Wat waren wij toch rijk, rijk in elkander,
Toen heel de wereld ons verlaten had,
Toen we in ons denken stegen, als de golven
Der branding op het strand, in stillen nacht.
Toen was er moed en kracht in onze zielen,
En zagen we ons voor eeuwig al vereend;...
Hij kwam met wereldsch goed, nam ons 't geloof,
En zaaide twijfel,... toen moest alles vallen!
(woest energisch)
Is alles waar voor andren, niet voor ons!
(schudt stil het hoofd)
Kan nooit meer golven in den zomerwind.
(angstig hartstochtelijk)
Wanneer je leugens zaait, dan oogst je tranen.
Voor andren, zei je? En denk je dan niet
Dat iedereen eens dacht als jij en ik,
Dat hij de held was die den bliksem tartte,
Dat hem geen storm ter neer zon kunnen slaan,
En hem geen neev'len ver weg aan de kimmen,
Ooit worden zouden tot een onweerswolk.
Ik wil alléén je liefde, enkel die maar.
Die andren schreeuwen ieder om het hardst...
Ik zal je steunen stil op sterke armen.
Die liefde, waar dan alles op moet rusten,...
Bezit jij dan, wat tòch 't geluk verzekert?
Dat die nooit als verwelkte bloem zal hangen,
Maar geuren als van daag, en blijven bloeien
Je heele leven?
(na een oogenblik)
(smartelijk)
Wat wil dat zeggen, "lang", waar 't liefde geldt?
Dat is haar vonnis, honigdauw op 't graan.
"Oneindig is de liefde in haar duur"...
Dàt lied is onzin dus, in plaats daarvan
Moet 't heeten: "Eertijds had ik je eens lief"!
(als door een machtige ingeving opgeheven).
Niet kwijnend achter avondwolken sterven;...
Neen, ònze zon zal in haar vollen glans
Uitdooven op den middag, als een wonder!
(verschrikt)
En na die lente kome er nooit een herfst,
Dat nooit de zanger zwijge in je ziel,
Niet hunkrend smacht, naar waar hij werd geboren.
Na die zal niet de lijkwâ van den winter
Eens onze doode droomen dekken, kil:...
En onze mooie, levensblije liefde
Zal niet verkwijnen, niet allengs verzwakken,
Zal sterven als zij leefde, jong en sterk!
(in diepe smart)
Jouw vrouw te zijn, dat was mij niet gegeven,
Dat zie ik wel, dat voel en weet ik nu!
De liefde als spel zou 'k wel in vreugde wagen,
Door 's levens ernst durf ik je ziel niet dragen.
(dichterbij en met stijgenden gloed).
Nu geen gedommel, niet slap nederliggen!
Laat nu je geest opbruisend in gezang
Door 't wereldruim met jonge goden vliegen!
En kenterde dan onze toekomstboot,...
Eén plank bleef boven water,... ik weet raad;
Den koenen zwemmer wenken lichte kusten!
Dat dan 't geluk verzinke in 't kille graf;
Doch onze liefde zal, God zij geprezen,
Toch ongedeerd die verre kust bereiken!
Juist nu ons open staat de mooie wereld,...
Hier, onder blauwen hemel, lenteluw,
Denzelfden dag dat ons verbond gedoopt werd!
Kan 't bergaf gaan alleen, niet meer bergop!
En wee, als eens de dag des oordeels komt
En wij voor onzen hoogsten rechter staan,
En als, rechtvaardig God, hij van ons eischt
Den schat dien hij ons leende voor het leven...
Sloot dan niet 't antwoord zijn genade uit:
"Dien hebben wij op weg naar 't graf verloren!"
(met een krachtig besluit)
(vurig)
Alleen op dezen weg kan ik je volgen!
Zooals het graf voert naar het eeuwig leven,
Wordt liefde ook ten leven eerst gewijd
Als zij verlost van hartstochts wild begeeren,
Bevrijd, als zielsherinring ons omzweeft!
Gooi weg den ring, Zwaanhild!
(juichend)
Ik heb je ziel gevuld met zang en licht!
Vlieg uit! Nu heb je krachtig je opgeheven,...
En Zwaanhild heeft haar zwanenzang gezongen!
(zij trekt den ring van haar vinger en drukt er een kus op).
Duik neer, mijn droom, in diepe, zilte zee,
Tot 's werelds eind,... hier breng 'k mijn offer dan!
(gaat naar den achtergrond, gooit den ring in de fjord en komt bij
Valk terug met een stralend gezicht).
Nu heb ik je verloren voor dit leven,...
Maar voor de eeuwigheid heb 'k je gewonnen!
(met kracht)
Op aarde moeten wij gescheiden gaan.
Elk ga zijn weg, elk strijde zonder klagen.
Ook ons beving de tijdkoorts, zonder strijd
Begeerden wij der overwinning loon,
De sabbathrust, maar zonder arbeidsdagen,
Hoewel de eisch luidt; strijden en ontberen.
Ons dreigt geen dwaallicht uit den poel van straf;
D'erinring, die ons erfdeel is voor 't leven,
Zal stralen licht, uit donker wolkgordijn,
Staan als de regenboog in zeven kleuren,
Als teeken des verbonds van ons met God.
En in háár schijnsel neem jij òp je plichten...
In schoollokaal, of parlement of kerk,
Een elk, in hoogen of geringen stand,
Die bij zijn werk het ideaal in 't oog houdt.
Ja, bergop ga 'k; 't gevleugeld ros staat klaar;
Ik weet, voor 't leven is gewijd mijn taak!
En nu, vaarwel!
(omarmt haar)
Nu kan ik je verliezen voor dit leven!
De lichtgedachte leeft; want die is God,
(gaat naar den achtergrond)
(zwaait zijn hoed)
Gods mooie liefde leve op aard', hoera!
(De deur wordt geopend. Valk gaat naar rechts; de jongere gasten
komen naar buiten onder vroolijk lachen).
(Stuiver komt gearmd met Strooman. Mevr. Strooman en de kinderen
achter hen aan).
(snel)
(Mevr. Halm, Lind, Anna, Goudstad en juffr. Ekster en de overige gasten
komen naar buiten. Aller oogen zoeken Valk en Zwaanhilde. Algemeene
verbazing als men hen ieder apart ziet).
(tusschen de tantes, slaat de handen in elkaar)
(die niets gemerkt heeft)
(Hij met verscheidene andere gasten, gaat naar Valk toe, maar treedt
onwillekeurig een stap achteruit als hij hem aanziet en roept uit).
Wat is met jou gebeurd? Je hebt als Janus
Twee aangezichten!
(met een glimlach)
De aarde is vlak, messieurs;... mijn oog bedroog mij;
Vlak als een pannekoek;... is 't zoo dan beter? (gaat snel rechts af).
toe).
(tegen haar man)
tuin in).
(als versteend)
sprakeloos aan).
(tegen Lind)
(omarmt haar)
(kijkt achterom naar Zwaanhilde)
Maar wat nog leeft zal ik trachten te heelen.
(krijgt de spraak terug en omhelst Stuiver)
Dat je verloofd bent met je lieve Ekster!
Met vreugde je geslacht vermeerdren zien!
(wrijft zich vergenoegd de handen en kijkt uit naar Valk)
Dat 's net goed voor zoo'n ongeluksprofeet! (zij gaan samen pratende
voort, terwijl mevr. Halm naar Zwaanhilde toekomt).
(gedempt en dringend)
Wijs hem
Niet af... hij 's rijk... en heb je geen bezwaar...
'k Wil weg van hier...
(met stillen lach)
(Zij gaat naar de veranda; mevr. Halm zoekt Goudstad op).
(onder de gasten)
Of twijfel ons ook ernstig komt belagen,
't Goed recht der waarheid overwint de slang,
En liefde triomfeert.
(alle paren omarmen en kussen elkander. Links hoort men lachen
en zingen).
Dat naar de bergen gaat... en ik heb glad
Vergeten af te zeggen...
(De studenten komen van links op en blijven aan den ingang staan).
(tegen Lind)
Hij is geëngageerd...
Dat hij nu niets te doen heeft in de bergen.
(tegen de kameraden)
Wat doen wij nu? Onze tenor ontbreekt.
VALK (die van rechts komt in een zomerpakje met studentenpet, randsel
en stok).
Die stem zing ik in 't jonge Noorsche koor!
Zooals de bij vliegt uit haar winterkorf!
Ik draag een snarenspel in mijne borst,
Een cither met een dubble rij van tonen;
De ééne hoog, trilt mee in levenslust,
De andre klinkt daaronder, diep en droevig.
(tegen een paar van de studenten).
Best; zwermt dan bijen in het groene loof...
Eéns keeren, rijk aan stuifmeel, wij terug
Naar onze korf, naar onze koningin!
(Tot het gezelschap gekeerd, terwijl de studenten heengaan en het
koor uit het eerste bedrijf gedempt buiten invalt).
Vergeeft mij alles, groote en kleine zonden;
Ook ik wisch alles uit; (zachtjes) maar blijf gedenken!
(in overmatige vreugde)
Mijn vrouw heeft weer eens hoop... blijde verwachting...
(trekt hem fluisterend ter zijde).
(gedeeltelijk fluisterend. Hoorbaar alleen:)
STUIVER (met juffr. Ekster aan zijn arm wendt zich tot Valk, glimlacht
triomfeerend, en zegt, terwijl hij op den dominee wijst):
Ik krijg de honderd thaler--en ga trouwen...
(met een spottende buiging)
(evenzoo, terwijl zij haar arm in dien van Lind legt)
(verbergt zijn verlegenheid)
(ernstig)
Van iemand die volbrengt een heil'gen plicht.
(met een glimlach over allen heen)
Vaartwel! (gedempt tegen Zwaanhilde).
God zegen je, mijn lentelief;...
Waarheen 'k ook ga, mijn werk zal bij je wezen!
(wuift met zijn pet en volgt de studenten).
(kijkt hem een oogenblik na en zegt dan stil, maar vast)
Nu valt het loof... nu hoor ik aan de wereld.
(Op dit oogenblik wordt er op de piano dansmuziek gespeeld en knallen
de champagnekurken op den achtergrond. De heeren met hunne dames
aan den arm loopen door elkaar; Goudstad nadert Zwaanhilde en buigt
voor haar; zij schrikt even, maar beheerscht zich en reikt hem de
hand. Mevr. Halm en de naaste familieleden, die in spanning dit tooneel
gevolgd hebben, komen naderbij en omringen het paar met woorden en
teekenen van groote blijdschap, die evenwel overstemd worden door de
muziek en de vroolijkheid van de dansenden verderop in den tuin.
Maar van verre en door de dansmuziek heen van de hoogte klinkend,
luidt krachtig en flink:)
Maar het is toch zoo heerlijk te varen!
(Dansen en gejuich; het scherm valt).
Eerste bedrijf
DRAMATISCH GEDICHT IN VIJF BEDRIJVEN
PERSONEN
Brand. Zijn Moeder. Ejnar, schilder. Agnes. De Baljuw. De Dokter. De Proost. De Koster. De Schoolmeester. Gerd. Een Boer. Zijn halfvolwassen Zoon. Een andere Boer. Zijn Vrouw. Een andere Vrouw. Een Klerk. Geestelijken en Ambtenaren. Volk, Mannen, Vrouwen en Kinderen. De Verzoeker in de Woestijn. Koor van Onzichtbaren. Een Stem.
Het stuk speelt in onzen tijd, gedeeltelijk in, gedeeltelijk bij een
Fjorddorp aan de Westkust van Noorwegen.
Boven op de sneeuwvelden van het hooggebergte. Dikke, zware
mist. Regenweer en halfduister.
BRAND (in 't zwart gekleed, met stok en randsel, gaat al klauterend
westwaarts voort. Een boer en zijn halfvolwassen zoon, die hem
vergezellen, komen achter hem aan).
(roept tegen Brand)
Waar ben je?
Het mist van daag dat iemand haast
Niet verder zien kan dan zijn stok.
(schreeuwt)
Bros als een glasplaat! Hei, niet stampen!
(luisterend)
Hier is een niet te peilen afgrond;...
Dat kost ons 't leven, alle drie!
Keer om;... de grond is hol en bros...
Blijf staan! Je leven staat op 't spel!
Dat, was je proost, of bisschop zelfs,
Je vóór het krieken van den dag
Als lijk al in de diepte lag,
Zoo je op die ondermijnde korst
Je verder voorwaarts wagen dorst.
(komt voorzichtig nader, overredend).
En knap, hij kan niet wat niet kàn.
Keer om; wees niet zoo star en stug!
Eén leven heeft een mensch toch maar;
En is dàt weg, wat heeft hij dan?
Hier is geen huis een mijl in 't rond....
Die mist wordt zóó dik dat je 'm wel
Zoudt kunnen snijden met een mes.
Een dwaallicht van den goeden weg.
Gevaarlijk voor een menschenvoet.
Gaan? Te voet?
Dat zou je bitter slecht bekomen.
Dan komt men droogvoets er wel over.
Die schiet er 't hachje vast bij in.
Dan welkom stortvloed, meer en kloof!
(zachtjes)
(half schreiend)
Er komt meer regen nog en wind!
(blijft staan en komt weer naderbij)
Dat aan de fjord je dochter woonde.
Zij liet je zeggen dat zij gauw
Zou sterven... maar als zij je niet
Terug zag, nooit zou zalig rusten?
(kijkt hem strak aan)
Als zij dan rustig sterven kon?
Zou ik van harte willen afstaan
Als 't haar ten goede komen kon.
(krabt zich achter het oor)
In Jezus naam, wil toch bedenken
'k Heb thuis mijn vrouw en nog meer kinderen.
Toen was 't een tijd van zooveel wondren,
Zooals er nu niet meer gebeuren.
Jij kent God niet, God kent jou niet.
(trekt hem mee)
In dit Godsgruwelijke weer,
En wordt 't bekend, wat altijd uitkomt,
Dat wij je hierheen vergezelden,
Dan word ik voor 't gerecht gedagvaard;
En als je hier in 't ijs verzinkt
Word ik nog in de doos gestopt...
'k Heb ruim genoeg al aan de mijne.
Kom mee!
(gillend)
(tegen den boer die hem bij de kraag gepakt heeft)
(worstelt met Brand)
(rukt zich los en gooit hem neer in de sneeuw)
Dat zal hij later ook wel doen! (gaat heen).
(komt overeind, zijn arm wrijvend)
Dat noemt hij Godgevallig werk! (roept terwijl hij opstaat).
Heidaar!
Zeg, hoor eens... weet je misschien nog
Waar wij den weg verloren hebben?
(in den mist)
Jij bent al op het breede pad.
Dan kwam 'k van avond heelhuids thuis.
(Hij gaat met zijn zoon weer oostwaarts terug).
waar de boer verdwenen is).
Zij stromplen weg... Jij slappe slaaf,
Welde in je ziel een bron van wil,
Was het alleen de kracht die faalde,
Ik zou den weg je wel verkorten;
Ik had, doodmoe, met wonde voeten,
Je licht en blij wel voortgedragen;...
Maar hulp is aan een man verspild
Die ook niet wil wat hij niet kan. (komt verder naar voren).
Het leven; och... het is wel erg
Hoe lief dat 't goede menschdom is!
Hoe iedre stumperd zooveel hecht
Aan 't leven, alsof 's werelds lot,
Of aller menschen zieleheil
Hem op de schrale schouders rust.
Zij willen offren, o, welzeker!
Maar 't leven, neen, dat moet men sparen! (glimlacht als bij een
herinnering).
Als jongen, waren er twee dingen
Die mij stuiplachend deden krimpen,
En ook bezorgden een pak slaag,
Van de oude schoolmamsel, die brompot.
'k Dacht aan een uil die schuwde 't donker,
En aan een visch met watervrees.
Ik lachte luid, wou 't beeld verjagen,
Maar 't klampte in mijn geest zich vast...
Hoe kwam die stuiplach in mij op?
Door 'n duister nog gevoelde kloof,
Die scheidt de dingen als zij zijn,
Van wat de dingen moesten wezen,...
Daartusschen: dat wij dragen moeten,
En onze last te zwaar ons blijkt...
En allen haast hier, ziek of frisch,
Zijn als een uil of als een visch.
Een, tot een duister werk geschapen,
Is ook bestemd in nacht te leven,...
En 't is juist dáárvoor dat hij vreest.
Hij fladdert angstig langs het strand,
Hij schuwt zijn eigen sterrencel
En roept om licht en zonneschijn!
(blijft een oogenblik staan, schrikt en luistert).
Ja, 't is gezang gemengd met lachen.
Hoor,... nu een hoera, en een tweede...
Een derde... vierde... vijfde maal!
De zon breekt door. De mist wordt lichter.
Ik zie alweer de wijde vlakten.
Daarginder staat het vroolijk troepje
In 't morgenlicht, op hooge bloemwei;
Naar 't Westen valt de breede schaduw.
Nu neemt men afscheid met een handdruk.
Nu scheiden zij. De andren keeren
Naar 't Oosten; westwaarts gaan er twee:
Daar wuiven zij tot laatsten groet
Met hoeden, sluiers, doeken, handen.
(De zon breekt hoe langer hoe meer door den mist heen. Hij staat een
tijd lang naar de van beneden opkomenden te kijken).
't Is of er licht straalt om die twee daar,
Alsof de mist zich openscheurt,
De hei hun voeten zacht omhult
En of de zon hun tegenlacht!
Vast broer en zuster, hand in hand
Gaat 't huplend over heidestruiken.
Kijk, 't meisje raakt den grond maar nauwlijks,
En hij is lenig als een rijs.
Daar loopt zij weg! Weg is zij weer
Nu fluks hij meende haar te vangen...
Hun loopen wordt een vroolijk spel...
En hoor, hun lachen klinkt als zingen!
(Ejnar en Agnes, in luchtige reiskleeren, beiden warm, met blozende
wangen, komen al spelend over de hoogte naar voren. De mist is
opgetrokken. Een heldere zomermorgen licht over de bergen).
Al spelend wil ik je vangen!
Ik spin van kleine mazen een net,
En de mazen, dat zijn mijn zangen.
(danst achterwaarts voor hem uit en ontsnapt hem voortdurend)
Dan wil ik aan de heibloempjes hangen,
En ben jij een jongen, die houdt van spel,
Jaag mij op... maar je mag mij niet vangen!
Het mazennet is al gesponnen;
Je fladdrend vluchten helpt je niet meer,
Weldra heeft het net je overwonnen.
Dan wil ik ook spelen en zweven;
Maar vang je mij in 't gesponnen net,
Dan moet voor mijn wiekjes ik beven!
Zal diep in mijn hart je bewaren,
Daar kan je spelen je leven lang,
Blij als ooit in je kinderjaren!
(Zonder het te zien zijn zij bij een steilen afgrond gekomen en staan
nu vlak aan den rand).
Wie roept daar?
(wijst naar boven)
U staat aan 't randje van een afgrond;...
't Is losse sneeuw maar die er op ligt!
(slaat de armen om Agnes heen en lacht)
Die over honderd jaar pas uitdooft.
(wuift met haar sluier)
Met feestverlichting iedren nacht,...
Een honderdjarig liefdespel...
Zijn wij ginds uit het dal gekomen.
Daar aan de watergrens beneden.
Van onze vrienden en vriendinnen,
Bezeeglend dierbare herinring
Met handendruk, omhelzing, kus.
Kom bij ons hier! 'k Zal u vertellen
Hoe goed God voor mij is geweest,...
Dan zal u mijn geluk begrijpen...!
Toe, sta daar niet als steenen beeld!
Komaan, herleef!... Zoo mag ik 't lijden.
Ik ben dan schilder, moet u weten,
En het was al een mooie gave,
Aan mijn gedachten macht te geven
Om kleurrijk 't leven uit te beelden,
Zoo als hij vlinders maakt uit larven.
Maar 't allermooiste was van God
Dat hij mij Agnes gaf tot bruid!
'k Ben pas terug uit 't zonnig Zuiden,
Waar 'k reisde met mijn schilderdoos...
(vol vuur)
En kent wel duizend nieuwe liedjes!
Was zij hier ook bij een vriendin.
Zij had behoefte aan frissche lucht
En zon en dauw en dennengeur.
Mij dreef een drang op naar de bergen.
Het zong in mij: Op! zoek de schoonheid
In hei en dennen, bosch en stroom,
In 't wolkenspel, en 't blauw gewelf!...
Toen heb 'k mijn meesterstuk geschilderd!
Een rozenblozen op haar wang,
Een oogenpaar geluk uitstralend,
Een glimlach die in 't harte drong...
Je zwelgde blindlings in genot,
En stond weer op een mooien dag
Ten tocht bereid, met staf en randsel...
'k Heb haar niet eens formeel gevraagd!
Hoera! Ik vroeg haar, kreeg haar antwoord,
En daarmee was de zaak gezond nu!
Onze oude dokter was zoo blij
Dat hij haast niet wist wat te doen.
Drie dagen lang werd er gefeestvierd,
Met zang en dans ter onzer eere;
Autoriteiten, geestlijkheid,
En al wat jong was kwam te gast.
Van nacht verlieten wij de plaats.
Maar 't feest was daarom nog niet uit;...
Met vlag en wimpel, groenbekranst,
Het bosch in en de bergen op,
En heel de troep toog met ons mee.
Dan twee aan twee... dan in een rij.
Week voor onze' optocht zoet terug!
Naar stad toe.
Dan naar beneden, 't westen in;
Op Aegirs stoomros, dampend, snuivend,
Gaan wij naar huis voor 't huwlijksfeest;...
En dan naar 't Zuiden met ons beiden,
Als zwanen op hun eerste vlucht...!
Mooi als een droom, als 'n sprookje teer;
Want, weet u, op dien zondagmorgen,
Ook zonder priester, werd gewijd
Op 't vrije veld, ons jonge leven
Tot jubelfeest, van zorgen vrij.
Zij deden iedre onweerswolk,
Die 't groene hutje mocht bedreigen,
Al drinkend, klinkend in den ban.
En ieder woord dat manend repte
Van storm of strijd, werd weggekust;
Zoo werden wij met groen en bloemen
Tot blijheids kindren gewijd.
(blijft staan en bekijkt hem nauwkeuriger)
Mij dunkt u heeft zoo iets bekends
In uw gezicht...
(koel)
Ik me uw gezicht herinren kan...
Toen 'k jongen was; nu ben 'k een man.
Brand!
Ja, jij bent 't waarlijk! Ik herken je!
Kijk me eens aan! Ja, nog de oude,
Nog altijd aan jezelf genoeg,
Als toen je schuw vermeedt de spelen
Van kameraden wild en druk.
Toch hield ik, meen ik, wel van jou,
Maar al die andren uit het zuiden
Zijn van een ander erts dan ik,
Die 't licht zag op een steile landtong,
Beschaduwd door een naakte rots.
Zooals de haas in 't dennenbosch
Ben ik dan hier dan daar tehuis.
(snel en hard)
(op anderen toon)
Het schip dat ginds je beiden wacht
Zal ook mij voeren ver van hier.
Zeg, Agnes, hij reist met ons mee!
(wijkt terug)
Die slavengod der slavenkudde,
Wordt opgeborgen in het graf,
En liefst op klaar-licht-heldren dag.
't Is meer dan tijd, voor iemand die
Al sukkelt meer dan duizend jaar.
Als gindsche spar, als 't bloeiend bosch,
Maar 't is het hedendaagsch geslacht
Dat ziek, genezing noodig heeft.
Jij wilt maar scherts en spel en lach,
Een beetje g'looven maar niet zien,...
Wilt leggen alle lust en wee
Op hèm, die kwam, is je verteld,
En 't straffend oordeel op zich nam.
Hij droeg voor jou een kroon van doornen,
En daarom kan jij nu vrij dansen;...
Ja, dansen... maar waar dans je heen?
Dat, vriendlief, staat nog te bezien!
En veelgeliefd in dorp en stad.
Je bent vast van de nieuwe leer
Die 't leven stof en onzin noemt,
Die menschen bang maakt voor de hel,
En hen in zak en assche jaagt.
Ik spreek ook niet in naam der kerk;
'k Weet nauwlijks, bèn ik wel een christen;
Maar wel weet ik, dat 'k ben een man,
En zeker ook dat ik de kwaal zie
Die 't heele land zijn merg ontsteelt.
(glimlacht)
Ons goede land opeens befaamd
Voor overmaat van levenslust!
Was dat maar zoo, dan was het goed,
Laat iemand slaaf zijn van 't genot,...
Maar dat hij 't dan ook blijvend zij.
Wees niet van daag en gistren dit
En weer wat anders 't volgend jaar.
Wees wat je bent, voluit, geheel,
Niet half, niet stuksgewijs verdeeld.
Een zuiver beeld is een bacchant,
Een dronkelap zijn spottrawant...
Silenus is een prachtfiguur,
Een drinker zijn karikatuur.
Ga maar eens rond hier in dit land
Met open oor en open oog,
En je zult zien hoe iedereen
Van alles maar zoo'n beetje is.
Op Zondag wel een beetje ernstig,
Een beetje vroom... naar oud gebruik,
Een beetje tuk op slemppartijen,...
Dat waren onze vaadren ook,...
Een beetje warm als er gefeest wordt
En liedren klinken voor het kleine
Maar rotsgetrouwe rotsenvolk,
Dat nooit zich kromde onder 't juk...
Een beetje luchtig met beloften,...
Een beetje listig als hij nuchter
't Gegeven woord gestand moet doen,
Dat bij een drinkgelag hij gaf.
Maar alles in een minimum.
Zijn fouten, deugden gaan niet ver;
Hij is een breuk in 't groot en 't klein;
Maar 't ergste is,... van iedre breuk
Heft ieder deel de rest weer op.
Dáárop wil 'k ja en amen zeggen;
Maar 'k zie niet wat dat heeft te maken
Met hem, dien je begraven wilt,...
Den God, dien 'k nog altijd vereer.
Toon mij den God van wien je spreekt.
Je hebt hem, hoor ik, uitgeschilderd,
Tot veler menschen diepe ontroering.
Hij 's zeker oud, of heb ik 't mis?
En dun van haar, als grijsaards zijn,
Met 'n baard als zilverdraad of ijs,...
Welwillend, maar toch streng genoeg
Om 'n kind te jagen naar zijn bed.
Of je hem ook pantoffels gaf
Dat laat ik in het midden nu;
Maar 'k zette hem ook een bril nog op
En een kalotje op zijn hoofd.
(boos)
Want zoo precies ziet hij er uit,
De huisgod van ons land, ons volk.
Zooals de Roomschen van hun Heiland
Een zuigling maken, maakt men hier
De Godheid tot een stumprig oudje,
Al bijna kindsch van ouderdom.
Zooals de Paus op Petrus' stoel
Welhaast alleen nog heeft de sleutels,
Sluit men hier 't wereldkoninkrijk
Van onzen Heer, in kille kerken.
Men scheidt geloof en leer van 't leven,
En niemand streeft naar 't ware wezen;
Men tracht zich geestlijk te verheffen,
Maar niet voluit en vrij te leven.
Voor zulk gedraai heeft men dan noodig
Een God, die zien kan door de vingers;...
Een God die grijs wordt als de menschen,
Een beeltnis met kalotje en manen...
Maar die God is de mijne niet!
De mijne is storm, de hunne wind,...
Onbuigzaam, waar de hunne is doof,...
Allievend, waar de hunne is stomp.
En jong is hij, als Herkules,...
Geen oude, grijze Grootpapa!
Zijn stem weerklonk als donderslag
Toen hij, in 't brandend bosch, als vuur
Voor Mozes stond op Horebs top,
Gelijk een reus voor 't dwergenvolk.
Stil stond de zon op zijn bevel
In 't dal van Gibeon. Wondren veel
Deed hij, en zou hij nog wel doen,
Waar' maar 't geslacht niet laks als jij!
(met een onzeker lachje)
Ik weet, dat ik ter wereld kwam
Als dokter voor zijn ziekte en nood.
(schudt het hoofd)
Eer 't licht je duidlijk wees den weg;
Wisch uit de taal niet de oude woorden
Eer je de nieuwe hebt gemaakt!
Het recht van 't eeuw'ge wil 'k alleen.
Geen dogma's zijn het, en geen kerken
Die 'k hoog wil houden met mijn werken;
Want beiden hadden een begin,
En daarom kon het ook wel zijn
Dat er een eind aan beiden kwam...
Al wat eens werd moet eens vergaan;--
Het zij door wormen of door mot--
En volgens den normalen gang
Plaats maken voor een nieuwen vorm.
Maar daar is iets dat blijft bestaan;...
Dat is de nooit geschapen geest,
Verloren eens in 't Paradijs,
Verlost door hem, die onvervaard,
In heilig gelooven, sloeg de brug
Van 't vleesch naar de oerbron van den geest.
Nu is ook die verslapt, verpoend,...
Dank zij der menschen kijk op God;...
Toch moet uit deze zielestompen
Uit deze brokken van den geest
Uit deze hoofden, deze handen,
Weer een geheel ontstaan, dat God
Zijn man herkent, zijn mooiste werk,
Het stamhoofd Adam, jong en sterk!
(afbrekend)
Maar afscheid nemen.
Dan ik naar Noord. Twee wegen leiden
Naar 't doel, en beide even smal.
Vaarwel!
(keert zich om terwijl Ejnar daalt)
Bedenk dat leven is een kunst.
(afwerend)
Ik hoû mij bij mijn ouden God!
Ik ga hem stoppen in zijn graf! (gaat de hoogte over).
(staat Brand zwijgend na te kijken)
kijkt onrustig rond en vraagt:)
Is de zon weg?
Die haar verborg; nu schijnt zij weer.
Die over hoogen top heenjoeg.
Hier dalen we af.
(naar 't zuiden wijzend)
Stond toch die berg daar straks hier niet.
Vóór hij je vrees en schrik aanjoeg.
Maar laat hem stil zijn gang maar gaan;
Wij nemen 't oude spel weer op.
En bergaf gaat het niet zoo vlot,
Als ginder op het vlakke veld.
Doch wacht maar, zijn we eens in het dal
Dan dansen wij nog eens zoo hard,...
Ja, tienmaal wilder nog dan ooit
Vóór hij ons in den weg kwam hier.
Kijk, Agnes, kijk eens daar, dat blauw
Waarop de zon zoo schittrend schijnt.
Dan ligt 't gerimpeld, dan weer glad,
In zilverglans of ambergloed;
Dat is de groote frissche zee
Die je daar in de verte ziet!
En zie je ook den donkren rook
Die kronkelend opstijgt in de lucht?
En kan je zien die zwarte stip
Die nu juist ombuigt om de kaap?
Dat is de boot... van jou en mij!
Nu varen zij de fjord juist in!
Van avond varen zij weer weg
Naar zee, met jou en mij aan boord!...
Nu is 't in nevel weer gehuld...
Zeg, Agnes, heb je wel gezien
Hoe prachtig zee en lucht zich kleurden?
(kijkt als starend recht voor zich uit en zegt:)
(zonder hem aan te zien en gedempt als in een kerk)
(Zij daalt het bergpad af. Ejnar volgt haar).
verder weg rechts. Boven en achter den berg ziet men hooge toppen
en sneeuw.
BRAND (komt het pad op, begint te dalen en blijft halfweg staan op
een vooruitspringend rotsblok en kijkt in de diepte).
Ja, de plaats herken ik weer!
Ieder boothuis, iedre hut,
Hellingen en berkaanplanting,
En het oude bruine kerkje,
Elzenboschjes langs het water...
Alles kan ik mij herinren.
Maar veel grauwer lijkt mij alles,
Kleiner ook, dan toen 'k een kind was;
En het sneeuwdak op den berg ginds
Hangt nog lager over 't dorp,
Heeft van den benepen hemel
Nog een streepje weggenomen,
Neigt en dreigt, maakt duister, dringt,...
Steelt nog meer weg van de zon.
(gaat zitten en kijkt ver voor zich uit).
Al zoo leelijk en zoo nauw?
't Weer is buiig. Voor den wind.
Loopt een schip met volle zeilen.
Zuidwaarts, achter boot en steiger
Zie ik in de grauwe schaduw
Aan het strand, een roodbruin huis!...
't Is de hoeve van de weduw'!
Oude hoeve! Eens mijn thuis.
Heel 't verleden dringt zich op.
Daar aan 't zeestrand tusschen steenen
Leefde een kinderziel vereenzaamd...
Op mij drukt het als een last
Van beklemming, dat ook ik
Ben verwant nog met den geest die
D'aarde zoekt, niet 't innigst wezen.
Wat ik heerlijks heb gewild
Zweeft als in een nevel nu.
Moed en kracht zijn mij ontnomen,
Machtloos is mijn ziel, mijn greep;
Hier zoo dicht bij 't oude huis weer
Zie 'k mijzelf aan als een vreemdling,...
Zoo ontwaakt getemd, geketend,
Simson in Dalila's schoot.
(kijkt weer in de diepte).
Overal uit huis en hoeven
Stroomen vrouwen, mannen, kindren...
Achter hellingen en rotsen
Schuiven voort de lange rijen,
Komen weer te voorschijn plots...
Allen voort naar 't oude kerkje.
(staat op).
Lakse zielen, traag van geest!
Heel je Onze-Vader bidden
Houdt niet in zich zóóveel wilskracht,
Ja, niet zóóveel zieledrang,
Dat daarvan ten hemel stijgt
Klankrijk als een stem moet klinken,
Iets meer dan de vierde smeekbee!
Die toch is de leus van 't volk,
Die de strijdkreet thans geworden.
Diep gegrift in alle harten,
Uit 't verband gerukt, is die nu
Als een door den storm gehavend
Wrak van jullie heele geloof!...
Weg hier uit dien duffen boel!
Weeë lijklucht heerscht in 't rond hier...
Hier kan nooit een vlaggedoek
Vrijuit, frisch en vroolijk wapp'ren!
(wil weggaan, een steen wordt van boven af gegooid en rolt het pad
af tot vlak voor zijn voet).
(roept naar boven)
(Gerd, een vijftienjarig meisje, loopt boven op den bergrug, haar
schort vol steenen).
Te wieglen op een dorren tak! (gooit weer en schreeuwt).
Daar komt hij weer, ellendig dier!
Help! Huuh! Hij slaat zijn klauwen uit!
Sta stil! Sta stil! Nu vliegt hij weg.
Dien, met zijn kuif als uitgestreken,
En oogen rood en geel omrand!
(wijst naar beneden)
(kijkt hem verachtelijk lachend aan en wijst naar beneden)
Vaarwel! (gaat de hoogte op).
Dat leidt naar hoogen wilden top.
Een kerk gebouwd van ijs en sneeuw!
Als jongen hoorde ik er van.
Daar tusschen steile toppen in
Moet er een ijsgrot zijn te vinden.
De ijskerk, meen ik, werd 't genoemd.
Daarvan werd allerlei verteld;
De grond is een bevroren meer,
Het dak is van lawinesneeuw
Gespannen wijd, van wand tot wand,
Als een gewelf er over heen.
Mij goed... een kerk is het toch.
Dan breekt de korst; 't gewelf stort in;
Een kreet, een schot is al genoeg...
(zonder naar hem te luisteren)
Daar afgegleden, komt pas vrij
In 't voorjaar, met de groote dooi.
(wijst naar beneden)
Lawine en waterval zingt daar,
De wind preekt over 't ijsveld luid,
Dat heet je wordt en dan weer koud.
En nooit komt er de havik in;
Hij strijkt neer op den Zwarten Top,...
Daar zit hij dan, dat galgenaas,
Als 't haantje op de torenspits.
Als klank van een gebarsten luit.
Wat slecht is blijft slecht, kort en goed,...
Kwaad kan in goed verkeeren soms.
Nu ga ik weg en gauw naar huis!
Daar in die kerk ben 'k welbewaard...
Vaarwel! Daar komt hij, woedend weer!
Ga weg! Ik gooi met steenen, hoor!
Sla jij naar mij, dan sla 'k weerom! (vlucht den berg op).
In 't dal,... of boven, wie doet 't best?
Wie stuift vooruit met woeste vaart,
Wie zwerft het verst van huis en haard,...
Lichtzinnigheid met groen omkranst,
Die spelend langs den afgrond danst,
Of laksheid traag maar sukk'lend voort,
Omdat 't nu eenmaal zoo behoort,...
Of dwaling wild en verregaand,
Dat zij het kwade goed haast waant?...
Welaan, ten strijd, ten bittren strijd,
Die Driebond zij ten dood gewijd!
Ik zie mijn roeping, schittrend, fier,
Als zonlicht vallend door een kier!
Ik ken mijn taak; die Driebond moet
Vernield, en 't wereldwee geboet.
Als die ten grave is gebracht
Wijkt 's werelds pest van dit geslacht!
Op ziel! Grijp 't blanke zwaard! Met kracht
Ten strijd voor 't hemelsch nageslacht!
(hij daalt af naar het dorp).
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF
Tweede bedrijf
Beneden aan de door steile bergwanden ingesloten fjord. Op een kleine
hoogte dicht bij de fjord, ligt het oude vervallen kerkje. Er komt
een onweer op.
Volk, mannen, vrouwen en kinderen, gedeeltelijk op het strand,
gedeeltelijk op de hoogten in groepen verzameld. De Baljuw zit op
een steen in hun midden. Een klerk staat hem bij in het verdeelen
van koren en levensmiddelen. Ejnar en Agnes staan iets verder weg,
omringd door een troep menschen. Enkele booten liggen op het door de
ebbe droog geloopen zand. Brand komt van den kerkheuvel aaf zonder
door de menigte te worden opgemerkt.
(werkt zich door het gedrang heen)
(duwt haar op zij)
(dringt vooruit naar den baljuw).
Daar snakken er wel vier of vijf!
(schertsend)
Neen;... ja, toch wel. Dat 's je geluk. (tegen den klerk).
Geef nommer dertig eens zijn deel...
Ja, goede menschen, hebt geduld!
Nils Snemyr?
Maar driekwart van wat je anders kreeg.
Er zijn er minder nu.
Juist gistren stierf mijn vrouw Ragnhild.
(noteert)
Maar ga nu niet zoo daadlijk weer
Een tweede huwlijk aan!
(gichelt)
(scherp)
Mijnheer zoo grappig is van daag.
Maar scherts verdrijft wel eens een traan.
(komt met Agnes uit de menigte naar voren)
Mijn beurs, mijn zakboek, alles leeg!
'k Kom als een bedelaar aan boord,
Geef mijn horloge maar als pand.
Wat 'k in kon zaamlen is niet veel;
Dat reikt niet ver, kan u wel denken,
Waar 'n leege hand, een mond halfvol,
Nog moeten afstaan van hun beetje
Aan wie er niets te bikken heeft.
(krijgt Brand in 't oog en wijst naar hem).
Van hongersnood en overstrooming,
Maak dan uw beurs en randsel open.
Wij nemen gaarne alles aan.
De voorraad is haast uitgeput;...
Vijf vischjes maken nog geen maal
In deze armoed-woestenij.
In naam eens afgods, baten niet.
Voor 'n leege maag zijn woorden steen.
Zoo lang in bitt'ren hongersnood.
Een jaar vol rampen, Brand, en wee,
Er liggen dooden...
Uit al die ingevallen oogen
Spreekt 't straffend oordeel van omhoog.
(treedt tusschen de menigte en zegt met nadruk)
En traag verliep met daagsch bezwaar,
Had 'k meelij met 't gezwoeg om brood.
Wie op zijn knieën kruipen moet
Voelt 't dier ontwaken in zijn ziel.
Vergaan de dagen dof en stil
Als 'n lijkstoet, langzaam, stap voor stap,
Gaat men licht denken: och, wij zijn
Uit 't boek des Heeren uitgeschrapt.
Maar u betoonde hij zich juist goed,
U joeg hij doodsangst in het bloed,...
En geeselt u met vrees en schrik;
Wat hij u gaf, neemt hij terug...
(vallen hem dreigend in de rede)
(schudt het hoofd)
U laven als een levensbron,
Ik liet het vloeien als een stroom,
Tot droog en leeg was iedre aâr.
Maar zonde waar' 't te helpen hier!
God wil u heffen uit het slijk;...
Een waar volk,... zij 't verspreid en zwak...
Put ook uit onheil merg en kracht;
De geest wordt helder, heft zich op,
't Gesluierd oog wordt scherp van blik,
De slappe wil wordt sterk en flink,
Ziet de overwinning in 't verschiet;
Maar baart de nood geen eedlen zin,
Is ook het volk zijn heil niet waard!
't Is of zijn woord 't heeft aangelokt!
Met steenen! Slaat hem dood, den beul!
(Het volk dringt dreigend op om Brand. De Baljuw treedt tusschen
beiden. Een vrouw, verwilderd, met gescheurde kleeren, komt haastig
van de hoogte af).
(roept tegen de menigte)
Mij trof het allerergste lot!
Waar vind 'k een priester?... Hulp en troost!
O, dat ik nooit geboren waar'!
(komt nader)
(grijpt zijn arm)
Drie kindren hongrend... niets in huis,...
Zeg neen, zeg neen,... hij 's niet verdoemd!
Ons hielp geen mensch, ons hielp geen God.
Het jongste worstlend met den dood...
Hij droeg 't niet langer... sloeg het dood...!
(ontzet)
Zag hij met afschuw op zijn daad!
't Berouw steeg als een vloedgolf op;
En aan zich zelf sloeg hij de hand...
Kom, red zijn ziel, trots storm en stroom!
Hij kan niet leven, vreest den dood,
Met 't lijkje in de armen ligt hij daar
En schreeuwt en roept den Booze aan!
(stil)
(bleek)
(kort tegen het volk)
Dat is nu niet begaanbaar meer;
Ik kwam er langs, maar 't water sloeg
Vlak achter mij den vlonder weg!
De vloed slaat over rots en strand!
(wijst naar den anderen oever)
Vol stof en rook de heele fjord.
De Proost zelf spreekt u vrij van plicht!
Wacht niet op weer, of wind, of tij! (gaat naar beneden in de boot
en haalt het zeil op).
Waag je de boot er aan?
Maar die van mij is mee aan boord!
(handenwringend)
(roept uit de boot)
Die 't water uitschept, 't zeil hanteert,
Is al genoeg. Kom, geef nog meer
Dan je al deedt, geef je eigen zelf!
(terugwijkend)
(dreigend)
Dat is te érg den Heer verzoeken!
BRAND (klampt zich vast met de bootshaak en roept tegen de vreemde
vrouw).
Goed; kom jij dan; maar kom dan gauw!
(terugwijkend)
(lacht)
AGNES (keert zich met gloeiende wangen snel tot Ejnar, legt haar hand
op zijn arm en zegt:)
O Ejnar, hoor je 't?
Kijk! Hier is iemand! Hij is 't waard
Met u te gaan voor 't heilig werk!
(bleek)
'k Was blind eerst, helder zie ik nu!
Mijzelf met hem ten dood gewijd...
(bevend)
Ik kàn nu niet!
(terugwijkend)
(met een kreet)
Is tusschen ons met stormgeweld
Een woeste wereldzee ontstaan! (tegen Brand).
Ik kom bij u!
(ontsteld terwijl zij in de boot springt)
(grijpt in wanhoop naar haar)
(komt toeloopen)
(wijst)
Ginds, hoog, achter die zwarte klip!
(De boot stoot van land).
(schreeuwt haar achterna)
O, red je!
(De boot zeilt uit. Het volk groepeert zich op de hoogten en kijkt
haar na in groote spanning).
Hij heeft 'm al achter zich aan lei!
Zijn natte haren in den wind!
Die kreet, die door den storm heen sneed?
(wijst naar de hoogte)
Zij lacht en juicht van boven af!
En gooit met steenen naar beneê!
En toetert door haar holle hand!
Die man weerstaat jouw kunsten wel!
In erger weer wel mee te gaan.
(tegen Ejnar)
Dan wezen mag,... hij is een man!
In hem steekt moed en kracht en trots.
(Zij verspreiden zich over de hoogten).
(zoekt zijn boeken en papieren bij elkaar)
Zich te bemoeien met die zaak,
En zonder noodzaak in te grijpen,
Zijn leven in gevaar te stellen,...
Ik doe waarachtig ook mijn plicht,...
Maar altijd binnen mijn district.
(af).
stil en blank.
Agnes zit beneden aan het strand. Even later komt Brand de deur uit.
Schrik en angsten voor het Oordeel,
Ligt hij nu met kalme trekken
Rustig en verlicht daar neer,
Hoe kan toch een ijle illusie
Nacht in zulk een dag herscheppen
Van zijn helsche misdaad zag hij
Enkel maar den buitenkant,...
Dat, wat uit te spreken is,...
Dat, wat handen kunnen grijpen,...
Wat zijn naam een brandmerk opdrukt,...
Zijn vergrijp aan 't doode kindje.
Maar de twee, die vol van angst
Starende met groote oogen,
Als ineengedoken vogels,
In den schoorsteenhoek gehurkt...
Enkel zagen hoe hij deed
Zonder te begrijpen wàt,...
Zij, wier ziel daar werd een vlek
Ingebrand, nooit uit te wisschen,
Die niet uitslijt door den tijd,
Ook al worden ze eenmaal grijsaards,...
Zij wier levensstroom moet vloeien
Uit die vreeslijke herinring,...
Die in schaduw van zijn wandaad
Moeten groeien, worden mensch,...
Nooit 't afgrijselijk visioen
Uit hun hersens kunnen branden...
Aan die twee kon hij niet denken,...
Niet aan hen, wie hij zijn erfdeel,
't Onheilvolle, achterliet...
En van hen gaan wellicht uit
Velen nog tot zonde en schuld...
Waarom? Ondoorgrondlijk woord:
Zij zijn kindren van zijn bloed!
Wat wordt uitgewischt in stilte?
Wat met zachte hand vereffend?
Waar begint toerekenbaarheid
Voor der oudren geestlijk erfdeel?
Welk een rechtsdag, welk een rechter,
Als eens komt de dag des Oordeels!
Wie zal richten, wie getuigen,
Waar een ieder schuldig is;
Wie durft daar vertoonen 't oude
Uitgesleten document?
Wordt dàn 't antwoord aangenomen:
Alle schuld ligt bij mijn vader?...
Duizelingwekkend donkre raadsels,
Niemand weet u op te lossen!
Maar de massa zonder denken,
Danst op 't randje van den afgrond.
Alle zielen moesten beven,...
Maar niet één uit duizend ziet er
Welk een berg van schuld zich ophoopt
Uit het kleine woordje: leven.
(Enkele mannen uit het volk komen van achter het huis te voorschijn
en naderen Brand).
Maar binnen zitten er nog drie...
Bedeeld werd, is hier wat voor hen...
Zoo weet, dan heb je niets gegeven.
Van daag gebrek geleden had,
Om hulp geroepen uit zijn boot,
Mijn leven had 'k voor hem gewaagd.
Van zonneschijn en sterrenglans;
Kijk niet, als nu, met 't linkeroog
Omhoog, terwijl je 't rechter keert
Naar 't slijk, waar met gebogen rug
Je 't juk zelf op je schouders drukt.
Ons te bevrijden van het juk.
En toonden vroeger ons den weg;...
Zij wezen, maar u ging dien weg.
Zooveel uitwerken als een daad.
Wij komen hier uit naam van 't dorp;...
Wat ons ontbreekt is juist een man.
(onrustig)
Als onze leeraar.
Toch vast wel dat wij zonder zijn?
Was 't dorp hier groot, nu is het klein.
Ellende kwam met misgewas,
Door ziekten stierf èn volk èn vee,
En armoe sloeg er allen neer;
De nood zong iedre ziel in slaap.
Toen werd hier 't eten schaarsch en duur...
En raakten we onzen leeraar kwijt!
Een zware plicht rust er op mij.
Voor mij, des levens druk bewegen,
Voor mij, der wereld open ooren.
Wat moet ik hier? Hier tusschen rotsen
Gekerkerd, heeft de stem geen macht.
Klinkt zijn geluid nog langer na.
Waar 't wijde land hem lokt en wenkt?
Wie gaat er zand en steen beploegen
Waar vruchtbaar land ligt voor de hand?
Wie wil van pitten vruchten oogsten,
Waar jonge boomen staan vol ooft?
Wie tobt zich af in daaglijksch zwoegen,
Waar 't licht eens Zieners in hem gloort?
(schudt het hoofd)
(treedt hem in den weg)
De roeping die daarginds u wacht
Zoo dierbaar dan?
Is mij dat werk!
Gaf je alles ook,... maar niet je leven,
Zoo weet, dan heb je niets gegeven.
Dat is zijn innigst eigen zelf.
Men mag den stroom niet binden, leiden,
Niet stuiten 's geestes roepingsdrang,...
Die wil voort, naar de groote zee.
Als dauw bereikt hij toch de zee.
(kijkt hem scherp aan)
Toen wild de zee sloeg over 't land,
U, storm en zee trotseerend, 't leven
Vertrouwde aan een dunne plank,
Voor 'n arme zondaarsziel in nood.
Toen heeft er meen'ge ziel getrild,
Dan koud, dan warm, als zon en wind;
Toen was 't als wekkend klokgelui...
Misschien is 't alles morgen weg;
Dan halen wij de feestvlag in,
Die u voor ons geheschen heeft.
Wie niet kan wezen wat hij moet,...
Zij dan in ernst maar wat hij kan;
Zij dan geheel man van deze aard'.
(kijkt hem een oogenblik aan en zegt:)
Wee ons, wien even 't licht opging!
(Hij gaat weg; de anderen volgen hem zwijgend).
(kijkt hen lang na)
Gaat de stille troep naar huis.
Zwaar de hoofden, loom de voeten,
Sleepend moe en droef zich voort;
Ieder als belast met droefheid,
Loopt als met een roe bedreigd,
Loopt als aller menschen vader,
Eens verjaagd uit 't Paradijs,...
Loopt, als hij, met schuldig voorhoofd,
Staart, als hij, in duisternis,...
Draagt, als hij, verworven kennis...
Van zijn blindheid het gemis;
Menschen wilde ik, overmoedig,
Scheppen nieuw en heel en rein;...
Dát... een beeld van schuldbewustheid,
Niet van God... heb 'k voortgebracht...
Weg naar wijder horizonnen,
Voor een held is hier geen ruimte!
(hij wil gaan, maar blijft staan als hij Agnes aan het strand ziet
zitten).
Zie haar luisterend daar zitten,
Of zij hoorde harpetonen.
Luistrend zat zij in de boot ook,
Toen die door de branding heensneed,...
Luistrend hield zij vastgeklampt zich,
Luistrend schudde zij het spattend
Zeeschuim van haar reine voorhoofd,
't Is of zij niet met haar ooren
Maar met de oogen zit te luistren. (nadert haar).
Zijn het, meisje, soms de bochten
Van de fjord, die je oogen volgen...?
(zonder om te kijken)
Aan mijn oog zijn beide onttrokken.
Maar een grootre wereld zie ik,
Klaarblank tegen 't blauw zich koeplend.
Zeeën zie ik, breede stroomen,
Zonneschijn door nevel scheemrend;
Zie om wolkomfloersde toppen
Purpervlammen spelend lichten;
Zie een eindloos dorre vlakte,...
Hooge palmen buigen wuivend
Groene kruin in scherpe windvlaag,
Werpen donkre schaduw van zich.
Nergens leven... woest verlaten,
Als een wereld, nieuw, in wording;
En 'k hoor woorden luid-op klinken,
Ik hoor stemmen tot mij spreken:
't Geldt je dood of je verlossing;...
Voer het uit wat ik je opdraag:
Deze wereld te doen leven!
(meegesleept)
(legt de handen op haar borst)
Voel ik krachten gistend dringen,
Voel ik bronnen bruisend zwellen,
Zie 'k een nieuwen dag aanbreken.
Als een wijde wereld breidt zich
Uit mijn hart, naar alle kanten,
En 'k hoor stemmen mij bevelen
Déze wereld te doen leven.
Al mijn denken dat zal worden,
Iedre daad die 'k doen zal, leeft er,
Fluistert, ademt, blij ontwakend,
Of het barensuur voorbij was;
En ik voel, méer dan ik zie ginds,
Hem daarboven zich verheffen,
Liefdevol met diepe smart;
Licht en zacht als 't ochtendblozen,
En bedroefd tot in den dood toch;
En 'k hoor woorden luid-op klinken:
Scheppen moet je en zelf herleven;
't Geldt je dood of je verlossing...
Voer het uit, wat ik je opdraag!
Dáárheen wijst het. Dat 's de richting,
't Eigen hart,... dàt is de wereld,
Die, herboren, rijp voor God is;
Waar des willens gier moet sterven,
Nieuwe Adam 't licht aanschouwt.
Laat de wereld dan haar gang gaan,
Onder zwoegen of gezang;...
Maar als wij in botsing komen...
Als mijn arbeid zij bedreigt,...
Dan, bij God, dan sla ik toe!
Plaats op heel de wijde aarde
Om geheel zich zelf te zijn,...
Dat mag ieder mensch toch eischen,
En ik vraag geen ander recht!
(denkt een oogenblik na en zegt dan:)
Maar zijn erflijke belasting? (staat op en kijkt uit).
Wie is zij die ginder aankomt
Stromplend over ruige hoogten,
Krom en stram, het hoofd gebogen?
Even blijft zij hijgend staan,
Steunt zich om niet òm te vallen,
Grijpt er met de schrale vingers
Haastig in haar diepe zakken,
Of een schat zij bij zich draagt.
Om haar mager, dor gebeente
Slingert slap, als veeren, 't kleed;
Krom als klauwen zijn haar handen;
Lijkt een arend, vastgespijkerd,
Hangend aan een voorraadschuur.
(plotseling angstig).
Welk een sfeer van 't droef verleden
Trilt verkillend om die vrouw daar,...
Trilt verkillender nog in mij...?
Groote God! Het is mijn moeder!
BRANDS MOEDER (komt naar boven, blijft op den berg staan, half
zichtbaar, houdt de handen beschuttend voor de oogen en kijkt rond).
Hier moet hij wezen. (komt nader). Hè, dat zonlicht!
De duivel haal 't... 't maakt mij half blind.
Zoon, ben jij daar?
(knipt met de oogen)
Die brandt en steekt de oogen uit;
Je kunt geen mensch meer onderscheiden.
Van 't najaar tot de koekoek riep.
(lacht stil)
Een ijsklomp wordt je er zelf bijkans;
Dat maakt je sterk, en wàt je ook durft
Dat doe je en vindt dat 't ook wel mag.
Als jongen liep je hier van daan...
't Was noodig dat je priester werdt.
(bekijkt hem nauwkeuriger).
Maar 'k bid je, let nu op mijn woord,...
Pas op je leven!
Alleen gekomen?
Zoo volg ze. Maar bewaar je leven
Voor mij; ik heb 't je toch gegeven. (boos).
't Is wijd bekend wat je gedaan hebt;
En 't heeft dood-angstig mij gemaakt.
Op zee van daag! Roekloos te wagen
Wat jij voor mij bewaren moest.
Jij bent van ons geslacht de laatste.
Jij bent mijn zoon, mijn vleesch en bloed.
Jij bent de sluitsteen van 't gebouw,
Dat 'k stuk voor stuk heb opgetrokken.
Sta vast, wees sterk; hoû vast aan 't leven
Bewaar het goed! Vergeet je niet!
't Is voor een erve plicht te leven,...
En jij zult eens de mijne zijn...
En mij met volle zakken lokken?
Blijf waar je bent!
Kom niet hierheen! 'k Sla met mijn stok! (kalmer).
Wat wou je daarmee zeggen?... Hoor!
'k Word oud, en ouder ieder jaar;
Dat is per slot de weg naar 't graf;
Dan krijg jij al wat ik bezit;
Het ligt geteld en afgewogen...
Ik heb niets bij mij!... Thuis ligt alles
Wat 'k heb. En heel veel is het niet;
Maar wie het krijgt is toch geen beedlaar...
Blijf waar je bent! Kom niet hierheen!...
'k Beloof je dat 'k niets zal verstoppen
In spleten, of begraven zal
Op plekken die er niemand kent,...
Of tusschen steenen, onder vloeren,
In muren, iets verbergen zal...
Jij erft, mijn zoon, geheel alleen,
Het heele erfgoed, zonder deelen
Verspil niet roekeloos je leven,
Dat 't goed kan gaan van zoon op zoon;
Ik eisch er voor geen ander loon.
En zorg er voor dat niets verkwist wordt;...
En niets verdeeld of losgemaakt wordt;...
Vermeerder je bezit of niet;
Maar waak er over, jaar op jaar!
(na een korte pauze)
Van jongs af was 'k met u in strijd;...
Gij waart geen moeder, ik geen zoon,
Tot dat u oud was en ik man.
Wees wat je wilt; het deert mij niet,
Wees hard, wees ruw, zoo koud als ijs;...
Het raakt mijn koude kleeren niet;
Hoû maar alleen je erfdeel vast...
Als dat maar blijft in ons geslacht!
(komt een stap naderbij)
't In alle winden uit te strooien?
(tuimelt achteruit)
Den rug kromde en vergrijsde 't haar!
(knikt langzaam)
Mijn ziel in alle winden uit!
Als 'k bij uw bed eens 's avonds sta,
En kaarsen om uw doodsbed branden,
Als u, met 't psalmboek in de handen,
Den eersten nacht uw doodsslaap slaapt,...
Als 'k dan ga grabb'len, snuflen, zoeken,
En voor den dag haal heel den schat,...
Als 'k dan den brand er eens in steek...?
(komt in spanning naderbij)
En 'k nooit daarna vergeten kon;
Dat in mijn ziel drong en er bleef
Als de ijzeren pijlpunt in een wond.
't Was herfst en avond. Vader dood.
U ziek. Ik sloop naar binnen stil,
Waar hij lag, bleek, bij kaarsenschijn.
Ik stond en staarde uit een hoek
Naar hem, met 't psalmboek in de hand;
Het vreemdste vond ik 't diepe slapen,
En zijn zoo dun geworden polsen;
En 'k rook den geur der kille lijkwâ;...
Toen hoorde ik loopen op 't portaal,...
Een vrouw kwam binnen, zag mij niet,...
Liep rechtstreeks op het doodsbed toe.
En grabb'lend ging zij toen aan 't zoeken;...
Eerst opgelicht 't hoofd van den doode,
Daar kwamen pakken onderuit,...
Zij telde, fluistrend: meer toch, meer!
Toen groef zij uit de beddekussens
Een pak, met touwen dichtgebonden.
Zij scheurde, trok, met woeste rukken,
Beet met haar tanden 't touw aan stukken.
Toen groef zij weer. Zij vond nog meer,...
Doch telde fluistrend: meer toch, meer!
Zij schreide, klaagde, vloekte, bad,
Steeds zoekend naar een spoor van meer...!
En vond ze iets,... met een jubelkreet
Schoot ze als een valk los op haar prooi.
Op 't laatst was iedre schuilhoek leeg.
Als een verdoemde sloop zij heen,
Haar schat geborgen in haar schort.
En steunend zacht: dàt 's alles dus!
En die had 'k meer dan duur betaald.
Mijn kinderhart ontstal het u.
Men koopt zijn goed met ziel en bloed.
'k Betaalde een hoogen prijs terstond;
Mijn jonge leven zette ik in.
Ik gaf iets dat nu is verwelkt...
Iets vluchtigs, dunkt me, als zonneschijn,...
Onnoozel ook, maar toch zoo mooi;...
Ik gaf wat 'k nauwlijks nu meer weet,...
'k Geloof dat het liefde werd genoemd...
Ik weet 't nog goed. Mijn strijd was zwaar;
En 'k weet ook goed nog vaders raad:
Vergeet dien jongen; neem den andren,
Wat deert 't al is de vent wat oud;
De kerel heeft een goed stel hersens,
Verdubb'len kan hij zijn bezit!...
Ik nam hem, maar kreeg stank voor dank.
Zoo ver heeft hij het nooit gebracht.
Maar ik heb jaren lang gezwoegd,
Zoodat 't er nu wel bijna is.
Dat gij uw ziel daarbij verkocht?
Dat ik jou priester worden liet.
Als de ure komt, zorg voor mijn heil,
In dank voor wat ik achterlaat.
Mijn is het zuur verdiende goed,
En jij hebt macht en 't troostend woord.
Gij zaagt mij nog als eertijds thuis.
Met ouderliefde van die soort
Gaan velen met hun kindren om.
Zij zien in 't kind maar een beheerder
Van al hun nagelaten rommel.
Een bleeke straal van de eeuwigheid
Gaat langs hun denken nu en dan.
Daar grijpen zij dan naar en denken
Dat zij hem al te pakken hebben;
Dat dood en leven dan vereend zijn
Als 't erfgoed in 't geslacht bewaard blijft,
En de eeuwigheid, als som, hun deel wordt
Van de opgelegde reeksen jaren.
Maar neem op tijd je erfgoed aan.
Er is geen schuld.
Er schuld was,... moest 'k die overnemen
En alles afdoen, en vereff'nen.
Een zoon moet op zijn moeders graf
Aan alle vordringen voldoen;
Waar' 't huis ook leeg als ik 't betrok,...
Toch erfde ik uw schuldenboek.
Geschreven wet met pen en inkt;
Maar in elk eerlijk kinderhart
Staan andre wetten ingegrift,...
En aan die wetten zal 'k voldoen.
Verblinde vrouw, o leer toch zien!
Gods tempel hebt ge in u vernederd,
Uw zieleleen hebt gij verdaan.
Het aardsche beeld, dat hij u schonk,
Met slijk en schimmel oversmeurd;
De geest, die eenmaal was gevleugeld,
Hebt gij gekortwiekt in 't gedrang.
Dàt is uw schuld. Waar wilt gij heen,
Als God de Heer het zijne opeischt?
(schuw)
Uw zoon neemt al uw schuld op zich.
Gods beeltenis, die gij vertrapt hebt,
Zal in mij, klaar, verreind, verrijzen!
Ga kalm maar rusten bij de dooden,
Mijn moeder zal met schuld niet slapen;...
Ik delg de schuld.
Uw zieleschuld zal 'k op mij nemen;
Maar voor uw zonden komt gij op.
't Bedrag van 't menschelijke Wezen,
Dat onderging in 't aardsche sloven,
Kan door eens andren goeden wil
Volledig worden afbetaald;
Maar dàt het onderging is zonde;
Alleen berouw helpt daar... of sterven!
(onrustig)
In schaduw van mijn gletscherdak;
Hier in dien zwoelen zonneschijn
Ontkiemen giftige gedachten,
Wier geur een mensch al duiz'lig maakt.
En voelt ge uw laatste ure komen,
En wilt ge dat 'k u licht zal brengen,
Zend dan om mij, en ik zal komen.
Weer 'k schrik en angsten van u af.
En aan uw sponde, met gezang,
Doof ik den koortsgloed in uw bloed!
(dichter bij haar).
Maar ook één voorwaarde heb ik.
Van wat u nog aan de aarde bindt,
Moet gij vrijwillig afstand doen,
En zonder iets ten grave gaan.
(slaat wild naar hem)
De sneeuw van vorst, van water vocht!
En bid dat God die daad moog' zeegnen.
Maar niet wat 't allerzwaarste weegt!
Dan baat ook 't mindre iemand niet.
Als Job te sterven, arm en naakt.
(handenwringend)
Mijn geld en goed weldra verstrooid!
Naar huis dan, en aan 't hart gedrukt
Al wat nù nog mijn eigen is!
Mijn goed, mijn smartekind, mijn goed,...
Voor jou reet ik mijn borst aan bloed;...
Naar huis nu, waar 'k met moederklacht
Bij 't zieke kindje houd de wacht.
Waarom werd ik in 't vleesch geboren
Als gaat, door 't vleesch mijn ziel verloren?...
Blijf in mijn buurt, zoon! 'k weet nog niet
Wat 'k doen zal als mijn ure komt.
Moet 'k bij mijn leven 't àl verliezen,...
Dan wil 'k toch tot het laatste wachten, (af).
(kijkt haar na)
Wachten op het boete uur,
Zal verwarmen je oude, koude
Hand, als zij wordt uitgestrekt.
(gaat naar Agnes toe).
Toen was heel mijn ziel vol strijdlust,
Verweg hoorde ik krijgsgezangen,
't Zwaard des toorns wilde ik zwaaien,
Leugens dooden, 't kwaad verstikken,
Ja, verpletteren heel de wereld!
(heeft zich omgekeerd en kijkt hem aan met helderen blik)
Toen ik leugen wilde en spel;
Wilde winnen, wilde scheppen,
Wat gewin was te verliezen!
Vlogen aan als wilde zwanen,
Hieven mij op breede wieken.
Verweg zag 'k mijn levensbanen,
Als der menschen schuldbedwinger
In het drukke wereldwoelen.
Zag processies' vrome pracht,
Hymnen, wierook, zijden vanen,
Gouden schalen, zegezangen,
't Juublend roepen van zoo velen,
Schittrend om mijn levenstaak.
Alles lag zoo lokkend, rijk;...
Doch het was maar een visioen,
Maar een lichtend vergezicht,
Half in zon- en weerlichtschijn...
En nu sta 'k waar de avond neerdaalt
Lang vóór nog de dag ten eind is,...
Tusschen hoogen berg en fjord,
Afgesloten van de wereld,
Met een enkel streepje hemel,...
Maar 'k sta op geboortegrond.
't Zondagslied is uitgezongen;
Afgezadeld wordt mijn strijdros;
Doch ik zie een hooger doel,
Dan een kamp met 't ridderzwaard,...
Slovend dagwerk, daagsche plicht
Word' tot Zondagswerk geadeld
Maar nu heimlijk, stil verborgen,
Niet in 't openbaar voor allen.
Duidlijk zie 'k nu dat ik dwaalde,
Toen 'k langs dien weg heil verwachtte.
Geen luidruchtig, machtig handlen
Brengt het menschdom tot bekeering.
Eigenschappen, rijk, te ontwikk'len
Baat niet voor zijn zielekwalen.
't Is de wil hier die het doen moet!
Willen doodt of kan bevrijden,
Willen, gansch, in alle dingen,
In het zware, als in het lichte...
(keert zich om naar den kant van het dorp, waarover de avondschaduwen
al beginnen te vallen).
Komt dan mannen, moeizaam schrijdend
Door de donkre enge dalen;...
Nauw vereend in samenwerking
Laat ons 't loutringswerk beproeven,
Halfheid neerslaan, leugen smoren,
Jongen, sterken wil opwekken!
Slaat de hand aan hak of zwaard,
Beide is eervol, mannen waard;
Eén is 't doel,... wij moeten worden
Taaf'len, waarop God kan schrijven.
(Wil weggaan. Ejnar komt hem tegen).
(tegen Agnes)
Of dit somber droefheidsoord!
Denk wat 't oude spreekwoord zegt:
Licht te heffen, zwaar te dragen.
Dragen moet ik tot het einde.
'k Schrijf zoodra ik woorden vind.
Zeilen vlugge schepen uit;...
Als verlangens, droomgedachten,
Jagen, vlieden hooge stevens,
Schuimbesprenkeld, om te landen,
Verweg, in een sprookjesland!
Denk aan mij als waar 'k begraven.
(schudt het hoofd)
(stil)
(komt een stap nader)
Tusschen bergen ingeklemd,
Onder schaduwdak van rotsen,
In der spleten halfnacht-duister,
Zal mijn leven voortaan wezen
Als een sombre winterdag.
Sterren breken door de wolken.
Alles vorder ik of niets.
Als je afwijkt van den weg,
Is je leven als verong'lukt.
Hoop niet mij iets af te dwingen,
Geen toegeeflijkheid voor zonde;...
Kan het leven niet volstaan,
Moet je ook dàt vrijwillig off'ren!
Vlied den man dier sombre leer,
Leef zooals je leven kunt!
Gaan of blijven is de keus.
Kies nu tusschen vrede en zorgen,
Kies nu tusschen nacht en morgen,
Dood of leven zij je keus!
(staat op en zegt langzaam)
Ginds ver schemert morgenrood.
(Zij volgt den weg dien Brand ging).
en gaat den weg die naar de fjord voert weer af).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF
Derde bedrijf
Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie
gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en
ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.
Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.
Je oog zoo angstig naar de fjord...
Drie jaar heb ik nu al vertrouwend
Bericht gewacht, dat nooit nog kwam.
En morgen zoo werd mij gezegd,
Is mooglijk wel haar uur geslagen.
(zacht en liefdevol)
(hoofdschuddend)
Dan heb ik ook geen woord van troost.
In haar afgoderij aankweeken?
(glimlacht)
Je wangen worden smal en bleek;
Je bent te teer voor dit klimaat.
Niets kan gedijen om ons huis,
Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.
Zóó ver reikt al de gletscher nu
Dat hij in 't voorjaar, voortgestuwd
Naar 't dal, over ons dak heenschrijdt,
En ongedeerd ons huis blijft staan,
Als in een welvend waterhol.
En tintlend op den bergrug ginds.
Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.
(kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)
'n Geheimen angst.
Spreek toch! Wat is 't?
Maar neen, dat doet God ons niet aan!
God is toch goed! Mijn kleine vent
Groeit sterk en flink er wel doorheen.
Waar is hij nu?
(kijkt naar binnen)
Hij droomt niet van ellende en smart;
Zijn handje is mollig, dik en rond.
(sluit de deur).
Met jou en hem, kwam vrede en licht,
Verlichtend al mijn daaglijksch werk.
Wat moeilijk was, elk droevig uur,
Werd met je beiden licht en blij.
Bij jou ontviel mij nooit de moed,
En kracht gaf mij zijn kinderspel.
Als martlaar nam 'k mijn roeping op,
Maar zie, hoe 't al zich heeft gekeerd,
Hoe nu 't geluk schijnt op mijn pad...
Je hebt gestreden en ontbeerd,
Geduld, geleden, je afgetobd;
'k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid...
Met jou trok hier de liefde binnen,
Als warme voorjaars-zonneschijn.
Die had ik nooit nog leeren kennen,
Noch vader gaf mij die, noch moeder.
Liefst doofden zij het enkle sprankje
Dat nu en dan uit de asch opglom.
Het was of al de schat van warmte,
Die 'k stil verborgen in mij droeg,
Was opgespaard tot glorieschijn,
Om hem en jou, mijn lieve vrouw!
Die nu tot de onzen hier behooren;
Wie droevig is, in nood verkeert,
Wie lijdt of schreit, 't zij vrouw of kind,
Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,
Door wat hun biedt je rijke ziel.
Van goedheid, zachtheid, bracht je mij.
Geen ziel kan allen liefde geven,
Die niet één enkle liefhad eerst;
'k Moest zóó lang smachten en ontberen,
Dat heel mijn hart werd als een steen...
Je liefkoozing wordt vaak een slag.
Licht was wat jij mij gaf te dragen;...
Maar menigeen, verliet je al,
Om 't: niets of alles, dat je eischt!
Dat wil ik niet en ken ik niet.
Gods liefde ken ik maar alleen,
En die is zoomin week als zacht;
Die is als doodsverschrikking hard,
En als die liefkoost wordt 't een slag.
Welk antwoord gaf God in den hof,
Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:
Neem weg dien drinkbeker, mijn God!
Ontnam hij hem dien smartkelk toen?
Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.
Kan geen enkle ziel bestaan.
Toch staat in vlammend schrift geschreven:
Wees trouw tot de allerlaatste proef,
Geen halfheid wint de levenskroon!
't Is niet genoeg 't angstzweet te voelen,
De vuurproef zelf moet gij doorstaan.
Dat gij 't niet kunt wordt u vergeven,
Maar nimmermeer dat gij niet wilt.
O, hef mij op, dat 'k mét je opstijg;
O, leid mij naar je hooge sferen;
Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.
Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz'len,
En moe en aardtraag sleept mijn voet.
De eisch: geen halfheid laf en slap!
Veroordeeld is àl wat je doet
Als 't half maar is, of voor den schijn.
Tot wet moet deze leer je worden:
Met woorden niet, maar met het leven.
(valt hem om den hals)
Voor twee is er geen rots te steil.
(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining
staan).
Op deze woeste, grauwe rotsen?
O, kom toch binnen!
(loopt naar beneden en opent het hek).
Je weet wel, 'k ben nog altijd boos!
Gaan wonen hier, op zulk een plek,
Waar sneeuw en ijs en winterstorm
Een mensch door ziel en lichaam snijdt...
't Is waar, het ziet er haast naar uit,
't Lijkt waarlijk of je snel verbond
Op hechten, vasten grondslag rust;
Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,
Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.
Kan wekken soms een zomerdag.
Kwam ik over den berg gezwoegd,
Ofschoon ik weet dat er van haar
Geen hongerloontje overschiet.
Maak, als u kan, haar 't sterven licht.
Zoodra 'k in nood geroepen werd.
Ik wacht, en wacht in zieleangst.
Heb ik daar ginder niets te doen.
(tegen Agnes)
Aan zulker harde handen macht!
Als 't voor haar ziel vergifnis bracht!
Vrijwillig al haar schulden op mij.
Wel één de schuld van velen delgen.
Tot over de ooren steekt in schulden.
En meer dan dàt behoeft er niet!
(kijkt hem strak aan)
Staat mooi en duidlijk wel geboekt,...
Maar, Brand, uw conto caritatis
Dat is een onbeschreven blad. (af).
(volgt hem een oogenblik met de oogen)
In leugens, als men 't liefde doet;...
Dat leggen zij met Satanslist
Als sluier over slappen wil;
Bedrieglijk dekken zij daarmee
Hun wuft en ijdel levensspel;
Is smal het pad en glad en steil,
In liefde wordt u dat verkort;
Gaat men den breeden zonde-weg
Blijft hoop op liefde toch bestaan,...
Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd...
Door liefde wordt 't toch nog bereikt;
En dwaalt gij, beter wetend toch,...
In liefde vindt ge een toevluchtsoord!
Mij vaak afvragen: is het zoo?
Voldoet den dorst der wet naar recht.
Eerst willen moet je, niet alleen
Wat mooglijk is in 't groot en 't klein,
Niet enkel waar er aan de daad
Veel moeite vast is en bezwaar,...
Neen, willen moet men sterk en blij,
Door allen schrik en angsten heen.
Niet dàt is martlaarschap, in pijn
Aan 't kruishout stervend te vergaan,
Maar 't willen van dien dood aan 't kruis,
Te willen al dien angst en nood,
Te willen al die zielepijn,
Dat eerst brengt je verlossing aan.
(vlijt zich dicht tegen hem aan)
O spreek dàn, jij, mijn sterke man!
Komt dan der liefde heerlijkheid,
Dan daalt zij neer als witte duif
Met een olijftak, levensboô.
Maar hier, bij 't slappe, lakse volk,
Is de allerbeste liefde haat! (verschrikt).
Haat! Haat! Een wereldstrijd te willen
Ligt in dit ééne korte woordje!
(gaat haastig het huis binnen).
(kijkt door de open deur)
En wiegelt 't hoofd als schreide hij;
Hij drukt zich tegen 't bedje aan
Als iemand die geen uitkomst weet...
O, wat een schat van liefde woont
Er in die sterke manneziel!
Alf heeft hij lief, dat màg, want 't kind
Is nog door zonde niet besmet. (ontzet opspringend).
Op springt hij... wringt de handen... O!
Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!
(buiten op de trap)
(kijkt achterom in het huis)
Zijn slapen kloppen, polsen jagen...!
Niet bang zijn, kind!
Daar zie ik iemand!
(door het tuinhek)
Wat is je boodschap?
Zij zat in bed op, boog voorover
En zei: ga nu den priester halen;
Mijn half bezit is voor de kerk
(terugwijkend)
(hoofdschuddend)
'k Mijn boodschap niet goed overbrengen.
Zei zij dat woord. 'k Vergis mij niet.
(grijpt zijn arm)
Voor God, dat zij die woorden zei?
(vast)
Geen priester komt, geen sacrament.
(kijkt hem onzeker aan)
't Is van uw moeder dat ik kom.
Voor vreemden of voor eigen volk.
't Was alles offeren of niets.
Toch evenzeer een afgod blijft.
Breng 'k haar dit geeslend antwoord over.
Haar blijft tot troost dit ééne dan:
Dat God niet zóó hard is als u! (af).
Zijn pestlucht door de wereld heen.
Met jammerklacht van ach en wee
Snoert men den rechter dan den mond.
Natuurlijk! Zoo behoort het ook!
Men kent hem immers al zoo lang;...
Men weet zoo goed hoe te allen tijd
Den oude zich beknibb'len laat.
(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen
samen terug).
Geen priester en geen sacrament.
(knijpt de handen samen)
Eén maat voor eigen volk en vreemden.
Kom, zend haar een verzoenend woord.
(tegen den eerste)
Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.
(De mannen gaan heen).
(vlijt zich tegen hem aan)
Je gloeit als 't vlammend zwaard van God.
(met tranen in zijn stem)
Vijandig tegenover mij,
En wondt mijn ziel ten bloede toe
Met al haar koppig, laks verzet?
En zie of iemand kan voldoen.
Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,
Is 't heele menschdom tegenwoordig.
Vermaakt iemand bij wilsbeschikking
Doch ongenoemd, zijn geld en goed,
Men prijst hem daadlijk hemelhoog.
Neem weg den naam van menig held,
Laat hem alleen wat hij volbracht,
Doe keizers, vorsten 't zelfde aan
En zie wat er dan overblijft.
Laat 'n dichter uit hun kooitje heimlijk
Zijn schoonheidsvogels laten glippen,
Dat niemand denk' dat hij hun gaf
Een stem en gulden veerendos...
Grijp groenen of wel dorren tak:
Opoff'ring vindt men bij geen een.
Door alles heen 't aardslaafsche denken;...
Elk klampt in wilden angst zich vast
Aan 't zwakke rankje van zijn leven.
Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt...
Klauwt hij met nagels zich nog vast.
Roep je nog toe; het al of niets!
Wie 't diepste viel, moet 't hoogste stijgen...
(zwijgt even; met veranderde stem).
Den eisch stel om zich op te heffen,
Is 't mij als of ik op de golven
In stormweer ronddreef op een wrak.
Stil schreiend beet ik heimlijk vaak
Mijn tong stuk, die kastijden moest,...
En hief tot slaan ik soms den arm,
Naar een omhelzing snakt mijn ziel!...
Ga nu eens kijken naar den kleine;
Zing zoete droomen in zijn slaap;
Een kinderziel is klaar en rein
Als 't meer in zomerzonneschijn;
Een moeder kan daarover strijken
Als 'n vogel, die in lichten vlucht,
Zich spiegelt in zijn diepste diep.
(bleek)
Waarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?
(omarmt haar)
(kijkt hem helder aan, en zegt:)
(gaat het huis in).
(kijkt stil voor zich uit)
Leert "Abrams offer" van weleer.
(schudt die gedachte van zich af).
'k Deed afstand van mijn levensdroom,
Om als de rommelende donder
De slapers hier op aard' te wekken.
Neen! Daarin lag geen offer meer:
't Viel weg toen over was de droom,
'k Door Agnes werd gewekt--om mét mij
Te werken samen in 't verborgen.
(kijkt uit over den weg).
Eer zij tot boete-doen besluit,
Dat alle schuld te niet zou doen,
Al 't kwaad uitdelgen van haar ziel!
Wacht!... Neen, het is de baljuw maar,
Welwillend, luchtig, rond, gezond,
De handen in zijn beide zakken,
Als haakjes om een parenthees.
(door het tuinhek)
En 'k kom misschien wel ongelegen...
(wijst op het huis)
En als mijn woord maar ingang vindt,
Dan denk ik stellig dat het ook
Wel voor ons beiden goed zal zijn.
Naar ik verneem, haast stervend zijn;...
Dat doet mij leed.
Wij gaan toch allemaal dien weg,
En daar 'k nu juist voorbij hier kwam,
Dacht ik zoo: 'k kon wel even gaan
Om 'n enkel woord met u te spreken.
Om kort te gaan, ik heb vernomen
Dat u met haar, sinds u hier kwam,
Geleefd heeft in oneenigheid...
Erg vasthoudt aan haar eigendom.
Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.
Men wil toch elk zijn eigen voordeel.
Zij is in 't onverdeeld bezit
Van heel uw vaderlijke erfdeel...
En daar ik wel vermoeden kan
Dat u haar einde naadren ziet
Met groote kalmte van gemoed,
Wil 'k hopen dat u zonder wrok
Mij hooren wil, zij dan de tijd ook
Niet erg geschikt.
Dat komt voor mij op 't zelfde neer.
Zoodra uw moeder dood zal zijn,
En rustig slaapt onder den grond,...
En 't duurt niet lang meer... wordt u rijk...
In alle hoeken heeft zij grond,
Zoo ver 't gewapend oog kan kijken.
Ik zeg u, rijk!
(glimlacht)
Waar vele erfgenamen zijn:
Maar hier wordt niemands deel bedreigd.
En van haar goed zijn erfdeel vroeg,
En zei: mij komt het rechtens toe?
Ja, kijk mij nu maar aan... geen mensch
Heeft 'n enkel woord hierin te spreken;
Vertrouw mij maar; 'k ben op de hoogte.
Zoo is 't dus; u wordt welgesteld,
Een rijk man zelfs; in dezen uithoek
Hoeft u dus waarlijk niet te blijven;
Voor u staat open 't heele land.
In 't kort niet dit: trek elders heen?
Voor iedereen. Als u aandachtig
De menschen gâ slaat, voor wie u
De tolk is van Gods heilig woord,
Moet u toch zien, hoe u hier tusschen
Past als een wolf in een troep ganzen.
Begrijp mij goed! U heeft de gaven
Om nut te stichten in het groot.
Maar voor dit volk van bergbewoners,
Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,
Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.
Voor een man 't geboortedorp;...
Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,
Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.
Met 's lands behoefte mee te gaan.
Niet zoo, als in 't benauwde dorp.
Niet voor de arme dalbewoners.
Van bergen en het lage land!
U wil de rechten van den rijke,
Maar aan zijn plichten u onttrekken;
En denkt, als u maar hardop roept:
Wij zijn maar arm! dan is 't genoeg.
En elk geslacht heeft eigen plicht.
Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfje
Tot der geschiedenis groote kas.
Dat was, natuurlijk, lang geleden;
Maar zoo héél klein was 't scherfje niet.
Nu is het dorp maar onbeduidend,
Toch leeft zijn roem in sagen voort;
Zijn vroegre grootheidsdagen vallen
In koning Beles' levenstijd;...
Nog hoort men menigmalen noemen
De dappre broeders Wolf en Thor;
Met vele wakkre mannen, die
Naar Bretlands kust heentogen om
Al plundrend af te loopen 't land.
Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,
God, help ons tegen hun geweld!
En die geweldnaars waren toch
Ontwijfelbaar echt, lui van hier.
En hoe zij zich dan konden wreken
Met moord en doodslag, brand en plundring!
Ja, één is er, van wien de sage
Vertelt dat hij ten kruistocht wou;...
Doch dat hij uittoog meldt men niet...
Een heele bende zoons?
Maar hoe weet u...?
Die heldentroep bekend voorkomt,
Belofte-helden van het heden,
Die ook zoo'n kruistocht ondernemen.
Maar bij vorst Beles waren wij!
Eerst dus geraasd in 't vreemde land;
Toen brachten wij aan bloedverwant
En buur, met bijlslagen bezoek.
Het veld vertrapt, de oogst verwoest,
In brand gestoken kerk en huis,
Zoo vlochten we ons een heldenkrans.
Op al het toen vergoten bloed
Werd later wel wat veel gesnoefd.
Maar, na wat ik nu heb gezegd
Geloof ik, met bescheidenheid,
Op onze macht te mogen wijzen
In heldentijden, lang geleden
En zeggen dat ons dorp eertijds
Zijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,
Tot der ontwikling worstelstrijd.
Aan 't woord: dat adeldom verplicht,...
Alsof met egge, hak en ploeg
U Beles' erfgoed stil begraaft.
Bij een gemeentelijk diné,
Waar ik, de koster en de rechter
Op eereplaatsen mee aanzitten.
Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,
Dat Beles nog niet is vergeten.
Met klinken, heildronken, gezang,
In toasten kort en toasten lang,
Gedenkt men hem, laat men hem leven.
Ik zelf heb vaak den drang gevoeld
In mij, om van gedachtenspinsel
Voor hem te weven 'n bloemrijk kleed,
En dat heeft menigeen gesticht.
Ik houd wel van wat poëzie.
Dat doen wij trouwens allemaal
Hier in ons dorp;... doch steeds met mate...
Het leven mag die nooit beheerschen,...
Alleen zoo tusschen acht en tien
Uur 's avonds, als men moe van 't werk,
En vrij weer van de daagsche taak,
Naar wat verheffing wel verlangt.
Wat u van ons verschillen doet
Is dat u ploegen wil en maaien
Terzelfder stond, en met geweld.
U wil, zoo meen ik te begrijpen,
Dat één zijn zal idee en leven,...
U wil, met 't zwoegend land-bebouwen
Den strijd voor God vereenigd zien,
Zóó innig één, als kool, salpeter,
En zwavel zich tot kruit vereent.
In wijder kringen gaat dat beter;...
Ga daarheen met uw hooge eischen
En laat ons land en zee beploegen.
Uw pralen op den roem der vaad'ren;
Een dwerg wordt er niet grooter door
Of hij al stamt van Goliath.
Maar u gebruikt hun graf alleen
Om eigen traagheid te verstoppen.
U deed het best met heen te gaan.
Hier zal uw arbeid niet gedijen;
Uw levensleer wordt niet begrepen.
Verheffing, die soms noodig zijn kan,
Het beetje troost dat hij behoeft,
Die dag aan dag in arbeid zwoegt,
Zal ik hun voortaan trouw bezorgen.
Gedurende mijn heele loopbaan
Hier, deed ik steeds mijn plicht;
Het volksaantal is ruim verdubbeld,
Ja, het staat haast als drie tot een,...
Terwijl ik meer dan één bedrijf
Aan deze fjord-streek heb verbonden.
In strijd altijd met 't ruw klimaat,
Zijn we als met stoom vooruit gegaan:...
Hier loopt een weg, daar ligt een brug..
Dat men elkaar bereiken kan,...
Daarover waren allen 't eens
Eer u, als leeraar, hierheen kwam.
U heeft in ons vaal schemerlicht
Een Noorderlichtschijn hel doen flikk'ren;
Wie kan in 't valsche licht nu zien
Wat er verkeerd is en wat goed,
Wat straf is, en wat boete of smart?
U heeft het àl dooreen gehaspeld;
En 't volk, dat één, moest overwinnen,
Gesplitst in twee vijand'ge kampen.
Men kiest de plaats niet voor zijn werk.
Hij, die zijn doel voor oogen heeft
Zag eens in vuur'ge letters staan,
Het Godswoord: hier is uwe plaats!
Ik zie u graag de menschen zuivren
Van zonde en kwaad, als voorkomt hier;
God weet dat 't dikwijls noodig is!
Maar maak van iedren arbeidsdag
Geen Zondag,... en vertoon geen vlag
Alsof God zelf was mee aan boord
Op ieder jacht in onze fjord.
Zou ik mijn ziel moeten verzaken.
Maar 't geldt hier juist zich zelf te wezen,
Zijn eigen roeping te volbrengen,
En dat zal 'k doen ten einde toe,
Dat om mijn huis een lichtschijn straal!
Dit volk, dat ingedommeld is
Door uw bestuur, wek ik weer op!
Al lang is hem, door nood en dwang,
Zijn laatste oerkracht afgekweld;
Uit uwer kleinheid hongerkuur
Komt elk te voorschijn mat en slap;
Zijn beste bloed is afgetapt,
Het merg geschraapt hem uit zijn moed;
Aan flarden iedre ziel gescheurd,
Die pal als brons had moeten staan;
Maar nog kan wel een oproerskreet
U in de ooren dondren: strijd!
Zal u als eerste offer vallen!
Dat nederlaag hier zege was!
Zet alles niet op ééne kaart.
Dan is uw leven ook verwoest.
U heeft al wat u kan begeeren,
Is de erve van een rijke moeder,
U heeft een kind om voor te leven,
Een lieve vrouw;... geluk en vreugde
Wordt u met milde hand gereikt!
Aan wat u noemt geluk en vreugde?
Als ik nu moet?
Als u, in dezen uithoek hier,
Uw wereldstrijd beginnen wil.
Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,
Waar 'n man geheel zich zelf kan wezen.
Dáár kan uw licht u laten schijnen
En de gemeente laten bloeden;
Ons offer is geen bloed, maar zweet,
In broodstrijd tusschen rots en ijs.
En van mijn thuis uit voer ik strijd.
En allermeest wat u laat varen!
(glimlacht)
(kijkt hem na)
Rechtschapen denkend, heel welwillend,
Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk...
En toch een geesel voor zijn land.
Geen aardverschuiving, storm of vloed,
Geen hongersnood, geen vorst of pest,
Bewerkt er half het ongeluk
Als zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.
Die rampen deren maar het leven;...
Maar hij...! Hoeveel blijmoedig willen,
Hoeveel gedachten dooft hij uit,
Hoe menig krachtig lied versmoort er
Door zulk benauwd, kleinzielig doen!
Hoe menig glimlach om de lippen,
Hoe menig lichtstraal in een ziel,
Hoeveel verheffings-vreugd en smart,
Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!
(plotseling angstig).
Ja, de dokter! (snelt hem te gemoet).
Mijn moeder? Spreek!
Zij hing aan 't hare hier op aard'
Totdat het uur van scheiden sloeg.
(kijkt stil bewogen voor zich uit)
Niet volgens recht, maar bij genade.
(zacht)
God is zóó hard niet als mijn zoon!
(zinkt in droefheid neer op de bank)
Klampt aan die leugen elk zich vast!
(verbergt zijn gezicht in de handen).
(komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd)
In alles weer herleven doen.
U g'looft nog dat 't aloud verbond
Van God en menschen nog bestaat;...
Maar elk geslacht heeft eigen wijs;
Het ònze vreest niet meer de hel,
Verdoemenis en bakerpraat;...
Het hoofdgebod is: wees humaan!
(kijkt op)
Klinkt door de heele wereld heen!
Daarmee slaat iedre hals je dood
Als hij niet durft, of kan of wil;
Daarmee omhult zich iedre stumper
Als hij niet alles durft te wagen;
Daardoor beschermd verbreekt men thans
Iedre gelofte alras betreurd;...
Gij dwergenzielen maakt ten slot
Van ieder mensch een humanist!
Was jegens Christus God humaan?
Had toen uw God ook geregeerd
Waar' Jezus niet aan 't kruis genageld....
En heel 't verzoeningswerk werd dan
Een handig diplomatenstukje!
(verbergt het hoofd en zit neer in stomme smart).
(zacht)
Het beste waar' dat je kon schreien.
AGNES (is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij
tegen den dokter).
Och toe! Kom mee!
Wat is er kind?
Sloeg mij zoo even om het hart...!
(trekt hem mee)
(zij gaan het huis in; Brand bemerkt het niet).
(stil in zich zelf)
Is dat geen vingerwijzing Gods?
Van mij wil hij den tol nu heffen,
Dien zij verzuimd heeft te betalen;...
Nu driewerf wee mij, als ik wijk! (staat op).
Onwankelbaar van nu af aan,
Als uitverkoren strijder kampen,
Dat geest verwinnen moog' het vleesch.
God gaf mijn tong de kracht van 't woord,
Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;...
Nu sta ik in mijn volle macht,
Nu durf, nu kan ik rotsen breken!
(gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept)
(ontzet)
Welk spook bedreigt mijn kind! (wil het huis in).
Hier is geen licht, hier is geen zon,
De lucht is scherp als Noordpoolwind,...
Hier hangt een nevel klam en zwaar;...
Eén winter nog op deze plek
En 't teere leven is verwelkt.
Vertrek, dan is uw kind gered;
Maar doe het gauw, liefst morgen al.
O, hij wordt sterk weer en gezond;...
Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,
Zal meer zijn borstje kwellen hier.
Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!
Dan vluchten wij in aller ijl!
O, Agnes, 't is de dood die spint
Zijn valen sluier om ons kind!
Toch waande ik het niet zoo nabij.
(tegen den dokter)
Wordt welbewaakt, loopt geen gevaar.
Wijd u aan hem, en vrees maar niet,
Dra wordt hij weer gezond en frisch.
Pak hem vooral goed in;
De avondwind waait langs de fjord.
(Agnes gaat het huis in).
binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder,
en zegt:)
Voor 't arme menschdom onbarmhartig,
En voor zichzelf zoo heel teerhartig!
Voor andren geldt niet veel of weinig,...
Alleen het alles dan, of niets;
Maar eigen moed is ras geweken,
Zoodra het lot als offerlam
Zijn eigen schat heeft aangewezen.
Heeft u uw moeder toegebulderd,
Verdoemd, als alles zij niet gaf,
Als naakt zij niet daalde af in 't graf.
En 't zelfde woord klonk menigmaal
Waar veel en diep geleden werd!
Nú drijft uw eigen boot in storm
Op noodlotsgolven rond in zee,
Nu werpt van de omgeslagen kiel
U snel den schuldbrief over boord,...
Weg, over boord, het zware boek,
Waarmee u zelf de broeders sloeg;
Nu is de zaak, in stijve bries
Te zoeken heil voor eigen telg.
Snel weg van hier, van storm en fjord,...
Snel weg zelfs van uw moeders lijk,...
Snel weg van zielezorg en werk;...
Nu staakt de priester zijn bedrijf!...
BRAND (grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten
te verzamelen).
Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?
Denk niet dat 'k afkeur wat u doet;...
Voor mij is u, gebroken nu,
Veel grooter dan de sterke held...
Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;
Kijk er eens in, en zucht: mijn God,
Zoo ziet een Godsgetuige er uit! (af).
(staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit)
(Agnes komt de deur uit met een mantel om de schouders en het kind
op haar arm; Brand ziet haar niet. Zij wil spreken maar blijft als
verlamd van schrik staan, als zij de uitdrukking van zijn gezicht
ziet. Op hetzelfde oogenblik komt er een man haastig door het tuinhek
binnen. De zon gaat onder).
(drukt de handen op zijn borst)
Al vruchtbaar werd uw werken hier,
Tot hij 't vergiftigde met praatjes!
Al dikwijls heeft hij uitgestrooid
Dat gauw uw huis wel leeg zou staan,...
Zei dat u ons zou gaan verlaten,
Zoodra uw rijke moeder stierf.
En weet waarom hij dat vertelt;
U staat toch tegenover hem,
Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen...
Dàt is de reden van zijn wrok...
(weifelend)
Dat God zelf u verkoren had
Om hier te wonen onder ons;
Dat u uw strijd hier voeren zou,
Dat niemand mag zijn taak verzaken,
Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?
Die taak is de uwe! Warm en licht
Gloort al uw vuur in menig borst.
Haast ieders ziel is dof en loom!
Breekt hier in meen'ge ziel al door.
Doch laat het wezen zoo het wil;
Het komt hier niet op tellen aan;
Want hier sta ik, een eenig man,
En zeg: ga heen dan als u kan!
Mijn ziel is vol, al weet ik weinig
Van alles wat staat in de boeken,
U heeft uit 't niet mij opgeheven,...
Zie of u nu mij los mag laten!
U kan het niet; ik houd u vast;
'k Verloor mijn ziel, gaf 'k prijs mijn greep!...
Vaarwel! 'k Verwacht getroost 't bericht!
Noch u, noch uw God laat mij los! (af).
(schuchter)
Alsof je pijn hadt in je ziel.
Slaat als een echo nu terug.
(komt een stap nader)
(met kracht)
(Gerd loopt voorbij op den weg en blijft bij den tuinmuur staan).
(klapt in de handen en roept wild en blij:)
Uit de bergen, op de rotsen
Wemelt het van bergkabouters,
Zwarte, woeste, groot en klein,...
Hoeh, wat sloeg de bende d'r op...!
Rukten de oogen mij haast uit,
Half mijn ziel viel hun ten buit;...
Och, 'k kan 't met de helft wel stellen
'k Heb van 't wrak genoeg nog over!
Dat ik hier vlak vóór je sta?
Van den Zwarten Top mijn havik
Vloog rechtuit, de helling langs,
Boos en wild, met tuig en zadel,
Sneed hij blazend d'ochtendwind;
En een man zat op zijn rug...
Dat was hij, dat was de priester!
Nu staat leeg de kerk van 't dorp,
't Slot dicht en de boom er voor.
't Is gedaan met 't nare kerkje,
En nu komt mijn kerk tot eere,
Waar mijn priester preekt en zingt,
Sterk en groot, in 't witte miskleed
Door den wintervorst geweven;...
Wil je 'm zien? Kom dan maar mee,
Woorden spreekt mijn priester, die
Klinken heel de wereld door!
Met verdwaasde afgoderijen?
(komt het tuinhek in)
'n Afgod? O, ik weet het al;
Somtijds groot en somtijds klein;
Altijd goud en mooi en kleurig.
'n Afgod! Hoor eens, zie je háár daar?
Kan je onder 't kleed herkennen
Kinderhandjes, kinderbeenen?
Zie je niet hoe mooi en kleurig
Al die windsels iets omhullen?
't Lijkt een kind dat rustig slaapt,
Angstig wijkt zij... dekt het toe!
'n Afgod? Man, dàt is een afgod!
(tegen Brand)
Angst heeft 't àl bij mij verjaagd!
Dat een hoogre macht haar zond!
Boven op den wilden top!
Kijk eens wat een troep daar heen trekt,
Naar mijn kerk in 't ijsgewelf!
Zie je wel al die kabouters,
Die de priester joeg in zee?
Zie je wel die dwergen allen,
Die tot nu begraven lagen?
En den steen had hij verzegeld.
Zee noch graf kan hen meer houden,
Zie ze koud en kil krioelen;...
Kindren, schijndood, zie ik schreien,
Van zich wentlen rotssteenblokken.
Vader! Moeder! schreeuwen zij!
Mannen, vrouwen schieten toe.
Kijk, de dorper loopt in 't midden
Van een heelen stoet van zonen;
En zijn vrouw legt 't doode kindje
Aan haar borst om het te laven;...
Nooit nog droeg zoo hoog zij 't hoofd
Toen zij hield het kind ten doop.
Priester weg... toen kwam er leven!
Erger spoken...
Hij, die aan den weg daar zit,
Hij, die opstijgt naar den top,
En hij schrijft er in zijn boek
Iedre ziel die opwaarts toog;...
Ha, hij heeft ze bijna allen;
't Kerkje staat ginds immers leeg,
't Slot dicht en de boom er voor,...
Op den havik vlood de priester!
(springt over het tuinmuurtje en verdwijnt tusschen de rotsen).
(een stilte).
(komt nader en zegt gedempt:)
(staart haar aan)
Daar?... of daar?
(wijkt verschrikt achteruit)
(volgt haar)
Zeg mij, dienaar Gods of vader?
(wijkt verder terug)
Beslissen zal ik nimmermeer!
(volgt haar weer)
Jij hebt hier het laatste woord!
Zal 'k gehoorzaam zijn en buigen.
(wil haar arm grijpen)
(wijkt achter den boom)
(met kracht)
En nu moet jij ook zeggen
't Woord van leven of van dood!
(Pauze).
(toonloos)
(zwijgt)
(wijst naar het tuinhek en vraagt)
(wijst naar de huisdeur)
(heft het kind in haar armen hoog omhoog)
Hef ik trotsch ten hemel op!
Leid mij nu door 's levens nacht! (gaat naar binnen).
BRAND (staart een poos voor zich uit, barst in tranen uit, slaat de
handen boven zijn hoofd in elkaar, laat zich op de trap neervallen
en roept uit:)
Jezus! Jezus! Geef mij licht!
EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF
Vierde bedrijf
Kerstavond in de pastorie. De kamer is donker. Deur in den
achtergrond. Aan den éénen kant een raam, aan den anderen een deur.
Agnes, in het zwart gekleed, staat bij het raam en kijkt uit in
de duisternis.
O, hoe zwaar is het te wachten,...
't Om hem roepend zielsverlangen
Te doen zwijgen, zonder antwoord!
Zacht en dicht valt stil de sneeuw,
Heeft als met een kleed van dons
Wit omhuld het oude kerkje... (luistert).
Wacht! Daar hoor ik 't grind toch knarsen!
Vaste stappen; 'n mannestap;
(snelt naar de deur en maakt die open).
(Brand komt binnen, besneeuwd, in reisjas, die hij onder het volgende
aflegt).
(slaat de armen om hem heen)
Niet meer weg gaan! Niet meer weg gaan!
Ben 'k alleen dan kan 'k de zwarte
Sombre spoken niet ontkomen!
Wat een nachten, wat een dagen
Zijn die twee voor mij geweest!
een zwak schijnsel in de kamer werpt).
Je bent bleek.
'k Heb verlangd en uitgekeken...
En wat groen bijeen gebonden,...
'n Beetje! wat ik zelf gekweekt heb,
En bewaard nog, van den zomer,
Om den kerstboom te versieren.
't Struikje was voor hem bestemd;
En hij kreeg 't dan ook... als krans! (barst in tranen uit).
Kijk, nu ligt de sneeuw al hoog op
Hem... o God...
Heel mijn ziel is nog als bloedend
Van een pas geslagen wond,
Al mijn kracht van wil verzwond;...
O, het zal wel beter worden;
Als deez' dagen maar voorbij zijn
Zal je nooit meer klachten hooren.
Denk toch hoe 't verleden jaar was,
En van 't jaar al weg gedragen...
Naar het... (huivert om het woord uit te spreken).
(vast)
(met een kreet)
Moet ik 't noemen als je 't vreest!
Noemen moet ik 't, dat het klinke
Als een golfslag tegen 't hout!
Lijdt je onder 't wreede woord;
Op je voorhoofd zie 'k de sporen
Van het zweet dat het je kost.
Zijn maar schuim van 't zilte water.
'n Sneeuwvlok, dalend van de hoogte?
Neen, o neen, die is te warm;
Je eigen boezem is de bron!
Sterk zijn, strijden tegen 't leed,
Met vereende krachten trachten
Te overwinnen, langzaam aan.
O, ik was een man ginds buiten!
't Water sloeg over de klippen,
Angstig dook de zeemeeuw onder,
Hagel teisterde mijn bootje,
Joeg ons voort in 't ziedend water,
Mast en touwwerk kraakten fluitend,
Fokzeil scheurde aan flarden, woei
Ver in 't schuim weg van de vaargeul,
Iedre spijker kraste en knarste;...
Telkens donderden lawinen
Van de hoogte, aan beide kanten;
Roerloos zat het achttal mannen,
Riemen stil, als lijken vóór mij.
O, toen voelde ik mij weer groeien,
Ik was 't die aan 't roer bevel gaf,
'k Voelde dat God zelf mij wijdde
Tot mijn werk, het duurgekochte.
Licht te strijden in gevaar;
O, maar denk aan mij, die hier zit
Stil, met droef heids treurig kweelen,
Die niet weet den tijd te dooden
Of ik 't nog zoo graag ook wil;
Denk aan mij, van strijd verstoken,
Door geen daden aangevuurd;
Denk aan mij, wie maar een simple,
Kleine taak is opgelegd;
Denk aan mij: 'k kan niet vergeten,
Zit alleen... mag niet herdenken!
Nooit was die zoo groot als nu.
Hoor, ik zal je eens iets zeggen
Dat in smart mij overkwam.
Dikwijls wordt mijn oog beneveld,
Stil mijn denken, zacht mijn ziel.
Dan is 't of er schuilde vreugde
In te kunnen schreien, schreien.
Agnes,... kijk dan zie ik God
Zoo nabij, als nooit te voren,...
Zoo nabij, dat het mij schijnt
Of ik rechtstreeks hem kon naadren.
En ik smacht om mij te werpen
Aan zijn boezem, als zijn kind;
Om mij vast omkneld te voelen
Door zijn sterken vaderarm.
Als de God je zoo nabij...
Minder Heer, maar meer als Vader!
Voor zijn eigen werk den weg;
Ik moet groot hem zien en sterk.
Reuzengroot... dat eischt het heden,
Juist omdat het zelf zoo klein is.
O, maar jij kunt hem zoo zien,
Als een vader zacht en teer,
In zijn arm je hoofd neervlijen,
Rusten, rusten, ben je moe,
En verlicht weer van hem gaan,
Met zijn glans nog in je oogen,...
Breng tot mij zijn glorieschijn
Waar ik lijdend, strijdend sta.
Zie je, Agnes, zóo te deelen
Is de kern van 't ware huwlijk;
De één moet strijden, zich verweren,
De andre alle wonden heelen;
Dàn eerst kan met volle recht
't Heeten dat de twee zijn één.
Sedert jij het wereldsch leven
Opgaf, om mijn vrouw te worden,
Je eigen leven vrij te leven,
Rust er op jou deze taak;
Ik moet strijden, of 'k ook val;
Op ten kamp, in zonnehitte,
Staan op wacht in nacht en koude,...
Jij moet reiken mij den vollen
Liefdebeker, laafnis biedend,
Hullen mij in teerheid zacht
Onder 't pantser, als een vacht;...
O, je taak is géén geringe!
Is te zwaar voor mijne krachten;
Al mijn denken, al mijn zinnen
Trekt zich samen om dat eéne.
Alles is nog als een droom.
Laat mij klagen, laat mij schreien.
Help mij zoo om weer te vinden
En mij zelf, èn ook mijn plicht...
Brand, van nacht toen ik alleen was
Kwam hij in mijn kamer hier;
Frisch en blozend was zijn wang;
Luchtig in zijn dunne kleedje
Kwam hij aangetrippeld daar,
Naar mijn bed, waarop ik rustte;
Strekte naar mij uit zijn armpjes;
Riep zijn moeder met een lachje,...
Maar alsof hij smeekte om warmte!
Ja, ik zag het! 'k Rilde er van!
Och, dat moet ook wel daar buiten,
Op die koude planken liggend!
't Kind zelf steeg op naar den hemel.
(wijkt terug)
Onbarmhartig, onmeedoogend!
Dat, wat ruw jij 't lijk noemt, is nog
Altijd voor mijn hart mijn kind.
Ziel en lichaam vielen beiden,
En ik kan niet, zooals jij,
Van elkaar die beiden scheiden;
Eén zijn deze twee te zamen;
Alf, daar onder 't sneeuwdek slapend,
Is mijn Alf ook van daarboven!
Eer je smart genezen zal.
Leid mij zacht, maar wil niet drijven.
Sta mij bij en steun mij, Brand!
Zeg de dingen zacht, als 't kan!
Jij, die als Gods donder spreekt soms
In een hooge, plechtige ure,
Als een ziel zelf aan moet dragen
Steenen voor zijn levenskroon,...
Heb jij ook geen zachte tonen
Om het scherpe leed te dooven?
Met een enkel woord dat opwekt,
Een, dat wijst naar lichter dagen?
God, dien jij mij leerde kennen,
Is een koning in zijn burcht;
Hoe zou ik hem durven naadren
Met mijn kleine moedersmart?
Tot den God, dien je eertijds kende?
En toch is het vaak, alsof ik
Een verlangen voel, daarheen,
Waar het licht is, waar de zon schijnt,
"Licht te heffen, zwaar te houden",
Klonk niet zoo de oude leuze?
Al te groot zijn mij je rijken,
Alles is mij hier te groot,
Jij, je werk, je doel, je wezen,
Al je willen, al je doen,
't Overhangend, rotsgevaarte,
En het àl afsluitend water,
Winterduister, strijd en droefheid,...
't Kerkje alleen is veel te klein.
(getroffen)
Zweeft die thans hier in de lucht?
Hoe te klein?
(schudt droevig het hoofd)
Naar een reden, met verstand.
Komt niet stemming over iemand
Als een geur'ge ademtocht?
Waar van daan? En waarheen gaat ze?
't Is genoeg dat 'k haar gewaar word.
En ik weet en voel het duidlijk...
Veel te klein is hier ons kerkje.
Al zoovelen die 'k ontmoette
Waren vol van die gedachte;
Zelfs bij haar, die half waanzinnig
Rondloopt, stond die ook geschreven,
"'t Is benauwd daar, want 't is klein"
Klonk het; ook zij kon geen reden
Vinden voor wat zij er voelde.
Tal van vrouwen zeiden later:
Veel te klein is onze dorpskerk!
Deze klacht uit vrouwenmonden
Op behoefte aan ruimte wijst...
Agnes,... o, ik zie 't zoo goed,
Jij bent van God uitverkoren
Tot een engel op mijn pad;...
Stil en zeker, in den blinde
Weet je juist den weg te vinden,
Waar 'k alléén het spoor verlies.
Nooit kon dwaallichtschijn je lokken;
D'eersten dag heb je al gewezen
Waar mijn ware rijk moest liggen,...
Hield terug mij, die wou stijgen
Hoog naar 't blauwe luchtgewelf;
Deed mij kijken in mij zelf,
Diep, in 't diepste van mijn wezen...
Agnes, weer heb je gezegd
't Woord dat insloeg als een flits,...
Mij geleid, waar 'k dwalend ging,
Op mijn werk het licht doen vallen.
Klein maar is des Heeren kerk hier;...
Goed; dan maken wij die groot!
Nooit zag ik zoo duidelijk nog
Wat mijn Schepper me in jou gaf.
Daarom smeek ik, net als jij:
Ga niet van mij weg, ik bid je!
'k Zal mijn tranen drogen nu,
'k Zal al mijn herinneringen
Sluiten als in 't donker graf;
En vergeten, als een zee,
Zal er stroomen overheen;
Ik zal ieder spoor uitwisschen
Van mijn eens gedroomde wereld,
Vrouw zijn voor jou, en niets meer.
Dat den goeden wil hij aanneemt,
Ook waar soms de kracht ontbreekt. (wil gaan).
(glimlacht)
'k Niet verzuimen, heden 't minst.
't Vorig jaar, je weet nog wel,
Zei je dat ik was verkwistend.
't Licht was op in alle luchters;
Groen was 't hier, en speelgoed hangend,
Met nog meer moois, aan den kerstboom;
Hier klonk blij gezang en lachen.
Brand, ook nu zal 'k weer ontsteken
Alle lichten voor den feestdag;
Worden zal 't zoo mooi als 't kan,
Voor het plechtig stille feest,
Gluurt dan God de kamer in,
Zal hij zien gestrafte kindren,
Die deemoedig en gedwee,
Volgzaam weten en begrijpen
Dat zij, moog' hun vader toornen,
Niet zijn feest verzuimen mogen....
Zie je nu nog iets van tranen?
(drukt haar aan zijn hart en laat haar dan weer los)
(glimlacht droevig)
Doe het gauw... nog vóór de lente! (Af.)
(kijkt haar na)
Midden in het vuur der pijn;
Zinkt haar kracht, ontvliedt de geest haar,
Wil zij 't offer brengen toch.
Heer o sterk haar, geef haar kracht!
En onthef mij van de opdracht
Haar door bittre wetsbetrachting,
Als door hongrig woeste gieren
't Warme bloed doen uit te zuigen,
Van 't gemarteld moederhart.
Ik ben krachtig, ik heb moed;
Leg op mij den last voor beiden,...
Wees voor haar alléén barmhartig!
(Er wordt geklopt aan de gangdeur. De Baljuw komt binnen).
U weet wel, toen ik van den zomer
U drijven wilde uit het land,
Voorspelde ik u niet juist het beste
Van 't nieuwe strijdplan tusschen ons...
Wil ik niet langer vijandschap.
U zoekt het volk van heinde en ver;
Hier is, althans de laatste maanden,
Een geest gekomen over 't dorp,
Die, God weet 't, niet de mijne is.
En daaruit trek ik het besluit
Dat die van u is uitgegaan.
Hier is mijn hand, wij sluiten vrede!
Vóór één van ons verslagen is.
En minnelijke schikking, zeg?
Ik sla geen verz'nen tegen prikkels;
Ik ben maar een gewone man;
Als op zijn borst de punt gericht is
Van 's vijands speer, geeft men het op;
Daartegen baat geen stok alleen;
Dan ruimt men beter gauw het veld,
En staat als strijder men verlaten
Dan is 't verstandigst maar te wijken.
Eerst dat u mij den sterkste noemt;
Ik heb de meesten...
Tot 'n groot en ernstig offer komt...
Wie heeft de macht in handen dan?
Dat zal u hier wel nooit beleven!
In 't ergst geval komt 't dáárop neer
Dat zij eens tasten in de zakken.
De tijden zijn humaan en willen
Geen offer meer van andre dingen.
En 't hinderlijkst in deze zaak is
Dat 'k zelf behoor tot 't aantal, dat
't Humane op den voorgrond drong,
En daardoor de offerzucht verzwakte,
Zoodat men nu wel zeggen kan
Dat ik mij zelf ten offer bracht,...
In elk geval dat 'k bond het rijs
Tot 'n roe, waarmee men mij nu slaan wil.
Maar voor de rest begrijp ik niet
Dat u 't nu al verloren geeft.
Of roe of geen roe, dat beduidt niets.
Een man is voor zijn taak gemaakt;
Zijn doel moet hem het Paradijs zijn!
En tusschen dàt en hem moog' stroomen
Een zee,... ligt Satans land nabij,
Mag hij dan roepen: 't gaat niet aan...
De weg ter helle is veel korter?!
Een mensch moet ergens toch wel landen,...
En ziet hij zijn vergeefsche pogen,
Dan zoekt hij andre wegen op.
't Is eenmaal zoo, men wil vergoeding
Voor klein werk of voor grooten arbeid;
En wint men 't niet met eerlijk strijden,
Dan tracht men slinksch er toch te komen.
Om iets zoo wit als sneeuw te noemen,
Als allen zwart als sneeuw nu roepen?
Ik zeg niet zwart, maar liever grijs.
Humaan is 't wachtwoord; 't volk wil niet meer
Hardhandig worden aangegrepen.
Bedenk, wij zijn in een vrij land;
Hier mag een ieders meening gelden.
Hoe zou dan één man tegen allen
Doen uitspraak over zwart of wit?...
In 't kort, omdát u heeft de meesten
Is u de man die bovenaan staat.
Ik sluit mij evenals de andren,
Nu bij u aan, zoo goed als 't gaat,
En hoop dat niemand 't euvel duide
Dat ik niet tot het uiterst streed.
't Volk oordeelt nu, ik zie het best,
Mijn werk als onbeduidend, min;
Zij achten één ding nu méér noodig
Dan jaar op jaar d' oogst te vermeerdren!
Niet meer gewillig draagt zijn deel
Een ieder bij waar 't wezen moet,...
En als de wil niet mee in 't spel is
Dan is een zaak van zelf verloren...
Het valt wel hard, dat kan u denken,
Het plan voor wegen en voor bruggen,
Het dempen van moerassen, plassen,
En nog veel meer, nu op te geven.
Maar, lieve God, wat zal men zeggen,
Wie niet kan winnen moet maar wijken,
Geduldig wachten, wijslijk zwijgen,
En alles van den tijd maar hopen.
Nu,... ik verloor de gunst van 't volk
Zooals ik die gewonnen had;
Dus moet ik nu langs andre wegen
Het mijne zien terug te krijgen.
Dat u die werken alle deed?
Ik wou ten algemeene nutte
Voor 't dorp het beste, dat alleen.
Maar niet ontken ik, dat in 't spel was
Ook hoop op weervergelding eens,
Voor welvolbracht werk, met ter tijd.
Zoo is het toch: een werkzaam mensch,
Met gaven en gezond verstand,
Wil vruchten van zijn werken zien,
Niet steunend door het leven gaan
Ter wille van een hoog idee.
Ik kan ook met den besten wil niet
Nalatig zijn voor eigen goed,
En andren off'ren al mijn kracht.
Ik zit tehuis op zware lasten;
Ik heb een vrouw, verscheiden dochters,
Die geldt mijn zorg het allermeest;...
Beginslen lesschen niemands dorst,
Beginslen stillen niemands honger,
Waar men, als ik, het huis zoo vol heeft;
En mocht mij iemand zijn verwondring
Daarover uiten, zeg ik dit:
Dat hij als huisvader niet deugt.
Tot heil van 't dorp en van mijzelf.
Eerst wil 'k mijn reputatie weer
Opbouwen, die 'k hier vroeger had;...
Verkiezingstijd staat voor de deur;
Dus neem 'k mijn toevlucht tot iets groots,
Ga 't plan daarvoor vast kenbaar maken,
Dan word ik wel weer gauw het haantje,
En valt de keus wel weer op mij.
Nu heb ik zoo gedacht... men kan
Onmooglijk tégen stroom op roeien.
't Volk wil, zooals 't nu heet, verheffing;
Dat is iets waar ik toch niet bij kan;
Ik help het maar zoowat vooruit;
Maar zoo iets moet vriendschaplijk gaan,
En allen zijn nu tegen mij.
Kijk, daarom ben 'k na rijp beraden
Tot 't plan gekomen, om als 't gaat,
Den vloek der armoe te bestrijden.
Die is toch een noodzaaklijk kwaad
Der maatschappij, en onvermijdlijk;
Doch wel te leiden, te beperken
Met handigheid, tot zeekre vormen,
Zoo wij maar tijdig er op letten.
Wij weten 't, armoe is de mest
Die 't best doet tieren alle kwaad;
En die bemesting wil 'k beperken.
Voldoende aan een diep gevoelde
Behoefte van de heele omgeving,
Bouw 'k voor de armoe hier een pesthuis;
Ja, 'n pesthuis, zeg ik, met bedoeling,
Daar het besmetting weren moet.
Aan dat gebouw, was mijn idee zoo,
Moest een arresthuis zijn verbonden,
Zoodat hier oorzaak en gevolg
Te zamen worden opgesloten,
Doch door een tusschenmuur gescheiden.
En als 'k nu toch eens aan den gang ben,
Dacht ik ook nog er bij te bouwen
Een vleugel... onder 't zelfde dak...
Met 'n zaal voor feesten, 'n bijeenkomst,
Voor ernst of kortswijl te gebruiken,
Met een katheder en veel ruimte,...
Een mooie, politieke feestzaal.
Maar 'k weet iets, daar 's nog meer gebrek aan.
Ja, zeker; dat 's hard noodig ook.
Dat was aanvankelijk mijn gedachte,
Maar na wat overleg met andren
Kwam 'k van dat denkbeeld weer terug;
Want hoe aan middelen te komen
Voor zoo'n geweldig groot gebouw?
Want g'loof mij, zoo'n gesticht zou kosten
Een buitensporig groote som,
Als iedereen die 't noodig heeft
Een onderkomen daar moet vinden.
Men moet vertrouwen op den tijd,
Niet enkel bouwen voor zich zelf,...
Met reuzenschreden ging 't vooruit
Verleden jaar, dit jaar zoo niet;...
U ziet hoe alle volksbelangen
Verbazend al zijn uitgegroeid;
Met zevenmijlslaarze', als behekst,
Ontwiklen krachten zich en gaven,
In alle mogelijke vakken.
't Zou dus een al te dure grap zijn
Ons nageslacht plaats te bezorgen,
Voor zich, met kindren en met vrouwen.
En daarom zeg ik: lieve God,
Die tand, die trekken wij maar uit!
Dan heeft u toch de groote zaal.
(tevreden)
Die inval, Brand, was waarlijk snedig!
Als 't bouwplan nu maar niet verong'lukt,
Dan krijgen wij 't gesticht nog gratis,
Verzaamlen onder 't zelfde dak,
Beveiligd door dezelfde vlag,
De wezenlijke elementen,
Die voor ons dorp kenmerkend zijn;
Daar hebben we onze armoedzaaiers,
Met heel den schurkentroep er bij,
Krankzinnigen, die los en vrij
Rondliepen zonder hulp of tucht,...
En dan de vrucht van onze vrijheid,
Verkiezingsstrijd met knappe reednaars,
Een raadzaal waar wij overleggen,
Wat dienen kan tot nut van 't dorp,...
Een feestzaal, waar met volle glazen
Wij blij herdenken 't voorgeslacht.
Als dus de zaak niet valt in duigen,
Krijgt hier de zoon der bergen alles
Wat hij met billijkheid kan eischen,
Om recht naar eigen zin te leven.
Helaas, de streek hier is niet rijk;
Maar staat eerst dat gemeenschapshuis,
Dan, denk ik, kan men 't noemen hier
Met recht, een welbestuurd distrikt.
In deze zaak als in de meeste;
De lust is zwak om bij te dragen,
En zoo u mij uw hulp onthoudt
Dan kan ik ook de vlag wel strijken.
Maar steunt u met uw machtig woord
Mijn plan, dan zal het wel gelukken,...
En komt het dan eenmaal tot stand
Zal ik u waarlijk niet vergeten.
Voor beiden zou het, naar ik meen,
De tweedracht, die er als een kloof
Tot nu toe tusschen ons bestaan heeft,
Tot beider voordeel kunnen dempen.
Dat pas uw ouderhart gewond heeft;
Uw kalmte echter deed mij 't wagen;
En de behoefte aan vasten steun...
Ben ik bereid, waar 't noodig zijn mocht;
Maar om een andre reden doet
U dezen keer vergeefsche moeite.
Kijk, ziet u ginds...?
Dat is immers uw koeienstal?
(knikt)
Aan 't kerkje zal mij niemand raken;...
't Is om den voet mij dwars te zetten;
Mijn plan is klaar en daar is haast bij;
Maar 't uwe werpt mij uit het zadel;
En beide te gelijk, dat gaat niet,...
Geef toe dus...!
Met 't pesthuis en de groote feestzaal,
In 't kort, 't gesticht... om zoo te zeggen,...
Wie vraagt dan naar 't vervallen kerkje?
En waarom moet dat nu verbouwd?
Het was toch vroeger groot genoeg.
Geen ruimte voor verheffing vinden.
(schudt verwonderd het hoofd)
Hoe noodig hier mijn gekkenhuis is.
(op anderen toon).
Laat 't kerkje staan, laat mij u raden;
Men kan het tot op zeekre hoogte,
Een oud eerwaardig erfstuk noemen.
Het is een erfstuk, onvervreemdbaar,...
En 't wordt niet om een nuk vernietigd!
Al valt mijn bouwplan in het water,
Zal 'k, als een Phoenix uit zijn assche,
Herrijzen in de gunst van 't volk hier!
Ik kom òp als de ridder koen,
Voor 't monument hier op ons strand!
Hier was eertijds een offerplaats,...
Dat was in koning Beles dagen;
En daar verrees de kerk toen later
Uit vromer helden roof en buit.
Eerwaardig in haar simple pracht,
Hoogheilig in haar oude dracht,
Stond trotsch zij tot in onze dagen...
Rust toch al lang in 't zwijgend graf;...
Nu is daarvan niet veel meer over.
Dat ze eig'lijk al niet meer bestaat;
Maar toen mijn grootvader nog leefde
Was in den muur een gat nog over!
Kijk, daarom moet ik ronduit zeggen,
De kerk te sloopen is onmooglijk;...
Dat ware een schandlijke, een gruwlijk
Barbaarsche daad zonder gelijken!
En 't geld,... waar komt dat dan vandaan?
Denkt u dat men hier zoo vrijgevig
Voor zulk een onvoldragen plan
Maar daadlijk in de beurs zal tasten,
Als met een beetje reparatie
Men de oude nog wel zóó kan stutten,
Dat zij het ònzen tijd nog uithoudt?
Maar gaat u zelf maar onderzoeken,...
Ik win mijn zaakje toch ten slotte.
Om geld voor 't nieuw te bouwen Godshuis.
Uit eigen midd'len wil ik bouwen;...
Mijn erfdeel, al wat ik bezit,
Stel ik beschikbaar voor dat doel.
Denkt u wellicht nu nog zoo driest
Dat 'k van gedachte zal verandren?
(met gevouwen handen)
Zoo iets komt nauwlijks voor in steden,...
En hier in 't dorp... waar iedereen
Zoo vast de hand hield op den zak
Voor wat zelfs 't dringendst noodig was,...
Hier komt u met een stortvloed aan
Die blinkt en fonkelt, sprankelt, schuimt...
Neen, ik moet zeggen, 'k sta verstomd!
Van 't geld....
Van dingen, die op zoo iets wezen.
Maar 'k dacht dat het maar praatjes waren.
Wie wil een dergelijk offer brengen
Waar 't hem niet aanbrengt zichtbaar voordeel?
Maar dat 's geheel uw eigen zaak;...
Gaat u nu vóór, dan volg ik u.
U is in 't vuur nu, u kan werken,
En ik kom stapvoets er dan ook wel...
Brand, laat die kerk ons samen bouwen!
Gek zou ik zijn, als ik 't niet deed.
Wie heeft, denkt u, 't volk op zijn hand,
Als de één het voeren, mesten wil,
En de ander melken, scheren, plukken?
Ja, om de bliksem doe ik mee!
Ik ben van 't plan al gansch vervuld,
Bewogen, aangedaan, geroerd;
't Was een gelukkig toeval dat
Mij naar uw huis toe dreef van avond;
Want zonder 't mijne was misschien
Bij u het uwe niet ontstaan,...
Althans niet aan het licht gekomen.
Zoo is 't dan toch mijn eigen werk
Het bouwen van die nieuwe kerk!
Ruïne kan niet blijven staan!
(kijkt naar buiten)
Van maneschijn en verschen sneeuwval,
Ziet zij er erg vervallen uit.
Het is mij waarlijk onverklaarbaar
Dat ik 't nooit vóór van avond zag.
De hanebalken staan al scheef;
't Gebruik wordt weldra hoogst gevaarlijk.
En waar is stijl, architectuur?
Noch in het dak, noch in den muur.
Hoe moet men zulke bogen noemen?
Een vakman zou: afschuwelijk! zeggen;...
En 't groen bemoste dak kan óók niet
Uit koning Beles' dagen stammen.
Neen, piëteit kan ook te ver gaan!
En iedereen moet toch begrijpen,
Dat zulk een wrakke, rotte kast
Een onding is, niets meer dan dat!
En tegen slooping zich verklaarde?...
Ik zal terstond hoe eer hoe liever,
Nog alles reeglen en beschikken,
Dat 't zaakje glad van stapel loopt.
'k Zal werken, schrijven, en mijn best doen.
Nu ja... u kent mij wel. Genoeg!
En kan 'k geen helpers samen drijven
Voor 't sloopingswerk, uit 't domme volk,
Dan pak ik aan met eigen handen,
En breek het plank voor plank zelf af.
Ja, moest 'k mijn vrouw en al mijn dochters
Doen helpen bij 't vernielingswerk,
Waarachtig, 'k laat geen paal meer staan!
Van dien, waarop u straks nog sprak.
Dat leert ons de humaniteit;
En als de dichter het niet mis heeft,
Dan is het juist een heel mooi iets
Dat onze geest gevleugeld is,...
Met andre woorden... hij kan vliegen...
Adieu! (neemt zijn hoed)
Nu moet ik naar de bende.
Vlak bij het dorp, heb 'k opgepakt
Een troep Zigeuners, leelijk volkje;...
Een stevig touw had 'k tot mijn hulp;
Nu zitten zij daarginds gevangen
In 'n huis aan 't strand; maar ik mag hangen
Als er geen paar zijn weggeloopen...
Maar 't is ook waar, in zeekren zin
Behooren zij tot dit distrikt... (lachend)
Ja, en juist u! Hoor, een mooi raadsel,
Los dat eens op, als u het kan:
Er leven menschen, die bestaan
Door hèn, van wie uw leven uitging.
En toch bestaan zij, wederom,
Omdat zij van een andren stam zijn!
(schudt het hoofd)
Men staart er op... kan ze niet raden.
U heeft toch wel eens hooren spreken
In 't dorp, zoo hier of daar, een woord,
Van d'armen jongen, die hier woonde...
En zoo geleerd was als vier priesters, --
En om uw moeder aanzoek deed...
Maar zij gaf hem den bons, natuurlijk,
Zoo als hij ook wel kon verwachten.
Maar weet u wat hij toen ging doen?
Hij werd van droefheid haast krankzinnig,
En trouwde eindlijk met een andre,
'n Zigeunerin;... en vóór zijn dood
Liet hij een spruit na aan de bende,
Die rondzwerft nu in zonde en nood.
Ja, een van die gemeene heksen
Mocht ons distrikt zoo waar behouden....
'n Gedachtnis aan zijn mooie daad...
(gedempt)
(vroolijk)
Want zij bestaat toch krachtens haar,
Die u eertijds het leven gaf;
Want liefde tot uw moeder was
De drang, die háár het leven gaf.
Tot hulp voor die verdoolde zielen?
Daar is geen goed meer aan te doen;
Wie hen wou redden zou bestelen
Den duivel, die failliet moet gaan
Als hij op aard' zijn deel niet krijgt.
Voor alle arme lui te bouwen?
Werd daadlijk weer terug genomen.
(glimlachend)
Van dien, waarop u straks nog sprak.
(klopt hem op den rug).
Een man moet vast en zeker handlen.
Adieu! ik mag niet langer toeven;
'k Moet er op uit en gaan beproeven
Die paar ontsnapten op te sporen.
Tot weerziens dus. Een vroolijk kerstfeest
Wensch ik u toe. En groet uw vrouw! (af).
(na een poos zwijgend denken)
Zoo wild, zoo bont dooreen verward
Zijn alle draden van het lot,...
Zoo liggen zonde en vrucht der zonde
Bijeen, verpestende elkander,
Dat hij die 't aanziet moet erkennen
Dat goed en kwaad onscheidbaar zijn.
(gaat naar het raam en staart lang naar buiten)
Als offer voor mijn moeders daden;
'n Verdoolde ziel kwam als gezant
Van hem, die boven wolken troont,
En deed de noodlotsteerling vallen;...
En deze arme ziel ontstond
Doordat mijn moeders ziel eens dwaald'!
Zoo houdt God met het loon der zonde
In evenwicht zijn eeuwig recht,
En slingert uit der heemlen hoogte
Bezoeking tot in 't derde lid.
(wijkt verschrikt van het raam terug)
Zijn eerste doel is evenwicht.
Tot 't laten rijzen van de schaal
Heeft offervaardigheid de macht;
Maar 't woord mag niet genoemd thans worden,
Want 't menschdom beeft al bij het hooren!
(loopt een tijdlang op en neer door de kamer)
Dat glad genoeg den mond ontrolt,...
Waarmee een ieder gul genoeg is.
't Beteekent om genade smeeken
Op duistre, raadselvolle wegen,
Om Christus' tusschenkomst te beedlen,
En hoog te strekken beide handen...
In twijfel staand tot aan de knieën!
O ja, was dáár de zaak mee klaar,
Dan durfde ik, als een ander, 't wagen
Te kloppen aan des Heeren poort,
Die "vreeslijk om te loven" is!
(blijft stil in gedachten staan)
In 't bangste uur van groote smart,
Toen, ingesluimerd voor het laatst,
't Kind door geen kus van moeders mond
Meer tot een glimlach was te wekken;...
Wat wàs dat...? Bad ik dan niet toen?
Waar kwam die zoete roes van daan,
Die stroom van zang, die melodie,
Die kwam van ver, en weer verdween...
En hoog mij ophief, licht en vrij?
Bad ik? Was 'k in gebed verzonken?
Heb ik toen hier met God gesproken?
Verstond hij mij? En zag hij neer
Op 't huis van droefheid, waar ik schreide?...
Wat weet ik! Nu is 't donker weer
Rondom mij, alles weer gesloten,...
En nergens, nergens licht te vinden...
Ja, Agnes,... zij die ziet geblinddoekt!...
(roept angstig)
(Agnes opent de deur en komt binnen met de aangestoken kaarsen voor
het feest; een helder licht straalt door de kamer).
(zacht)
(zet de candélabre op tafel)
Je moet verkleumen...
(krachtig)
(glimlachend)
Wil zelfs geen warmte of licht behoeven.
(stookt de kachel op).
(loopt op en neer)
(stil in zich zelf, terwijl zij de kamer versiert)
Hoe blij naar 't blinkend kaarslicht greep
Met kleine vingertjes mijn Alf.
Toen was hij nog gezond en flink,
En boog voorover uit zijn stoel
En vroeg of dit nu was een zon! (verzet het licht een beetje).
Nu valt het schijnsel van het licht
Naar buiten... over die plek dáár.
Nu kan hij door de ruiten zien
Den glans, van waar hij ligt en slaapt;
Nu kan hij gluren onbemerkt
In 't feestlijk stralende vertrek...
Maar als van tranen dof, is 't glas;...
Wacht, wacht, zoo aanstonds zal het lachen...
(droogt het glas af).
(heeft haar met de oogen gevolgd en zegt zachtjes)
Dier zee van smart, zoo woest beroerd!
Die moet bedaren.
(in zich zelf)
Nu is 't als viel de scheidsmuur weg,
Alsof de kamer grooter werd,
Alsof de harde, kille grond
Werd tot een zacht en lekker bedje,
Waar 't kindje zoet en zacht kan slapen.
(dichterbij)
Maak 't dicht weer!
(smeekend)
(maakt de luiken dicht)
God zal wel niet beleedigd zijn
Als 'k in een oogenblik van droom
Dronk uit de bron van troost...
Hij is een zacht en meegaand rechter,
En zal 't wel door de vingers zien
Als in den dienst, dien je hem wijdde,
Soms insluipt wat afgoderij.
(barst in tranen uit)
'k Ben moe, doodmoe,... mijn kracht bezwijkt.
Is 't offer dat niet alles geeft.
(schudt het hoofd)
(glimlacht)
Je zondig smachtende verlangen...
(in wanhoop)
Ruk uit! Ruk uit!
En doelloos wierp je 't offer weg,
Indien je treurt om wat je mist nu!
(rilt)
(afwijzend)
(staart voor zich uit en zegt fel bewogen)
Zich 't woord der Schrift, dat 'k nooit te voren
Geheel verstond.
BRAND (slaat zijn armen om haar heen en drukt haar vast tegen zich
aan).
Verberg je, Agnes! Zie hem niet!
Doe je oogen toe...
(laat haar los)
Je jeugd onttrok aan spel en dans...
Dat 'k voor een halfheid je moest treffen
Met offerwilligheids gebod?
Wee ons, dan waar' te duur, te zwaar
Het offer door ons hier gebracht.
Je bent mijn vrouw, je heele leven
Tot 's Heeren dienst mag ik dus eischen.
De kerkbouw gaat nu gauw beginnen...
Dan moest de storm het nederstorten.
(omhelst haar als in angst).
Mijzelf en wat het mijne is!
(gaat naar de zijdeur).
De blinden losdoen? maar een kiertje?
Heel even maar? Toe, mag ik?
(in de deur)
Zelfs vergeten sluit hij af!
Klachten, zuchten, dicht gegrendeld,
Hemel, graf, versperd, op slot!
Ik wil weg; ik kan niet leven
Hier in eenzaamheid en smart!
Weg? waarheen? Zien niet van boven
Strenge oogen op mij neer?
Kan ik op mijn vlucht meenemen
Wat mijn hartsbezitting is?
Kan 'k ontkomen, als ik 't wilde
Aan mijn angst, mijn doffe leegheid?
(luistert aan de deur van Brands kamer)
Dringt mijn stem van hier niet door.
Nergens hulp! Geen raad, geen troost!
God de Heer heeft 't veel te druk nu
Met te luistren naar der rijken,
Kinderrijken, gelukzaalgen,
Dank en zang en spel en dans.
Kerstmis is een tijd van vreugd.
Mij verlaten moeder, klagend,
Ziet hij niet, schenkt hij geen aandacht.
(gaat voorzichtig naar het raam).
Dat het volle, heldre licht
't Spook van angst en schrik verjaagt
Uit den nacht waarin hij sluimert?...
Neen, hij is niet meer daarginder!...
Kerstmis is der kinderen feest;...
Hierheen komen mag hij thans;
Mooglijk staat hij wel daarbuiten,
Reikt met de armpjes om te tikken
Op de dichtgesloten ruiten...
Hoorde ik daar niet schreien nu?
Alf, mijn kind, ik weet geen raad!
Dicht is 't hier; dat deed je vader;...
Alf, ik mag niet open doen!
Een gehoorzaam kind ben jij,
Nooit deed jij of ik verdriet hem.
O, stijg gauw weer op ten hemel,
Daar is licht en daar is vreugde:
Daar is spel van kinderscharen.
Maar laat niemand je zien schreien,...
Zeg niet dat je vader 't huis sloot
Toen je aan de deur kwam kloppen.
't Kindje kan nog niet begrijpen
Wat is groote-menschen-plicht.
Zeg dat treurend hij, en zuchtend
Bladen voor een krans geplukt heeft;
Zeg dat hij dien heeft gemaakt.
Kan je 'm zien? Die is van hem!
(luistert, bedenkt zich en schudt het hoofd).
Staat als scheidsmuur tusschen ons.
In den gloed van 't loutringsvuur
Valt eerst alle scheiding weg,...
Barst 't gewelf en scheuren grendels
Knarsen kerkerdeuren-hengsels,
Springt er open 't groote slot!
Veel, o veel moet nog gebeuren,
Vóór we elkander weerzien kunnen...
'k Zal in alle stilte werken,
Om zijn eischen te voldoen;
'k Zal mij harden, ik zal willen...
Maar van avond is het feest.
't Vorig jaar was 't wel heel anders!
Stil,... het feest wil ik toch vieren;
'k Haal te voorschijn al mijn schatten;...
Hoe oneindig veel mij waard,
Na 't verlies van mijn geluk,
'n Moedersmart alleen kan 't weten.
(Zij knielt neer bij de commode, trekt een lâ open en haalt er
verscheidene dingen uit. Op datzelfde oogenblik doet Brand de deur
open en wil iets tegen haar zeggen, maar als hij merkt wat zij van
plan is, wacht hij en blijft staan. Agnes ziet hem niet).
(zachtjes)
't Zelfde spelen rondom 't graf.
Dien hij droeg toen hij gedoopt werd...
Hierin knoopte ik zijn jurkje...
(houdt het in de hoogte, kijkt er naar en lacht).
Prachtig was mijn kleine vent
Toen wij in de kerk daar zaten...
Hier de sjerp en hier het kieltje,
Dat hij droeg den eersten keer
Toen hij mee mocht gaan naar buiten.
O, het was toen veel te lang,
Maar het werd hem gauw te klein al...
Dat zal ik maar hier neerleggen...
Wantjes, kousjes,... wat een beenen!...
En zijn nieuwe zijden hoedje,
Dat hij kreeg toen 't winter werd...;
Mooi en frisch, en ongebruikt nog.
O, daar liggen nog de kleertjes
Waarin 'k hem gewikkeld had
Om te reizen, warm en licht;
Toen ik die weer weg moest leggen
Was 'k tot stervens toe vermoeid.
(wringt de handen in smart)
Afgodstempel niet verbrijz'len;
Zend een ander, als 't dan moet!
Wat een schat! Bedekt met paarlen,
'n Tranenspoor van bange smarten,
Stralend van het wee der keus,
Heilig!--dat 's de kroningsmantel
Dien hij droeg den dag van 't offer!
O, wat ben ik toch nog rijk!
(Er wordt hevig aan de gangdeur geklopt; Agnes keert zich om met een
kreet en ontwaart tegelijkertijd Brand. De deur wordt opengerukt,
en een havelooze vrouw komt, met een kind op den arm, haastig binnen).
(ziet het kindergoed en roept tegen Agnes:)
Met den mond vol mooie woorden!
(komt nader)
Liever in den storm daar buiten
Dan van boete hooren spreken;
Liever vluchten tot ik neerval,
Mij verdrinken, of verhongren,
Dan jou, zwartrok, aan te hooren,
Die mij naar de hel wil jagen!
Kan ik 't helpen, voor den duivel,
Dat ik werd tot wat ik ben?
(zacht)
Angstvermoeden wekken zij!
Geef het kind wat 't noodig heeft...
Waar het licht is, waar het goed is.
Voor ons zijn de buitenwegen,
Holen, bosschen, hei en bergen;
Huis en haard, die zijn voor jullie,
'k Moet naar buiten weer terstond,
Zij zijn achter mij als honden!
De politie, allemaal,
Krijgt die mij, dan word 'k gebonden.
Onder 'n dak en tusschen muren?
Neen hoor; dan geeft winternacht
Beetre lucht nog voor ons beiden.
Maar iets om het kind te dekken!
Want zijn broer liep weg, die smeerlap,
Als een dief met al de vodden
Waarin 'k hem gewikkeld had.
Kijk, hij is zoo goed als naakt nu,
Blauw en nat en half bevroren
In de sneeuwbui van daar straks.
Dat bij voor jouw lot bewaard blijv'.
Doe het voor zijn zieleheil;
Dan wordt 't brandmerk weg genomen...
Zulk een wonder doet er niemand,...
Mag en moet zelfs niemand doen!
Strijd met hen, die hem verstieten!
Weet je waar hij is geboren?
Op den berm van den weg, ja!
Onder spel, gejoel en drank.
Werd gedoopt met modderspatten,
't Kruis gemaakt met heete asch,
Uit de drankflesch 't eerst gelaafd...
En juist toen hij werd geboren
Stonden ze om ons heen te razen;...
Waarom, denk je, zeg? God beter 't!
Wie de vader van het jong was!
(met schrik)
Oude lappen, zijden goed!
Niets is mij te slecht, te mooi,
Als 't hem maar verwarmen kan.
Laat ontdooien hem toch eerst
Als hij dan van daag nog sterft!
(tegen Agnes)
Heb je voor den mijnen niets?
't Zij wat kleeren, 't zij een doodshemd?
Waarschuwing van boven klinkt?
'n Misdaad aan mijn kleinen doode!
Als je op den drempel staan blijft.
(gebroken)
'k Treed mijn bloedend hart met voeten.
Vrouw, kom hier, neem wat je wilt....
'k Deel met je mijn overvloed...
Weg te stelen! 'k Ben geweken
Voet voor voet! Ik kan niet verder!
't Is genoeg; meer is niet noodig!
Toen voor jouw kind jij het kocht?
(geeft)
Waar 'k mijn kind ten doop in hield.
Hier het jurkje,... sjerp en kieltje;
Dat is warm in winterweer.
Hier het zachte zijden hoedje...
Kou lijdt hij daaronder niet.
Neem het, neem nu alles toch...
(weer gevend)
Dien hij droeg den dag van 't offer!
En nu ga ik aan den haal!
Op de trap zal 'k hem wel kleeden;...
Gauw nu weg met al mijn lappen! (af).
AGNES (blijft in hevigen innerlijken strijd staan: eindelijk vraagt
zij:)
Zeg eens, Brand, zou 't billijk wezen
Om nòg meer te eischen nu?
Dat je 't zware offer bracht?
En er blijft nog meer te eischen (wil heengaan).
(zwijgt tot hij bij de deur is, dan roept zij:)
Kijk, 'k betreur het, 'k ben gebogen.
Neen, je kon niet anders denken
Of 'k had alles nu gegeven.
(haalt een opgevouwen mutsje uit haar boezem)
Vochtig van 't doodskille zweet,...
Heeft het op mijn hart gelegen!
(komt dichterbij en vraagt zonder het aan te nemen)
De arme vrouw zit op de trap nog. (af).
't Laatste wat mij nog aan 't stof bond!
(staat een poos onbewegelijk stil; allengs gaat de uitdrukking van
haar gezicht over in een stralende vreugd. Brand komt terug; zij ijlt
hem jubelend te gemoet, valt hem om den hals en roept:)
'k Ben bevrijd, Brand! 'k Ben bevrijd!
Alle angsten die er lagen
Loodzwaar drukkend op mijn borst,
Zijn in d'afgrond weggeslingerd!
Overwonnen heeft mijn wil!
Alle neev'len zijn verstoven,
Alle wolken weggevaagd;
Door den nacht aan de overzijde
Zie ik schijnen 't morgenrood!
Doodenakker! Doodenakker!
't Woord wekt nu geen tranen meer,
Scheurt de wond nu niet meer open;...
't Kindje voer ten hemel op!
Graf en doodsangst, pijn en smart!
O, zie opwaarts, zie naar boven!
Zie je Alf staan voor Gods troon,
Lachend, blij, als in zijn leven,
Strekkend de armpjes naar ons uit?
En al had ik duizend monden,
En al mòcht ik en al kòn ik,
Geen zou ik er open doen
Om hem weer terug te vragen.
O, hoe groot, hoe rijk is God
In 't bereiken van zijn doel.
't Kind als offerlam gevallen,
Heeft mijn ziel gered ten leven;
'k Kreeg het om 't weer af te geven,
Om de zege te bevechten!...
Dank dat jij mijn hand geleid hebt;
Trouw heb je voor mij gestreden;
O, ik zag wel hoe je leedt.
Nu sta jij in 't dal der keus;
Weldra drukt op jou 't gewicht
Van het alles dan, of niets!
Nu is alle strijd gestreden!
Die Jehovah ziet moet sterven!
(wijkt terug)
Neen! Neen! Duizendmalen neen!
Ik heb reuzensterke handen,
Van mij heengaan zal je niet!
Laat dan alles mij ontglippen,
Alles kan ik hier ontberen,
Maar niet jou, o neen, jou nooit!
Doof het licht dat in mij gloeit nu,
Sluit de bron af dier gevoelens,
Geef mij weer mijn afgodsbeelden...
Buiten zit die vrouw nog altijd;...
Laat opnieuw mij wederkeeren
Tot de dagen toen ik blind was,
Laat mij weer in 't slijk verzinken,
Waar 'k tot nu toe leefde in zonde;
Alles kan je; 't staat je vrij;
Tegen jou vermag ik niets;
Knak mijn vleugels, sluit mijn ziel op,
Leg op mij het lood der dagen,
Bind mij, trek mij weer omlaag,
Waar je zelf mij van omhoog hief,...
Laat mij leven als te voren,
Toen ik mij in 't duister wrong!
Als je dit doen wilt en durft,
Ben ik als voorheen je vrouw;...
Kies; je staat nu aan den kruisweg!
O, maar ver van deze plek,
Ver van droeve erinneringen
Vind je licht en leven weer!
't Offer... en je roeping ook?
En vergeet je al de zielen,
Die je hier genezen moet?
Hen, die God je toevertrouwde
Om te leiden tot verlossing?
Kies! je staat nu aan den kruisweg!
(valt hem om den hals)
Trouw gesteund heb je de zwakke!
'k Voel me moe nu en gebroken,...
Maar jij zult mij trouw bewaken.
De overwinning nam mijn kracht;
Nu ben 'k zwak en uitgeput;
O, maar God wil 'k eeuwig loven!
Goeden nacht, Brand!
(drukt de handen tegen zijn borst)
Hoogste zege is 't àl verliezen.
Door verlies wordt eerst gewonnen;...
't Eeuwig erfdeel is 't verloorne!
EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF
Vijfde bedrijf
Anderhalf jaar later. De nieuwe kerk staat geheel gereed en versierd
ter inwijding. De rivier loopt er vlak langs. Het is nevelig, vroeg
in den morgen.
De koster is bezig kransen op te hangen buiten vóór de kerk; even
later komt de schoolmeester.
Help eens 'n handje met dat groen hier.
Een haag moet 't worden voor den optocht.
Iets in een ronde lijst ophangen...
Met op een gouden grond, zijn naam.
Van alle kanten komen ze aan;
Van zeilen wit haast ziet de fjord.
In vroeger dagen, vóór zijn tijd,
Wist niemand hier van twist of strijd;
Toen sliep je zelf, toen sliep je buurman;
Ik weet al niet, wat is nu 't beste.
Langs 't leven, onberoerd voorbij;
Hoe komt dat dan?
Wij werkten tot de andren sliepen;...
En toen ze ontwaakten, sliepen wij,...
Want ons had niemand toen meer noodig.
En dan zeg ik niet graag wat anders,
Maar, enkel als de groote massa
Er ook zoo over denkt, dat spreekt.
Voor ons geldt nog een andre wet
Dan die hier voorgelezen wordt;
Wij beiden hier zijn ambtenaars
Van het distrikt, om trouw te steunen
De tucht der kerk en alle wetenschappen,
En die met hartstochten zich niet bemoeien,
In één woord: buiten de partijen staan.
Ik weet vast dat zijn superieuren
Niet over hem tevreden zijn,
En als zij voor het volk maar durfden,
Dan keerden zij 'm al lang den rug toe.
Maar hij is slim; hij ruikt de lont wel,
Hij weet genoeg wat er te koop is.
Hij bouwt de kerk. En alles staart zich
Hier blind, als er maar iets gedaan wordt.
Wàt er gedaan wordt, dat raakt niemand;
Dát iets gedaan wordt,... dat 's de kwestie,...
Wij allemaal hier,... volk en leiders
Kan men met recht daadsmannen noemen.
En moet dus volk en land wel kennen;
Maar iemand die hier door de streek trok,
Kort nádat de gemeente ontwaakt was,
Zei, vroeger waren zij hier slapers,
En nu, ontwaakt, gelofte-doeners.
Doen àl te veel maar aan geloften,...
Het volk heeft zich zoo snel ontwikkeld,
Dat iedereen haast wat belooft.
Ik heb er vaak op zitten peinzen...
Wat noemt men toch een volksgelofte?
Te zeggen, zou wat ver ons voeren;
Maar 't is iets waaromheen zich allen
Vereenigd scharen... om 't idee;
Het is iets dat gebeuren moet,
Ver in de toekomst, welbegrepen.
Maar er is nog iets dat ik graag
Nog even van u hooren wou.
Komt dan wat men de toekomst noemt?
Die komt nooit!
En dat 's natuurlijk ook in orde.
Want kòmt zij, dan is zij geworden
Het heden,... is geen toekomst meer.
Daarover valt niet te krakeelen.
Maar hoe houdt men dan die belofte?
Die heeft betrekking op de toekomst;
Wordt in de toekomst pas vervuld.
(in zichzelf)
Moet ik herhalen wat ik zei,
Dat er geen toekomst ooit kan komen,
Want als die komt, bestaat zij niet meer.
Ligt iets, dat veel lijkt op een draai,
Maar dat toch heel eenvoudig is,...
Dat is te zeggen dus, voor hen,
Die verder tellen dan tot tien.
Beloven is ten slot beliegen,
Mag wie belooft ook eerlijk zijn;
Tot nog toe heette 't houden moeilijk;
Men kan wel zeggen glad onmooglijk,
Als men van logica wat afweet...
Kom laat ons dat maar laten varen.
Zeg, hoor eens?...
Op 't nieuwe orgel.
Die is vroeg bij de hand geweest!
Zijn bed ook maar heeft aangeraakt.
Hij wordt verteerd door heimlijk leed
Van dat hij weduwnaar werd af.
Hij wil 't verbergen, dat is waar;
Maar nu en dan komt 't voor den dag:
't Is of hem 't hart dan overloopt,...
Dan speelt hij. Hoor hoe iedre toon
Als schreien klinkt om vrouw en kind.
In alles wat zijn stand betaamt!
Te jagen al die boekenpraat!
Maar durven voelen, beste koster!
Tot 't voelen van gewone menschen.
Een man moet, zoo leert onze priester,
Niet meer dan één ding willen zijn;
Zelfs wie 't zou willen, kan niet wezen
Een mensch en tevens ambtenaar.
Men moet alleen... in allen deele...
Navolger van den baljuw zijn.
Toch wel toen daar die zware brand was,
Hoe hij 't archief toen droeg naar buiten
En 't redde?
't Was of hij veertiendubbeld leefde...
Maar binnen stond de duivel, lachend,...
Zijn vrouw, dien ziende, aan het jamren:
Je zieleheil, mijn lieve man!...
De booze staat je naar het leven!
Toen riep de baljuw in den gloed:
Mijn ziel? Laat die maar naar de hel gaan!
Help mij maar het archief te redden!
Kijk, hij is baljuw op end' op,
Met huid en haar, met hart en ziel.
En daarom komt hij vast terecht eens
Waar loon naar werken hij zal krijgen.
Der goede baljuws Paradijs.
Dat 'k achter alles wat u zegt
De teekens merk van groote gisting;
Want gisting is hier, dat staat vast;
Dat toont de scheuring overal
In d'eerbied voor aloud gebruik.
Wat rot, is voedsel voor het nieuwe,...
Het heden is een teringlijder,
En wordt geen versche lucht zijn deel,
Dan in de kist maar met den boel!
Ja, gisting is er, dat is zeker,
Dat is te zien, ook zonder kijker.
Den dag, toen 't oude kerkje viel,
Was 't of het alles met zich nam
Waarin ons leven tot dien tijd
Geworteld was, zijn voedsel vond.
Zij riepen eerst: haal neer! haal neer!
Maar 't duurde niet heel lang, dat schreeuwen,
En menigeen kreeg 't toch benauwd,
Keek schuw op zij en stond bedremmeld,
Toen 't oude Godshuis van het dorp
In ernst nu storten zou in puin,...
Want menigeen leek 't onaantastbaar.
Hen aan den geest van 't oude bonden,
Zoolang nog niet de nieuwe kerk
In allen vorm was ingewijd;
En daarom werd in angst en spanning
Maar opgelet hoe 't af zou loopen,
Uitkijkend naar den grooten dag,
Waarop in plaats van de oude vlag,
De nieuwe kleuren zullen wapp'ren;...
Doch al naar dat de toren rees
Werd 't volk al banger, stil en bleek...
En nu,... ja nu is de tijd om.
(wijst op zij uit)
Is saamgestroomd.
Wat is het stil!
Zooals de zee doet vóór een storm.
't Is of 't beseffen daar doorheen ging,
't Begrijpen van 't gewicht der tijden;
Is 't niet als waren ze uitgetogen
Ten Thing om 'n nieuwen God te kiezen?
Waar is nu Brand? Ik heb 't benauwd;...
Ik wou dat 'k mij verstoppen kon!
Kan men zijn eigen hart niet peilen:...
't Gaat diep en dieper nog altijd;
Men wil, verzet zich, kan 't niet laten!
En één getuignis geldt voor niemand!
De schooljeugd wacht. 'k Wensch goeden morgen! (af).
Nu ben ik weer bekoeld en wijs,
En blijf gesloten als een pot.
Aan 't werk;... hier is 't nu afgeloopen,
En ledigheid is 's duivels kussen.
(af naar den anderen kant).
bruisen plotseling machtig en vol, eindigend in een snijdenden
wanklank. Even later komt Brand uit de kerk).
Liefelijk en vol te klinken.
Alles wordt één jammerkreet;
Drukkend schijnen muren, bogen,
't Hoog gewelf, zich neer te leggen
Op mijn zang, benauwend eng,
Als het hout, het harde, kille,
Nauw omsluitend mijne dooden!
'k Heb 't beproefd zoo vele malen,
't Orgel heeft zijn stem verloren.
Hardop zong ik mijn gebed;
't Kwam terug als klank, gebroken,
Van een klok, gebarsten, roestig,
Als een dof en hol gesteun.
't Was mij of God zelf daar stond,
Hoog op 't koor daarboven tronend,
Of hij toornig met de hand sloeg,
Van zich wijzend mijne woorden!
Groot verrijzen zal Gods huis,
Zoo beloofde ik overmoedig;
Breken, vellen, welgemoed
Waagde ik alles neer te halen...
Nu is dan het werk voltooid.
Allen juichen nu in koor,
Roepen: och, hoe groot! hoe groot!...
Zijn nu zij 't die beter weten,...
Of ben ik het die 't niet zien kan?
Is het groot? Is nu dit huis
Waarlijk dat wat ik gewild heb?
Is hierdoor, wat 't deed ontstaan,
't Smachten van mijn ziel, bevredigd?
Lijkt het op dat beeld eens tempels,
Dat mij voor den geest gezweefd heeft,
Overwelvend alle smarten?...
O, als Agnes was gebleven
Ware 't anders wel geworden;
't Groote in 't kleine kon zij zien,
Licht bracht ze in mijn twijfelnacht,
Aarde en hemel zou ze omvangen,
Als een loofdak over stammen.
(bemerkt de toebereidselen voor het feest).
Uit de scholen klinkt gezang;
En mijn pastorie loopt vol,
Iedereen wil mij begroeten;...
Prijkt mijn naam daar niet in 't goud?
God geef licht,... of anders stort mij
Diep in donkren afgrond neer!
Nog een uur; dan gaat 't beginnen;
Allen denken slechts aan mij nu,
Mijn naam is op aller lippen!
Hun gedachten, o ik ken ze,
En hun woorden voel ik branden,
O, hun loflied gaat verkillend
Als een ijsstroom door mijn hart heen.
Kon 'k... o kòn ik als een roofdier
In een hol mijn hoofd verbergen,
In vergetelheid mij hullen!
(komt in gala-costuum en groet, stralend van tevredenheid)
De Sabbath die besluit de week;
Nu halen wij de zeilen in
En hijschen hoog de zondagsvlag,
Gaan met den stroom mee, zachtjes aan,
En zien hoe 't al is kant en klaar.
Bravo, Brand, groot en edel man,
Wiens naam weldra weerklinkt door 't land!
Bravo; ik ben geheel ontroerd,
En toch ook weer ontzettend blij!
En u...!?
U moet straks mooi en dondrend preeken;...
Geef 't volk vooral de volle maat!
Naar 't schijnt is hier een acoustiek,
Die allen, die ik sprak, ten hoogste
Verwondert...
Was heel verwonderd en vol lof.
En wat een stijl vol harmonie!
Hoe groot, verheven, mooi van vorm
En lijnen...
Van dichtbij evenals van ver.
Te groot voor menschen hier in 't Noorden.
In andre landen, weet ik wel,
Legt men een andren maatstaf aan;
Maar wij, die hier bekrompen wonen
Op schrale rotsen, brakke velden,
Op 'n strookje tusschen berg en fjord,...
Hier is zij groot, verbazend groot zelfs!
Kwam dus een nieuwe in de plaats.
Vervallen, wrakke monument
Een hoogen, een modernen toren.
Eerst teemde 't koor: och, zoo eerwaardig!
Nu brullen zij: kijk toch, hoe groot!...
Zoo vindt men er geen tweede meer!
Dat wie haar nu nog grooter wenscht
Van hoogmoed niet is vrij te pleiten.
Dat, wat daar staat, een kleine kerk is;
Dat te verhelen zou zijn liegen.
Wat moet dat nu? Waarom blameeren
Wat men met moeite zelf gebouwd heeft?
De menschen zijn zoo recht tevreden,
Zij vinden alles prachtig, rijk,
Omdat nog geen ooit zoo iets zag;...
O, laat hen in dien waan toch blijven!
Waarom de stakkers op te porren,
En met geweld licht gaan ontsteken
Waarvan niemand gediend wil zijn?
't Komt alles neer op hun geloof.
En 't doet er heelemaal niet toe
Al was de kerk een hondenhok,
Als 't volk maar rustig gelooven kan
Dat zij is groot, geweldig groot.
Die zielen hier bij ons te gast;
En 't zou hoogst onwelvoeglijk wezen
Ware alles nu niet op zijn best.
En 't allermeest nog voor u zelf
Zou 't onverstandig zijd, te raken
Aan 't straks genoemd waarheidsgezwel.
Vooreerst is door den Raad besloten
Een zilvren beker u te schenken;
Gaat u nu aan de grootheid tornen,
Dan heeft wat dáárop staat geen zin meer.
En 't vers dat daarbij is geschreven,
En de aanspraak die ik houden wil,
Die zouden beiden even dwaas zijn,
Als 't bouwwerk nu niet groot meer was.
U ziet dus, 't is zaak zich te schikken
En de ooren maar stijf toe te houden.
Een leugenfeest als prijs voor leugens.
Wat groote woorden zegt u daar!
Doch dit zij dan een zaak van smaak.
'k Heb nog een ander argument...
Was 't eerste zilver, dit is goud.
Want weet, u is nu in de gratie,
Is liev'lingskind nu van 't geluk,
In 't kort... u krijgt een decoratie!
Van daag nog zal u 't ridderkruis
In glorie op uw borst zelf hechten!
Neem' dàt van mij af, wie het kan.
Door 't gunstbewijs van hooger hand?
U is mij absoluut een raadsel!
Maar, 'k bid u, denk toch even na...
(stampvoetend)
'k Ga even wijs weg als ik kwam;
U heeft niets van den zin gevat,
Die achter al mijn woorden lag.
Ik meende niet de grootheid, die
Gemeten wordt bij voet en duimen;
Maar die terugstraalt, schoon verborgen,
Ons koud doorhuivert, heet doet gloeien,
Die lokt tot droomen en verwijlen,
Die opheft als een sterrennacht,
Die, die... laat mij alleen! 'k Ben moe;...
Bewijs, verklaar, praat tegen andren...
(gaat de hoogte op naar de kerk).
En hem begrijpen? Grootheid die
Zit in iets dat terug moet stralen,
Dat niet te meten is bij duimen?
En sterrennacht? Zoo zei hij immers?...
Had hij te goed gedéjeuneerd soms?... (af).
(komt weer uit de kerk)
Was ik nog nooit, als 'k hier nu sta;
Op welke vraag ook, nooit een weerklank,
Maar dom gekwaak en leuterpraat.
(kijkt in de richting waar de baljuw heenging).
Zoo dikwijls ik poog op te heffen
Zijn geest, uit laag geknoei en logen,
Spuwt hij mij nog zijn vuile ziel
Brutaalweg vlak in mijn gezicht!...
O, Agnes, waarom ging je heen?
Mij maakt dit onnut spel zoo moe.
Waar niemand wint en niemand wijkt,
Sta ik als strijder heel alleen!
(komt op)
O neen, pardon,... ik wilde zeggen:
Mijn ambtgenoot! Dat komt door 't feest... ja...
Mijn preek spookt mij wat door het hoofd;
'k Heb die pas gistren bestudeerd...
Nu ligt zij mij zoo versch nog bij.
Doch al genoeg... Aan u mijn dank,
U, die zoo dapper brak het ijs,
Ging tusschen twist en praatjes door,
Neerhaalde wat reeds was vervallen,
En groot en waardig 't nieuwe bouwde.
Ontbreekt er meer nog dan de wijding?
Een weergeboren, reine geest.
Zoo'n groot en mooi versierd gewelf,
Zoo'n lichte ruimte brengt ook mee
Dat 't volk zich wel wat reiner houdt.
En dan die mooie acoustiek,
Die ieder woord geeft dubb'le kracht,
Moet der gemeenteleden g'loof
Verhonderdvoudigen per hoofd.
Dat zijn in waarheid resultaten,
Zooals zelfs niet in groote steden
Er beter aan te wijzen zijn...
Dat alles danken wij aan u;
Neem daarvoor van een ambtgenoot
Den diepgevoelden dank, die wel
Aan het diner gevolgd zal worden,
Op dezen dag... uw eeredag!...
Door menig warm, geestdriftig woord
Van onze jongre geestlijkheid...
Maar, waarde Brand, wat ziet u bleek...
En alles zonder hulp en steun.
Maar nu is 't ergste ook geleden,
En reeds loont ons een schoone dag.
Maar goeden moed; het zal wel gaan!
Zoo vele duizenden zijn hier
Uit verre streken saamgekomen;
Zeg zelf nu maar... Wie neemt het op
In reednaarsgaven tegen u?
Kijk, heel uw ambtgenooten-schaar
Ontvangt u nu met open armen,
En der gemeenteleden harten
Zijn vol van warmen dank aan u!
En 't bouwwerk dat zoo goed gelukt is!
En dat het hier zoo mooi versierd is!
En dan de dagtekst... hoe verheven!
En 't ongeëvenaard diner!
Ik was juist in de pastorie
Toen daar voor 't feest het kalf geslacht werd.
In waarheid, Brand, een prachtig dier!
Ik dacht zoo, dat heeft heel wat in
Om zulk een lekker stuk te vinden
In dezen moeielijken tijd,
Nu 't vleesch zoo duur is tegenwoordig.
Maar laat ons dat tot straks bewaren.
Iets anders nog dreef mij hierheen.
Doch kort zijn; veel tijd is er niet.
Er is een enkel punt, waarin
Van heden af u moet verandren,
En dat zal vast niet moeilijk zijn.
Ja, ik vermoed, dat u zoo half wel
Kan raden al, waarop ik zinspeel?
't Betreft uw opvatting van ambtsplicht.
Tot nu toe heeft u niet genoeg
Gewoonte en gebruik ontzien;
En toch, die beide zijn 't voornaamste,
Zoo al niet eigenlijk het hoogste.
Nu ja, och Heer, 'k wil niet berispen,
U is nog jong, een nieuweling,
U komt pas uit een groote stad,
Kan hier de toestanden niet kennen...
Maar nu, mijn waarde, is het noodig
De zaak wat juister op te vatten.
Tot nu toe ging u 't meest ter harte
Wat iedre ziel voor zich behoeft;
Een grove fout... dit onder ons...
Men moet de massa samen wegen;
Scheer allen over ééne kam.
Gerust, daar vaart u 't beste bij!
U bouwde hier tot aller heil
Een kerk. Die is als 't feestgewaad
Des vredes en van recht en wet;
Want in den godsdienst ziet de Staat
De macht, die 't meest doet ter beschaving...
Het bolwerk van zijn vast vertrouwen,
En 't richtsnoer der moraliteit.
Ziet u, de Staat is niet heel rijk,
En die wil waarde voor zijn geld.
Goed Christen, zegt men daar, goed burger
Denkt u dat die het geld verdoet
Voor 't menschdom, en God ten believe?
En om 't zich moeielijk te maken?
Neen, zoo gek is de Staat nu niet;
En 't zag voor allen er slecht uit
Zoo, nauwgezet de Staat en streng,
Niet meer dan dàt voor oogen had.
Doch 't doel bereikt de Staat alleen
Door middel van zijn ambtenaars,
In dit geval dus door den leeraar...
Niet veel te zeggen meer. U schonk dus
Den Staat die kerk te zijnen bate,
En daaruit volgt dat thans uw arbeid
Tot steun van Kerk en Staat moet dienen.
In dezen geest zie ik het feest,
Dat wij zoo aanstonds zullen vieren;
Zóó zullen ook de klokken luiden,
Zóó leest men dan den schenkingsbrief.
En mèt de schenking, dus, belooft u,
Nu ook te doen wat 'k u gevraagd heb...
Waarover maakt u nu zoo'n drukte?
Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!
Geen enkle ziel die schade lijdt
Als tevens u den Staat wil dienen;
Twee vliegen kan u in één klap slaan,
Als u het maar verstandig aanlegt.
't Is niet uw werk om Jan en Piet
Te redden van het vuur der hel,
Maar de gemeenteleden àllen
Aan de genadebron te laven.
Wordt 't heele kerspel dan verlost,
Heeft dus ook ieder deel daaraan.
De Staat is, u zal 't vast niet weten,
Precies republikeinsch ten halve;
Hij haat de vrijheid als den dood,
Maar ziet gelijkheid graag genoeg;
Gelijkheid vindt men echter nooit
Vóór, wat oneven is, geslecht wordt,...
En dàt is 't juist wat u niet doet!
Integendeel u heeft bevorderd
Wat ongelijk en ongewoon is.
Eertijds kwam dat nooit zoo aan 't licht.
Een ieder was lid van de Kerk.
Nu heeft elk een persoonlijkheid;
En dat komt niet den Staat ten goede.
En daarom gaat 't dan ook zoo moeilijk
Gelijkheidsbijdragen te innen,
En andere gemeente-goedren,
Omdat de Kerk niet meer de hoed is
Die passen moet op alle hoofden.
Hoewel onloochenbaar hier heerscht
Een warboel, die een gruwel is.
Maar waar nog leven is, is hoop.
En door de schenking komt te meer
Uw plicht uit, naamlijk om te werken
Voor 't heil van Kerk en Staat nu beide.
Bij alles hoort toch regelmaat,
Zal niet verspreider krachten spel
Dol, als een ongetemd wild veulen,
Vernielen griend en haag en grenspaal
Van overleev'ring en gewoonte.
In iedre orde heerscht één wet,
Al draagt die ook een andren naam.
Men noemt haar "school" voor schoone kunsten;
Bij de soldaten, als ik mij
Nog goed herinner is 't "de pas".
Ja, dat is 't woord, mijn waarde vriend!
Daar moet het heen, zoo meent de Staat.
Hij acht den "looppas" veel te snel;
"Markeert den pas", niet snel genoeg;
Maar ieder in denzelfden pas,
En ieder even groote passen,...
Kijk, dat is 't doel waarheen wij streven!
De wolken zweven, voor de ganzen!
Maar wil u poëzie en fabels,
Die vindt men in den bijbel wel.
Die is er vol van; wemelt zelfs
Van Genesis tot de Openbaring
Van vele leerrijke parabels.
Ik wijs bijvoorbeeld enkel op
Het bouwen van den Babeltoren!
Hoe ver kwam 't arme menschdom daar?
En dat waardoor? Licht te verklaren,
Zij bleven niet in de geleed'ren,
Zij spraken elk hun eigen taal,
Niet samen trokken ze onder 't juk...
Zij werden tot persoonlijkheden.
Dit is de ééne helft der kernen
Verborgen in der fabel schaal:
Wie zich van andren houdt gescheiden,
Blijft eenzaam en komt licht ten val.
Wien God in 's levens strijd wil neerslaan
Dien maakt hij tot individu.
En eertijds zeiden de Romeinen:
De goden roofden hem 't verstand.
Maar gek en eenzaam dat is 't zelfde,
En daarom moet wie eenzaam staat
Ten slotte 't zelfde lot verwachten
Als hem,... dien David zond ten strijde
In 't heetst gevecht,... Uria, trof.
'k Zie in den dood geen ondergang.
En is u er zoo zeker van
Dat waren zij die bouwden één
Van taal geweest, en één van zin,
Het hun gelukt zou zijn den toren
Tot in den hemel op te trekken?
Tot in den hemel reikt er niemand.
Dàt is de andre helft der kernen
Verborgen in der fabel schaal:
Dat ieder bouwwerk komt ten val
Dat streven wil naar 's hemels sterren.
En 't ziele-smachten reikt ten hemel!
Daarover valt niets meer te zeggen.
Natuurlijk is de hemel 't loon
Voor 'n leven welbesteed en vroom.
Maar g'loof en leven te vermengen
Schaadt beiden; 't één is niet het ander;...
Zes dagen zijn er om te werken,
De zevende is voor zielezorgen;
Stond heel de week het Godshuis open,
Wie zou er dan nog Zondags komen?
't Verzwakt de loutringskracht van 't woord,
Zoo u niet met verstand het spaart;
Want godsdienst, evenals de kunst
Moet niet zich oplossen in damp.
U mag uw idealen zien
Van 's kansels heilig toevluchtsoord...
Maar leg ze weg met 't ambtsgewaad,
Zoodra u weer in 't leven staat.
Zoo 'k zei, er is een wet in alles,
Die strenge zelfbeperking eischt,
En 't is om dit in 't licht te stellen...
Wat noodig was... dat 'k tot u sprak.
De staatsbegrippen van mijn ambt niet.
Maar niet hier... u moet hooger op;...
In andre sfeer...
Dat 'k eerst gesleurd word door het slijk?
Zal 't haakje pakken, moet men 't buigen.
Dat ik zoo iets...?
Eerst iemand langzaam doen verbloeden!
Als een geraamte past men eerst
In jullie bloedloos bleek bestaan!
Veel minder u, begrijp mij toch!
Ik dacht alleen dat het geen kwaad kon
Als ik u even wees den weg,
Waar langs ik ben vooruit gekomen.
Dat ik bij 't eerste haangekraai
Van 't Rijk, verloochnen zal ál wat
Mijn ideaal was waar 'k voor leefde!
Ik wees alleen maar op uw plicht;
Ik wil dat u op zij zal zetten
Wat uw gemeente niet tot nut is.
Bewaar het alles, als u wil,...
Maar hoû 't hermetisch achter slot.
Dweep in uw binnenste als 't dan moet,
Niet voor het volk, in 't openbaar.
G'loof mij: het wreekt zich op den duur,
Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.
Als 't Kaïnsmerk staat 't op jouw voorhoofd;
En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jij
Den Abel in je ziel gedood hebt!
(in zichzelf)
Dat gaat te ver! (luid) Ik wil nu niet
Den strijd doen duren, maar ik moet
U nogmaals vragen in te zien,...
Gesteld dat u vooruit wil komen...
In wat voor land, in welk een tijd
U leeft; want niemand wint den strijd
Als hij niet meegaat met de strooming.
Kijk naar de artisten, naar de dichters:
Verachten die der tijden plichten?
Zie de soldaten, dragen zij nog
Een scherpe sabel in de schede?
Welneen! Omdat een wet gebiedt:
Voeg u naar wat uw land behoeft.
Zijn eigen ik moet ieder temmen,
Niet uitsteken en niet vooròp gaan,
Zich in de massa stil verbergen.
Humaan is 't wachtwoord, zegt de baljuw.
Als u 't nu maar humaan aanlegde
Kon u nog mooi carrière maken.
Maar eerst de kantjes afgeslepen,
En afgeschaafd wat hobb'lig is;
Glad moet u wezen als de andren,
En niet op eigen wegen wandlen
Zal, wat u doet, ook duurzaam zijn.
Een man als u, 'k begrijp het goed,
Verlangt een beetren arbeidskring;
Maar, zal u ooit tevreden zijn
In ruimen of in kleinen kring,
Moet u de tijdslivrei aantrekken.
De korporaal moet met den stok
De maat er in slaan bij het volk.
Want 't ideaal van een die vóórgaat
Is thans bij ons, een korporaal.
Zooals de korporaal zijn menschen
Ter kerke leidt, in het gelid,
Zoo moet u de gemeente leiden
Als herder naar het Paradijs,
't Gaat zoo gemaklijk; voor 't geloof
Heeft u, als leeraar, het gezag;
En daar dat weer op studie steunt
Neemt men 't ook blindelings wel aan.
En hoe de leer u moet verkond'gen
Dat toont u wet en ritueel wel.
Dus, broeder... niet ontmoedigd zijn,
Om na te denken is 't nog tijd;
Begrijp den toestand, wees niet angstig!...
'k Wil in de kerk nog eens beproeven
Of ik met luider stem kan spreken;
'k Ben niet gewend aan zooveel klank,...
Die komt hier maar zoo zelden voor.
Tot weerziens; straks zal 'k preeken over
De tweespalt in der menschen ziel,
En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,...
Maar nu wordt 't, dunkt mij, wel haast tijd
Om 'n kleine hartsterking te nemen (af).
(staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten)
Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;
Daar klonk ééndaags-trompetgeschal
En wees mij welken geest ik diende.
Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!
Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;
Mijn licht, mijn leven gaf 'k er voor;
Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!
Ontzettend is 't alleen te staan,...
Waarheen ik zie den dood te ontwaren;
Ontzettend, zóó naar brood te hongren,
Als men u niets dan steenen reikt.
Wat sprak hij angstverwekkend waar,...
Doch welk een afgrond werd onthuld!
Gods heil'ge duive zit verborgen,
Bracht nooit nog klaarheid over mij!...
O, stond in 't g'loof maar één mij na...
Die mij weer kalmte gaf en rust!
(Ejnar bleek, uitgeteerd, in 't zwart gekleed, komt op den weg voorbij
en blijft staan als hij Brand ziet).
(uitroepend:)
Wiens hart niet is van hout of steen!
O, Ejnar, kom hier in mijn armen!
Om wat er eens gebeurd is?
Jij hebt geen schuld. Ik zie in jou
Het blinde werktuig, dat Gods liefde
Mij toezond, toen ik was verdwaald.
(wijkt terug)
Die iemand leert, als hij der zonde
Gewaad aflegt, en wordt herboren.
Dat jij toenmaals heel andre wegen
Had ingeslagen...
Door hoogmoed, trotsch op eigen krachten.
De gaven, die de wereld aankweekt,
't Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,
Mijn zangkunst, 't waren enkel strikken,
Die mij in Satans netten trokken.
Maar God zij dank; hij had mij lief,
Hij liet zijn zwakke lam niet los;
Hij hielp mij, toen het noodig was.
Hij deed naar 't dobbelspel mij grijpen...
Daarna werd ik een tijdlang ziek.
'k Verloor mijn werklust, mijn talent,
En al mijn vroolijkheid verdween.
Toen zond men mij naar 't ziekenhuis;
Lang lag ik ziek, in heete koortsen...
Ik meende dat 'k in alle kamers
Zag duizenden heel groote vliegen,...
Kwam er weer uit en maakte kennis
Met zusters, die in 's hemels dienst staan,
Verloren zielen zoekend rondgaan;
En dezen, met een theoloog,
Verlosten mij van 's werelds juk,
Bevrijdden mij uit 't net der zonde
En maakten mij tot 'n kind des Heeren.
Het andere langs een steile helling.
Toen ben 'k geweest onthoudingsleeraar.
Maar daarbij loopt men groot gevaar
Weer in verzoeking te geraken;
Ik zocht daarom iets anders weer,
Ik ga nu weg als zendeling...
Maar 't best is dat wij nu maar scheiden!
Mijn tijd is kostbaar...
't Is feest van daag hier.
Mijn plaats is bij de zwarte zielen.
Vaarwel! (wil gaan).
Je te verwijlen en te vragen...?
Den afgrond tusschen nu en toen...
Nog aan die jonge vrouw van toen,
Die me in haar netten hield gevangen,
Vóór ik door 't g'loof nog was gereinigd.
Wel, hoe is het met haar gesteld?
Schenk ik volstrekt geen aandacht meer?
Dat waar 't op aankomt zeg me alleen.
Met vreugd en leed; ons kindje stierf...
'k Wil weten hoe zij is gestorven.
Met heel den rijkdom van haar hart,
Met vasten wil tot 't laatste toe;...
Met dank voor al wat 't leven gaf
En nam, zoo ging zij in haar graf.
Zeg hoe het stond met haar geloof?
(kalm)
Heeft in zijn greep ook jou te pakken;...
Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.
Die zelf lag in een poel van zonden...
Ik ben gereinigd door het g'loof;
En alles wat er onrein was
Wies ware heiligheid mij af;
Gereinigd is mijn Adamskleed
Door der ontwaking klophout-slag;
En als een koorhemd ben ik blank,
Gebleekt door 't loogbad des gebeds.
En 'k zie den duivel om den hoek staan.
Ik ben een korrel hemelsch koren,...
Jij in de zeef van 't oordeel... kaf. (af).
BRAND (kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen
en hij barst uit:)
Naar dien man moest ik verlangen!
Nu zijn alle banden los;
Eigen vlag zal ik ontplooien,
Al ging niemand met mij mee!
(komt haastig op)
Heel de schare voor den optocht
Staat gereed om uit te trekken...
Denk eens na, spoed u naar huis!
't Volk wil al niet langer wachten;
Al die goede menschen dringen
Als een bergrivier in 't voorjaar,
Naar de pastorie opstuwend,
Roepen dat ze u willen zien.
Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen!
Haast u, want ik vrees zij mochten
Niet humaan te werk eens gaan.
In hun midden, met u gaan;
Ik blijf hier.
Meer en meer het volk gaat dringen;
Kijk, daar heb je 't al, waarachtig!
Proost en priesters, ambtenaars
Allemaal op zij gedrongen...;
Kom toch, kom toch, sla d'r op los!
Laat uw invloed zich doen gelden!
Al te laat! de rijen breken;
Heel de optocht loopt in 't honderd!
(De menigte stroomt naar binnen en breekt in woeste wanorde door den
feeststoet heen naar de kerk toe).
ANDERE (wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en
roepen:)
Kijk daar!
(in het gedrang)
Dat hen tot bedaren brengt!
Is 't iets slechts of is 't iets goeds
Wat er hier gebeuren moet?
Door hun drukkend loome kalmte!
Menschen, gij staat aan den kruisweg,
't Nieuwe moet geheel gij willen,...
Puin en vuil van 't oude wegdoen,...
Vóór de tempel, hoog en groot
Oprijst tot een bedehuis!
Dat gij, hoe dan ook, toch diende
Hem, die geest en waarheid wil!
En ik was het, toen ik dacht,
Dat ik hem u nader bracht
Lonkend, dingend, met den Heer;
Klein was maar het oude kerkje,
En ik redeneerde zoo:
Eéns zoo groot,... dat slaat wel in;
Vijfmaal grooter... dàt moet goed doen!
En ik zag niet hoe 't weer gold
't Oude alles of wel niets.
Transigeerend dwaalde ik af.
Maar op heden sprak de Heer.
De bazuin des Oordeels heeft er
Over 't huis zoo juist geklonken,...
En ik, luistrend, angstig, bevend,
Klein, als David stond voor Nathan,
Was verslagen, stom van schrik;...
Nu is alle twijfel weg.
Schipp'ren blijft een werk des Duivels!
(in stijgende opwinding)
Doodt, wie stalen onze krachten!
'n Blinddoek voor de oogen binden,
Klein verdeeld hebt gij uw krachten,
U verbrokkeld en gekloofd;
Daardoor zijt gij zwak en hol nu,
Niemand krachtig, sterk en heel.
Wat zoekt gij hier in de kerk?
't Is de praal maar die u lokt,
Orgelspel en klokgelui...
Het genot van heerlijk huivren
Bij een preek vol vuur en gloed,
Die daar lispelt, die daar fluistert,
Wast en overvloeit en dondert,
Naar de regels van de kunst!
(in zichzelf)
(evenzoo)
't Uiterlijke dat gij wilt.
En dan weer naar huis in stompheid,
Weer terug in sleur en dufheid,
Lijf en ziel in werkdags-kleeren;
En diep in de kist verborgen,
Goed bezorgd, het boek des levens,
Tot er weer een Zondag komt!
O, dat was 't niet wat ik droomde,
Toen ik al die offers bracht!
Hoog en groot wilde ik de kerk,
Dat zij overwelven zou
Niet alleen geloof en leer,
Maar àl wat God in het leven
Recht van leven heeft gegeven...
Zweet en stof van 't zware dagwerk,
Avondrust en bange nachten,
Levenslust van jonge menschen,
Alles wat van vreugd en leed
'n Menschenziel maar kan bevatten.
't Bruisend neerstorten van beek en
Waterval in donkren afgrond,
Tonen gierend uit den storm,
Klanken uit de zee òpklinkend,
Moesten met het orgelspel
En met 't lied van menschenstemmen
Als bezworen, samen smelten!
Weg met 't werk dat hier gedaan is!
't Is alleen in leugens groot;
Rijp alweder om te vallen,
Is het uw klein-willen waardig.
Gij wilt allen wasdom dooden
Door uw werk van God te scheiden...
Zes der dagen van de week
Haalt gij Gods banier naar binnen.
En den zevenden alleen,
Ziet men haar ten hemel wapp'ren!
Met u zullen we overwinnen!
Hij bezit niet 't ware g'loof.
Voor ons beiden het geschilpunt,
En voor de verbroken éénheid!
Zonder ziel kan niemand g'looven!
Wijs mij hier één ènkle ziel!
Wijs mij iemand die niet wegwierp
't Beste wat er in hem is.
Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,
Onder 't jagen naar genoegens,...
Lokkend fluitend goochelspel...
Wordt gij stomp voor levensvreugd.
Uitgebrand pas en gebroken
Komen zij voor de arke dansen!
Hebben kreup'len dan en dooven
Eerst den beker leeg gedronken,...
Ja, dàn is het tijd voor boete,
Tijd voor hopen en voor bidden,
Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,
Wordt als 't redelooze dier,
Kruipt gij naar de hemelpoort,
Zoekend God... als invaliden!
Daarom moet zijn rijk vervallen.
Waarom zou hij aan zijn voeten
Die verlepte zielen dulden?
Heeft hij zelf het niet verkondigd...
Enkel zij, die rein van zin zijn
Als een kind, en onbedorven,
Zullen 't hemelrijk eens erven!
Kinderzin alléén bereikt dat!
Transigeert niet met u zelven.
Komt dan allen, mannen, vrouwen,...
Komt met frissche kinderwangen,
In de groote kerk des levens!
(gilt angstig)
't Groene aardrijk is haar vloer,
Weide of akker, zee of fjord;
's Hemels blauw is het gewelf
Dat haar ruimte overspant.
Daar zal al uw werk gebeuren,
Dat een ieder 't moge hooren;
Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,
Haar daarmede te ontwijden.
Zij zal alles dekken, even
Als de bast den heelen stam:
Dáár wordt g'loof en leven één.
Daar zal 't daaglijksch werken worden
Eén geheel met wet en g'loofsleer.
Daar zal 't dagwerk voor u één zijn
Met verlangen naar het hoog're,
't Spel der kinderen om den kerstboom,
En den feestdans vóór de arke!
(Er gaat als een storm door de menigte; enkelen wijken terug; de
meesten scharen zich om Brand).
Eén is 't: leven... en God dienen!
Helpt politie, baljuw, koster!
(gedempt)
Vechten met een dollen stier?
Wacht tot hij is uitgeraasd.
(tegen de menigte)
Kàn hij zijn hier bij dezulken?
Vrij en heerlijk is zijn rijk.
(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).
Ik herroep wat 'k heb geschonken;...
Uit mijn hand zal niemand krijgen
Deze sleutels voor uw feest!
(gooit de sleutels in de rivier).
Kruip dan door het keldergat;
Krom uw slappen rug, en buk;
Laat in 't donker uw verpeste
Zuchten sluipen langs den grond,
Krachtloos als uw rotte longen!
(zachtjes en verlicht)
(evenzoo)
Laat van u, door 's levens adem,
Wisschen 't stof uit 't enge dal.
Volg mij op mijn zegetocht!
Eénmaal moet gij toch ontwaken,
Eénmaal moet gij toch, geadeld,
Breken met wat schipp'ren heet;...
Uit de ellende van uw lafheid,
Uit al wat er zwak en laag is.
Sla in 't aangezicht uw vijand!
Strijd met hem op dood en leven!
Heel het land door, gaan wij trekken,
Iedren zieleband ontknoopend
Die het volk gevangen houdt,...
Dan gelouterd, hoog en vrij,
Al wat traag en stomp is wegdoen,
Mannen wordend, priesters wordend,
Nieuw opdrukkend d' ouden stempel,
Welvend 't Godsrijk als een tempel!
(De menigte, waaronder de koster en de schoolmeester, schaart zich
om hem heen. Brand wordt opgeheven en op hun schouders gedragen).
Dingen zal men zien gebeuren!
(De menschenmassa stroomt door het dal de hoogte op. Weinigen blijven
achter).
(tegen de weggaanden)
Ziet gij niet dat Satans geest uit
Al wat hij verkondigt, spreekt?
In het dorp hier, kalm en stil.
Menschen hoort!... Je gaat te gronde!...
Hm, geen antwoord zelfs, die honden!
Denkt aan 't onverzorgde vee!
Toen zijn volk eens honger leed!
(ver weg)
DE PROOST (kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt
dan angstvallig:)
Zonder kudde, angstig vragend,
Staat nu de oude zieleherder,
Uitgekleed tot op het hemd!
(maakt een dreigend gebaar)
Overwinnen zullen wij!
En... ik ken mijn schaapjes wel! (loopt hen na).
Achterna loopt hij de bende!
Hè, ik voel mijn moed herleven...
Dan wil ik ook mee den berg op!...
Mooglijk vang ik er wel enklen!
Leg het zadel op mijn klepper!...
Haal me een paard, vertrouwd en mak!
(allen af).
wordt het landschap hooger en gaat over in groote kale bergvlakten. Het
regent. Brand, door de menigte, mannen, vrouwen en kinderen, vergezeld,
komt den berg op).
Het dorp ligt achter ons, beneden.
Van berg tot berg spant dicht de mist
Er overheen haar neveltent.
Vergeet het duf bestaan daarginds,
Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!
DE SCHOOLMEESTER..
Langs welken weg?
Als wij maar 't doel er mee bereiken.
Komt, volgt...
Dat halen wij niet vóór den nacht!
Gij wilt uw loon al vóór de werken.
Op, schudt die loomheid van u af,...
Zoo niet,... keer dan terug in 't graf!
Wij weten 't toch, ons loon komt later!
Nu uit den hemel op u neerziet!
(gedempt)
(kijkt wanhopig rond in de massa)
Beneden daarop niet recht antwoord.
(verontwaardigd)
(sluit zich dichter aaneen)
Die duurt tot aan uw levenseinde,
Tot gij alle offers hebt gebracht,
Los zijt van al uw transigeeren,...
Tot gij uw wil hebt in uw macht,
Tot alle zwakke twijfel wijkt
Voor het gebod: alles of niets!
En de verliezen? Al uw goden,
De geest der halfheid, gouden ketens
Die u aan de aarde slaafs nog binden,
Al wat uw slapheid loom bevordert!
En wat de buit is? Rein van wil zijn,
Een sterk geloof, der ziele éénheid,...
Een offervaardigheid, die geeft
Met jubel zelfs, tot in den dood,...
Een doornenkroon op ieders voorhoofd,...
Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!
(onder razend getier)
Beloofd... nu zullen 't offers worden!
Die wordt ook eens door u behaald.
Maar wie vooraan staat in de rijen
Moet kunnen vallen voor zijn zaak.
Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoen
Zijn wapen, vóór de strijd begint.
In 's vijands macht toch valt de vlag
Als haar een zwakkeling verweert.
Wie er door offerangst verlamd wordt,
Is met het doodsmerk al geteekend!
Voor een nog ongeboren volk!
De wegen naar ons Kanaän.
Ter overwinning door den dood,
Roep ik u op, als 's Heeren ridder!
In 't dorp zijn we in den ban gedaan...
Aanvoeren als ons opperhoofd?
(wijzen verschrikt naar den weg beneden)
(komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen)
Hoort naar de stem uws ouden herders!
(tegen het volk)
Laat ons den berg maar overgaan!
Mijn hart zoo diepe wonden slaan!
Met holle woorden.
Waar wij oprecht berouw maar zien.
O, keert toch tot u zelven in,
En ziet met welke hellelist
Hij alle menschen tot zich lokt!
Een troepje in dezen hoek geboren?
Zijt gij tot iets groots uitverkoren?
Komt één gevang'ne door u vrij?
Gij hebt uw kleine daagsche taak,
En wat daarbuiten gaat is zonde.
Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?
Beschermt gij maar uw nedrig hutje.
Wat moet gij doen bij valk en arend?
Wat moet gij doen bij wolf en beer?
Gij wordt maar buit van de overmacht,...
O, mijne lamren,... o mijn kindren!
Voor goed de huisdeur achter ons;...
Daar is geen thuis meer voor ons nu.
Hij wees op valschheid, schijn en leugens;
Niet langer slaapt nu de gemeente;
En wat daarginder leven heet
Geen leven is 't voor wie ontwaakte.
En alles komt in 't oude spoor;
Houdt u maar eerst een poosje stil!
Ik sta u borg dat de gemeente
Weldra weer leven zal in vrede.
(komt haastig aangeloopen)
Een beetre tijd breekt aan voor 't dorp;
Als je nu maar verstandig zijn wilt
Kan je allen rijk zijn vóór den avond!
Miljoenen en miljoenen zijn er!
Een hagelbui verdrijft ze licht.
Zij trokken vroeger nooit hierheen;...
Nu, vrienden, komt er hier in 't Noorden
Voor ons ook eens een beetre tijd!
Een vingerwijzing van den Heer!
Ach, 'k heb zoo vaak er van gedroomd,
Doch hield het voor verbeeldingsspel;...
Nu zien wij duidlijk de bedoeling...
Om in een ijdlen strijd je kracht
Te meten met een overmacht,
Die zelfs den proost benauwen zou.
Nù heb je een ander doel voor oogen
Dan dom te smachten naar het hooge.
De Lieve Heer kan 't wel alleen af,
En ook de hemel staat nog stevig.
Bemoei je niet met andre kwesties,
Maar haast je om de visch te vangen,
Dat is een nuttig, praktisch werk,
Dat zonder bloed of staal geschiedt;
Het brengt je voordeel aan en welstand,
En eischt ook geen persoonlijk offer!
Zóó vlamt aan 's hemels trans het woord!
Komt dan gerust maar naar mij toe,...
Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;...
Ik zal u waarlijk...
(afbrekend)
(zachtjes tegen den proost)
(evenzoo)
(gedempt)
Zal men met u zoo streng niet zijn...
Als in een open boek gedrukt staan.
Hij hield je allen voor den gek...
En zelfs cum laude heeft hij niet!
Op 't sacrament, toen zij ging sterven!
Een slechter Christen is er niet!
Ik weet waar gij thans allen heengaat.
(brullend:)
En steenigt hem, den hellegeest!
(Brand wordt met steenworpen de rotsige vlakte opgedreven. Daarna
keeren de vervolgers terug).
Nu keert gij weer naar huis en haard;
Dat uw berouw uw oog verheldre,
Dan zult gij zien, wordt alles goed.
Wij weten 't immers, God is goed;
Hij vordert geen onschuldig bloed;
En de Regeering eveneens
Is mild, als bijna nergens anders;
En uw bestuur hier, onze baljuw,
Zal het u ook niet lastig maken;
En ik ben liefdrijk en humaan
Als 't hedendaagsche Christendom;
Uw supérieuren willen allen
In vrede en eendracht met u leven!
Die moet dan worden bijgelegd.
Zoodra het weer wat rustig is
Benoemen wij dan een commissie,
Die onderzoeken zal in hoever
De godsdienst aan den eisch voldoet.
Die mag uit geestlijken bestaan,
Die wij, de proost en ik, beroepen...
Daarbij ook, als men het verlangt,
De koster en de dorpsschoolmeester,
Met andre mannen uit het volk
Aan wie men graag vertrouwen schenkt.
Zooals den ouden zieleherder
Gij hebt verlicht zijn grooten angst.
Dàt denkbeeld geev' een ieder kracht,
Dat God een wonder voor u deed.
Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!
(De menigte daalt den berg af).
(tegen den baljuw)
Nu komt in alles hier verandring;
Want, God zij dank, bestaat er iets
Dat men den naam "reactie" geeft.
In zijn geboorte werd gesmoord.
(fluit)
Mij 't eerste inviel op 't moment.
Is dat te laken, waar het gold
Zoo'n groot belang?
Best te verantwoorden desnoods.
Het volk bedaard is en verstandig,
Wat deert het dan of we overwonnen
Door waarheid of door leugentaal?
Maar is dat Brand niet die daarginds
Zich voortsleept?
Een eenzaam strijder op zijn tocht!
Ver achter hem!
De kerel is 't gezelschap waard.
(vroolijk)
Zou dit als grafschrift kunnen dienen:
"Hier rust Brand, van strijdlust vol;
Hij won één ziel... en die was dol!"
(met den wijsvinger tegen den neus)
Lijkt mij toch 't oordeel van het volk
Nogal een beetje inhumaan.
(haalt de schouders op)
(Boven op de kale bergvlakte. Het weer wordt hoe langer hoe slechter;
zwarte wolken jagen laag en dicht over de sneeuwvelden heen. Zwarte
toppen en kammen komen nu en dan te voorschijn en worden weer door
nevels omhuld).
(Brand komt bloedig gewond en verslagen den berg op).
(staat stil en kijkt achterom)
En niet een kwam tot de toppen.
Wel doorklinkt er aller harten
Drang naar grootscher, beter tijd;
Wel daalt neer in alle zielen
De oproep tot den heil'gen strijd.
Maar het offer, dat beangst hen;
Zwak en bang verbergt de wil zich...
Eén stierf immers voor hen allen,...
Lafheid geldt niet meer als misdaad!
(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).
Ging ik bibberend van angst...
Onder 't huilen van de honden...
In het donker... 'k was een kind!...
In de kamer waar het spookte.
Maar 'k bedwong mijn hartekloppen,
Troostte mij met de gedachte:
Buiten schijnt het volle licht,
't Duister komt niet van den nacht,...
Er zijn luiken voor de ramen.
En ik dacht hoe straks het daglicht,
Heldre zomerzonneschijn,
Zou de deur- en vensterbogen
Vol en heerlijk binnenstroomen,
In de kamer waar het spookte.
O, hoe bitter ben 'k bedrogen,
Pikzwart sloeg de nacht mij tegen...
En daarbuiten zaten mannen
Somber, stil, langs fjord en veld,
Houdend vast aan doode droomen,
Ze bewakend, als de koning,
Jarenlang bij Snefrids lijk,
Woelend los een punt der lijkwâ,
Voedend zich met ijdle hoop,
Meenend telkens dat de rozen
Weer herbloeiden op zijn wangen.
En, als hij, was er geen enkle
Die het graf gaf wat het eischte.
Onder hen niet één die weet:
Lijken droomt men niet ten leven,
Lijken moeten in den grond;
Hunne taak is het te geven
Voedsel aan een nieuwen oogst...
Donkre nacht,... nacht, overal,
Over mannen, vrouwen, kindren!
Kon ik hen met bliksemflitsen
Van des stroodoods-nood verlossen!
(springt op).
Als een hellevaart in 't donker.
'k Zie den tijd in wapenrusting
Manend, levensoffers vragen,
Eischend klinkend staal, geen stokken,
Eischend zwaarden uit de scheede;...
Neven zie 'k ten strijd zich gorden,
Broeders zie 'k gedoken zitten,
Met hun hoed diep in de oogen.
En nog meer zie ik voorbij gaan,...
Alle gruwlen en ellende!
Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,
't Oor gesloten voor wie smeekt,...
'k Zie hen op hun voorhoofd krassen
't Merk van arme strandbewoners,
't Minste volk door God geschapen.
Bleek en klein zich makend, staan zij,
Denkend zóó zich te beschermen...!
Vlaggen, meidags-regenboog,
Waar is dat nu alles heen?
Waar is nu de blijde driekleur,...
Zij, die wapp'rend, klapp'rend uitwoei
Onder juichend volksgejubel,
Tot een koninklijke dweper
Tong en split knipte in de vlag?
Met de tong werd toen gepraald;
Tanden mag de draak niet toonen,
Waartoe dan dat split als muil?...
Hadde 't volk toch niet gejubeld,
Niet geknipt des konings schaar!
Zoo'n vlag met vier vredeshoeken
Is net goed voor noodsignaal,
Als een schuit is lek gestooten!
Erger tijden en visioenen
Lichten door den toekomstnacht!
Als een walmend zwarte wolk
Spreidt zich Eng'lands kolendamp uit.
Al het frissche groen besmeurend,
Iedre spruit in roet verstikkend,
Komt zij, zwaar van gif, geslopen,
't Zonlicht stelend van de velden,
Zijgend neer, met asch bezwangerd,
Als een strafgericht der Oudheid...
Leelijk worden nu de menschen;...
Door der mijnen kromme gangen
Klinkt 't geluid van dropp'lend water.
't Dwergenvolk, vol ijver bezig,
Werkt, den geest van 't erts bevrijdend,
Gaat gekromd van rug en ziel,
Lonkt er met begeer'ge oogen
Naar de blanke gouden leugens,
Zonder smartkreet, zonder glimlach,
Valt een broeder, dat deert niemand,
Eigen val wekt ook den leeuw niet;...
Allen haamren, vijlen, munten;
Niemand denkt meer aan het licht;
't Heele menschdom weet niet meer
Dat, al mogen krachten zwichten,
Dit nog niet ontslaat van plichten!
Erger tijden en visioenen
Lichten in den toekomstnacht!
Koud verstand met luid geblaf
Dreigt de zon der leer op aarde.
'n Noodkreet stijgt er op uit 't Noorden,
Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;
Dwars en mokkend sist de dwerg,
Dat is toch voor mij geen werk.
Laat de sterken daarvoor gloeien,
Andren òpkomen daarvoor;
Dat ligt niet op ònzen weg...
Wij zijn klein, zijn niet berekend
Voor een waarheidsstrijd-tournooi;
Kunnen voor ons heilsverlies
Niet het volkswelzijn opoffren.
Niet voor òns heeft hij geleden,
Niet voor òns drong in zijn slapen
Van zijn kroon der doornen punten...
Niet voor òns drong er de lanspunt
In de zijde van den doode.
Niet voor òns brandden de nagels,
Hem geboord door handen, voeten...
Wij zijn klein, haast onbekend hem,
Zijn tot helpen niet geschikt!
Niet voor òns werd 't kruis gedragen!
Ahasverus' riemslag, bloedig
Zweepend, purperkleurend rug en
Schouders van den lijder... dat is
Ons deel van het passiewerk!
(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje
kijkt hij op).
Heb 'k gedroomd? Ben ik nu wakker?
Alles grauw in mist verborgen.
Waren 't kranke droomgezichten,
Die er langs mijn oogen trokken?
Is het beeld, waarnaar de ziel
Werd geschapen, gansch verloren?
In onze oergeest overwonnen?... (luisterend).
Als gezang klinkt 't in den stormwind!
(ruischt in den stormwind)
Want uit stof zijt gij geboren:
Of zijn werk gij doet, of zwicht,
Toch zijt gij voor goed verloren!
(herhaalt de woorden en zegt zacht:)
Stond hij niet op 't koor der kerk,
Toornig mijn gebed afwijzend?
Nam hij niet al wat 'k bezat,
Sloot mij af den weg des lichts,
Liet mij strijden tot het eind toe
En het onderspit mij delven!
(klinkt sterker boven hem)
Tot den dood zijt gij gedoemd;
Gij moogt volgen hem of wijken,
Altijd blijft uw doen verdoemd!
(in zichzelf)
'n Leven in geluk en rust,
Ruilde ik voor strijd en jammer,
Wondde bloedig mij de borst,...
Heb toch niet den draak verslagen!
(zacht en lokkend)
Have en goed hebt gij verloren;
Offers maken hèm niet rijk;...
Want als mensch zijt gij geboren!
(barst in zacht schreien uit)
Eenzaam zit 'k hier op den top,
Huivrend in den wind, met spoken
Wild en somber, om mij heen!...
(Hij kijkt op; een lichtschemerende plek opent en verwijdt zich in
den nevel; eene vrouwelijke gedaante staat voor hem in een licht
gewaad en een mantel om de schouders. Het is Agnes).
(glimlacht en breidt de armen naar hem uit)
(springt verward op)
Nù verdwijnen alle neev'len!
(gilt)
Zie je niet die diepe kloof,
Waardoor 't woeste water stroomt? (zacht).
Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,
Ziet nu geen visioenen meer.
Ziek ben je geweest, mijn liefste,
Dronk des waanzins bittren drank,
Droomde dat wij je verlieten...
(snel)
Volg mij, kom, de tijd is kort maar.
Al dat leed heb je gedroomd;
Al je strijd... bedrog en waan.
Alf zit op grootmoeders schoot;
Zij is flink en hij wordt groot.
Ook de kerk staat nog in 't dorp;
Bouw een grootre, als je 't wilt;...
En het volk slooft daar beneden
Als in de oude, goede dagen.
Maar aan rust heb je behoefte...
't Droomgevaar ligt op de loer.
Weer zal je als een schim verglijden,
Weg van 't kind en mijne zijde,
Weer versombert dan je geest,
Wil je 't middel niet gebruiken.
Jij alleen, en niemand anders.
Die er las zoo menig boek,...
Die zoo knap is door en door,
Heeft de ziektekiem gevonden.
Alle droeve droomgezichten
Komen uit drie woorden voort.
Die drie moet je dapper schrappen,
Moet ze uit je geheugen wisschen,
Ze niet meer als wet doen gelden.
Die zijn schuld van de visioenen,
Die als waanzin je overvielen;...
Doe ze weg, zal rein je ziel zijn
En bevrijd van pijn en ziekte!
(wijkt terug)
Is het dat?
En zoo waar jij eenmaal sterft.
Nog als vroeger boven ons!
Klem mij in je sterke armen...
Laat ons zon en zomer zoeken...
(het hoofd schuddend)
Nu geen wilde droomen meer,...
Nu komt 't rijke, volle leven!
Brand, wat wil je?
Leven wat 'k tot nog toe droomde,...
Doen in waarheid, wat maar waan was.
Dat je voerde!
Wil je uit vrijen wil doorleven?
Mij met offergeesels slaan
Tot 'k bezwijk?
't Zonnig daglicht buiten sluiten,
Nooit van 's levens vruchten plukken,
Nooit je ziel door zang verblijden?
O, 'k herinner mij zoo veel!
Hoe je hoop je heeft bedrogen?
Eenzaam bleef je... werd geslagen!
Niet voor eigen zege streed ik.
Dreef den mensch uit 't Paradijs!
En de poort heeft hij gesloten;...
Dáár komt niemand over heen!
DE GEDAANTE (verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar
zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand
die wegvlucht:)
Sterf! Wat doe je hier op aarde!
(staat een oogenblik als bedwelmd)
Vlood op groote zwarte wieken
Als een gier over de vlakte.
't Was het vragen van een pink
Om de heele hand te krijgen!...
Ja, dat was de geest der halfheid!
(komt op met een buks)
'k Wil hem na, ik wil hem raken!
Telkens meent men hem te raken
In het hart, met 't moordend lood,...
Maar als men hem af wil maken,
Zit hij spottend en brutaal
Achter je, en vliegt weer weg.
Laadde haar met lood en zilver;
G'loof maar dat 'k zoo gek niet ben
Als ze zeggen!
Wat gebeurde er?
(dichterbij)
Ook je voorhoofd!
Knarsend nu, als krakend herfstloof.
(kijkt hem met groote oogen aan)
'k Dacht dat je de priester was;
... Bah, die heele priesterrommel!...
Maar jij bent de allergrootste!
'k Zie je bloed langs 't voorhoofd drupp'len.
Door der scherpe doornen tanden,
Diep en woest in 't vleesch gedrukt.
Ja, aan 't kruis heb je gehangen!
Vader zei, toen ik nog klein was,
Hoe dat eertijds was gebeurd,
Ver van hier en met een ander;...
Maar nu zie 'k, dat was een sprookje;...
Ja, want jij bent de Verlosser!
Biddend knielen aan je voeten?
Ter verlossing van ons allen!
Voor mijn eigen arme ziel!
(schudt het hoofd)
In je hand is 't nagelmerk;...
Uitverkoren, de Verlosser!
(kijkt naar boven; de wolken scheuren)
(staart voor zich uit)
Aan de laagste sport der ladder,
Ziel en lichaam zwaar gewond.
(wilder)
Boort zijn spits diep in den hemel!
Eindelijk ben je er toch gekomen!
O, hoe zielsverlangend smacht ik
Naar de zon, naar licht en zachtheid,
Naar een vromen, stillen vrede,
Naar des levens zomerwarmte! (barst in tranen uit).
Jezus, 'k riep zoo vaak uw naam,
Nooit zijt gij tot mij gekomen;
Zijt dicht langs mij heen gegleden,
Als een half vergeten woord;
Laat mij nu van 't heilsgewaad,
Nat van wijn der ware boete,
Grijpen 'n enkel tipje maar!
(bleek)
Tranen langs je wangen stroomen,...
Warm, dat droppels van hun lijkwâ
Zachtjes glijden van de toppen,...
Warm, dat van mijn ziel de ijskorst
Smelt, en zich in tranen oplost,...
Warm, dat 't sneeuw-miskleed in flarden
Van den ijskerk-priester afglijdt... (bevend).
Waarom schreide je niet eerder!
(met helder oog, stralend en als verjongd)
Zonder zomerzon van boven
Ben 'k, tot heden, slechts gebleven
Drager van Gods strenge wetten;...
Nu, van dit uur, zal mijn leven
Warm en rijk het zonlicht zoeken.
De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,
Kan ik knielen,... kan ik bidden.
(Valt op de knieën).
(kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw)
Zie je niet zijn schaduw vallen?
Zie, hoe hij langs hooge toppen
Met zijn breede wieken schuurt.
Nù is 't reddingsuur nabij...
Als nu 't zilver maar wil bijten!
(Legt de buks tegen haar wang en schiet. Een dof gedreun, als van
rollenden donder, weerklinkt van boven af langs de helling).
(komt overeind)
Kijk, hij wankelt,... hij gaat vallen;
Hoor, hij schreeuwt, dat 't gillend doorklinkt!
Kijk eens, kijk, hoe al zijn veeren
Stuiven langs den berg als vlokken,
Kijk, hoe groot en wit hij wordt!...
Hei, nu rolt hij nog hierheen!
(zakt in elkaar)
Zijn veroordeeld àlle telgen!
Van den hemel, toen hij viel!
Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!...
O, nu ben 'k niet langer bang;
Hij is wit nu, als een duif...!
(gilt in angst).
(werpt zich neer in de sneeuw).
(kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)
Heeft geen greintje waarde dan
Van den wil het quantum satis...?
(De lawine begraaft hem en vult het heele dal).
(klinkt door den rommelenden donder heen:)
Eerste bedrijf
DRAMATISCH GEDICHT IN VIJF BEDRIJVEN
PERSONEN
Aase, de weduwe van een boer. Peer Gynt, haar zoon. Twee oude vrouwen, met korenzakken. Aslak, een smid. Bruiloftsgasten. De Keukenmeester. De Speelman enz. Een nieuw aangekomen boerenechtpaar. Solvejg en de kleine Helga, hun dochters. De Boer van Haegstad. Ingrid, zijne dochter. De Bruidegom en zijn ouders. Drie berghut-meiden. Een in 't groen gekleede vrouw. De Koning van Dovre. Een Hofkabouter. Verschillende andere Kabouters. Jeugdige Kabouters van beiderlei kunne. Een paar Heksen, Aardgeesten, Dwergen, Aardmannetjes, enz. Een leelijke Jongen. Een Stem in het duister. Vogelgeschreeuw. Kari, een boerenvrouw. Mister Cotton, Monsieur Ballon, die Herren von Eberkopf en Trumpeterstraale, reizigers. Een dief en een heler. Anitra, de dochter van een Bedoeïnen-stamhoofd. Arabieren, Slavinnen, dansende Meisjes, enz. De Memnonzuil (zingende) en de Sfinx van Gizeh (zwijgende figuur). Begriffenfeldt Professor, dr.
, directeur van het Krankzinnigengesticht te Kaïro. Hoehoe, een taalhervormer van de kust van Malabar. Hoessein, een Oostersch Minister. Een Fellah met een koningsmummie. Verscheidene krankzinnigen met hun oppassers. Een Noorsch Scheepskapitein en de bemanning van zijn schip. Een vreemde Passagier. Een Geestelijke. Een Begrafenisstoet. Een Ambtenaar. Een Knoopengieter. Een magere persoon.
De handeling, die plaats heeft in 't begin der 19de eeuw, en eindigt
omstreeks het jaar 1860, wordt gedeeltelijk afgespeeld in het
Gudbransdal en zijn bergen, gedeeltelijk aan de kust van Marokko,
in de Saharawoestijn, in het gekkenhuis te Kaïro, op zee, enz.
Een helling met loofboomen bij Aase's hoeve. Een beek stroomt schuimend
naar beneden. Aan den anderen kant een oude molen. Warme zomerdag.
Peer Gynt, een forsch gebouwde jonge man van twintig jaar komt het
voetpad af. Aase, zijn moeder, klein en tenger, komt achter hem
aan. Zij is boos en kijft.
(zonder stil te staan)
't Is weer alles leugenpraat!
(blijft staan)
(vlak voor hem)
Loopt van huis maar weken lang
Juist in de'allerdrukste tijden,
Om te jagen in de bergen,...
Komt thuis met gescheurden pels,
Half gekleed en zonder wild;...
En ten slot zou je wel denken
Mij je jagers-leugenpraat
Zoo maar op de mouw te spelden!...
Wel, waar was 't dat je den bok zag?
(lacht spottend)
Achter kreupelhout verborgen
Groef hij in de harde sneeuw
Naar wat mos...
(als voren)
Hoorde 't knarsen van zijn hoef,
Zag van één gewei de takken.
Toen, voorzichtig, tusschen steenen,
Sloop ik op mijn buik vooruit.
Daar verborgen gluurde ik opwaarts;...
Zulk een bok, zoo mooi en vet,
Zag je van je leven niet!
En, bons! lag de bok ter aarde.
Maar zoodra hij nederviel
Zat ik op zijn rug al schrijlings,
Greep hem bij zijn linkeroor,
Haalde juist mijn mes al uit
Om 't hem in den nek te steken;...
Hei! daar gaat hij aan het schreeuwen,
Staat pardoes weer op zijn pooten,
Werpt naar achteren zijn gewei
Dat 'k verlies mijn mes en schede;
Pakt als in een schroef mijn lenden,
Slaat zijn horens om mijn beenen
Dat 'k als in een tang geklemd zit,...
En zoo rent hij met een vaart
Rechtstreeks over Gendinskam!
(onwillekeurig)
Ooit den Gendinskam gezien?
'n Halve mijl is die wel lang,
Smal... niet breeder dan een zeis,
Over gletschers, losse steenen,
Scherpe kanten, grauw en steil,
Kan je zien aan beide kanten
't Zwarte water in de diepte
Slapend, meer dan dertienhonderd
El omlaag, den berg insluitend...
Daarlangs stoven hij en ik
Pijlsnel voort door weer en wind.
Nooit bereed ik nog zoo'n beestje!
Midden door die wilde vaart
'n Knett'ren als van zonnevonken.
Arendsruggen zwommen bruin
In het duizeldiepe ruim,
Halfweg tusschen ons en 't water,...
Dreven dan weer weg, als schuim.
Drijfijs brak er aan de kanten,
Doch 't geluid was niet te hooren;
Draaikolks-feeën dansten maar
Zingend, zwierend in het rond,
Voor mijn oogen, en mijn ooren!
(duizelig)
Op een vreeslijk steile plek,
Vliegt daar plotseling een sneeuwhoen
Uit de spleet waarin het zat,
Fladdert kakelend, verschrikt,
Op, vlak voor den bok zijn pooten.
Die maakt snel half-rechtsomkeert,
Jaagt dan met een reuzensprong
Naar beneden in de diepte!
(Aase wankelt en grijpt naar een boomstam. Peer Gynt gaat voort).
Onder ons een grondloos diep!
Eerst ging 't door een laag van nevels,
Toen door 'n heelen zwerm van meeuwen,
Die naar alle kanten vluchtend,
Krijschend uit elkander stoven.
Voort maar weer! Voort naar beneden!
Maar van uit de diepte schemert
Wit iets, als een rendiersborst...
't Was ons eigen beeld, o moeder,
Dat, opstijgend uit het bergmeer,
Naar de oppervlakte stormde
In een even wilde vaart
Als die ons joeg naar beneden.
(snakt naar adem)
Stooten gelijktijdig samen,
Dat het schuim ons wit bespatte.
Ja, daar lagen wij te spartlen...
Na een poosje toch bereikten
Wij een plekje waar wij landden,
't Rendier zwom, ik aan hem hangend;...
Ik ging huiswaarts...
(knipt met de vingers, draait op zijn hielen en voegt er bij:)
Beide beenen brak je niet?
En je ruggegraat is heel?
O, mijn God,... ik loof en dank u
Dat mijn zoon gij hebt beschermd...
Wel is toch je broek aan flarden;
Maar dat is niet van beteeknis
Als men denkt wat er veel ergers
Kòn gebeuren op zoo'n tocht...!
(houdt plotseling stil, kijkt hem aan met open mond en groote oogen,
kan een heelen tijd geen woorden vinden, en barst eindelijk uit:)
O jij duivels-leugenaar!
Goede God, wat kan jij liegen!
Ik herinner 't mij nu weer,
Heb het al gehoord als meisje.
Gudbrand Glesne is 't gebeurd...
Maar niet jou...
't Kan wel meer dan ééns gebeuren.
(nijdig)
Om-en-om, versierd, vermooid,
In een gloednieuw pak gestoken
Dat geen mensen haar meer herkent.
En dàt heb jij nu gedaan;
Alles groot en wild gemaakt,
Opgesierd met arendsruggen...
En met al die andre fratsen --
Hier wat bij en daar wat af --
Maak je iemand zoo van streek,
Dat een mensch niet meer herkent
Wat hij jaren lang al wist!
'k Zou hem ongenadig rans'len!
(huilend)
Lag ik toch maar onder de aarde!
Tranen noch gebeden helpen,...
Peer, je bent en blijft verloren!
Ja, je hebt volmaakt gelijk,...
Wees nu maar weer goed...
Kan ik zoo maar daadlijk goed zijn,
Met een beest als jij tot zoon?
Is 't voor mij, een arme weduw'
Zonder steun, geen bitter leed dan?
Altijd schande maar tot loon! (schreit weer)
Wat bleef er voor ons nog over
Van grootvaders rijke dagen?
Waar zijn al de zakken geld
Van den ouden Rasmus Gynt?
Vader bracht het geld aan 't rollen,...
Strooide 't rond als ware 't zand,
Kocht maar grond in 't heele land,
Reed er met vergulde karren...
Waar is alles wat verdaan werd
Bij het groote winterfeest,
Toen de gasten flesschen, glazen
Neer maar kwakten op de planken!
Kijk eens rond! Om 't andre raam is
Er geen heele glasruit meer.
Hek en schutting zijn bezweken,
't Vee staat maar in weer en wind,
Veld en akker liggen braak,
Iedre maand moet ik beleenen...
Dikwijls als 't geluk eens uitbleef
Kwam het in galop terug weer!
Maar jij bent een kerel, jij,...
Altijd kranig en brutaal,
Welbespraakt als toen de priester --
Die van Kopenhagen kwam
En je naar je doopnaam vroeg --
Zwoer dat menig volbloed prinsje
Zulk een naam zou willen dragen.
En tot dank gaf toen je vader
Paard en slede hem present nog,
Voor zijn allervriendlijkst woord...
Ja; toen was hier pret genoeg!
Proost, kaptein en al hun aanhang
Hingen dagelijks hier om,
Etend, drinkend om het hardst.
Maar in nood kent men zijn vrienden,
't Werd hier alles leeg en stil
Van den dag, dat "Jon de geldzak"
Met zijn mars de wereld introk.
(droogt haar oogen af met haar schort).
Jij moest staf en steun en hulp zijn
Voor je arme oude moeder,...
Jij moest hoeve en huis besturen,
Zorgen dat er niets verviel;...
(huilt weer).
Al die jaren lang, schavuit!
Bij den haard blijf je thuis liggen,
Wentelt rond in asch en kolen;
In het dorp jaag je al de meisjes
Uit de danszaal als je komt,...
Maakt mij overal te schande,
Vecht met d'ergste vechtersbazen...
(loopt weg)
(loopt hem na)
Dat je nommer één geweest bent
Toen er zoo gevochten is laatst,
Ginds te Lunde... waar je elkander
Gingt te lijf als dolle honden?
Of was jij 't niet die smid Aslak's
Arm ontwricht heb op dien dag...
Of was 't soms één vinger maar?
(nijdig)
(wrijft zijn elleboog)
Zoo'n opsnijder, zoo'n slampamper,
'n Zuiplap, een aartsleugenaar,
Liet jij je door zoo'n vent slaan?
(huilt weer).
Maar dat dit gebeuren moest
Is wel de ergste spotternij.
Al is hij dan nog zoo'n baas;...
Moet jij dan de minste zijn?
Jamren moet je toch altijd.
(lacht).
Nou alweer?
Droog dus maar je tranen af;...
(balt zijn linkerhand).
Hield 'k den heelen smid gebogen;
(balt de rechterhand).
Nog in 't graf met je gedrag!
Twintig duizend maal wat beters;
Lieve, booze moeder mijn,
Kom, vertrouw maar op mijn woord,
Heel het dorp zal je nog eeren,
Wacht maar tot ik eens iets groots...
Waarlijk groots volbrengen zal.
(spottend)
Dat je zelf weer dicht kon maken
Al de scheuren in je broek!
(nijdig)
Restje van gezond verstand!
Heet het, als 'k mij niet vergis!
Stapelgek ben je gewoon...
Trouwens, eerlijk moet ik zeggen,
Als je niet zoo dag aan dag
Dolle streken deedt, en loog,
Was je goed terecht gekomen.
Die van Haegstad mocht je wel;
Die had jij best kunnen krijgen
Als je 't goed hadt aangelegd...
Om zijn dochter te weerstaan;
Wel is hij een echte stijfkop,
Maar zij, Ingrid, geeft geen kamp ook;
En waar zij gaat, strompelt hij
Brommend haar wel achterna dan.
(begint weer te schreien).
'n Boerendochter! Denk eens aan,...
Als je 't wijzer aangelegd hadt
Was je al haar bruidegom,...
Jij, die nu hier loopt in lompen!
(snel)
Dat is uit, die vrijerij!
Nu is het te laat... verspeeld al...
(snikkend)
Door de lucht reedt op je rendier,
Heeft Mads Moën haar gekregen!
Voor de kar... (wil weggaan).
Morgen vieren zij al bruiloft...
Je belachen en bespotten?
(jodelt en lacht tegelijkertijd).
't Paard te halen duurt te lang...
(tilt haar op).
Draag ik je naar 't bruiloftshuis!
(waadt door de beek).
Wij verdrinken...
Een veel hoogre dood...
Jij komt aan de galg terecht!
(trekt hem aan zijn haar).
't Is hier glad, de grond is glibb'rig.
Dat brengt niemand van de wijs.
Zoo; nu krabb'len wij weer op...
Nu wordt 't Peer-en-rendier spelen;...
(galoppeert).
(komt aan land).
Dat is voor den voerman 't loon...
(geeft hem een oorvijg)
Dat 's een al te karig loon!
Wees mijn voorspraak. Je bent handig;
Spreek met hem, den ouden gek;
Zeg hem dat Mads Moën niets waard is...
Wat Peer voor een kerel is.
'k Zal een boekje opendoen,
'k Zal een mooi tafreel ophangen
Van je fratsen en je streken...
(spartelt van kwaadheid)
Vóór de boer den hond op je afjaagt,
Alsof jij een schooier was!
Dat 'k wel steenen kon vermorz'len!
Grind zou 'k kunnen eten, bah!
Laat mij los!
Weten zal hij wie je bent!
(Zet er haar op. Aase gilt).
(gooit naar hem met een graszode)
(dichterbij).
Ga niet spart'len met je beenen,
Ruk en pluk niet aan de steenen,...
Anders, denk er aan, zou 't mis gaan...
Zou je vallen.
Dat de grond je op kon slokken!
Mij je zegen op mijn tocht mee.
Wil je? Zeg?
Al ben jij ook nog zoo'n baas!
Zit maar stil, ik blijf niet lang weg.
(gaat heen, maar keert zich om, steekt zijn vinger vermanend op
en zegt):
Denk er aan dat je niet spartelt!
(af).
Bokkerijder! Leugenbrok!
Zal je komen!... Neen, daar gaat hij
Er van door...!
(schreeuwend:)
(Twee oude vrouwen met zakken op den rug komen het pad af naar
den molen).
Als 't nog lang duurt vaar 'k ten hemel!
'k Wil er af! Dat duivelsjong...
Heb je dan nu eens gezien.
Want naar Haegstad moet ik gauw nu...
Want de smid zou ook daar komen.
(wringt de handen)
Wie weet of ze hem niet doodslaan!
Troost je dan maar dat 't zijn lot was!
(roept naar boven).
Heeft Peer Gynt op 't dak gezet daar!...
Een kleine hoogte met struiken en hei. Daar achter, door een hekje
afgescheiden, loopt de weg.
Peer Gynt komt een voetpad op, loopt snel naar het hekje toe, blijft
staan en kijkt uit waar het uitzicht zich opent.
(klimt half over het hekje heen; dan bedenkt hij zich).
(beschut zijn oogen en kijkt uit).
't Is misschien 't verstandigst als ik maar omkeer.
(trekt zijn been weer terug).
En spotten dat 't brandt dwars door je ziel heen.
(gaat eenige stappen terug en plukt zonder nadenken blaren af).
Of als je 'm kon poetsen onbemerkt...
Of als niemand je kende... Vooral iets sterks
Zou goed zijn, dan schrijnt het lachen zoo fel niet.
(Kijkt opeens als verschrikt rond; dan verbergt hij zich tusschen
de struiken. Eenige menschen met eetwaren-geschenken gaan voorbij en
dalen dan af naar het bruiloftshuis).
(De menschen gaan verder. Even daarna komt Peer Gynt te voorschijn
en kijkt hen rood van schaamte na).
(zachtjes)
Och, laat ze praten!
Zij kunnen mij daarmee geen kop kleiner maken.
(Laat zich neervallen in de hei, ligt langen tijd op zijn rug met de
handen onder zijn hoofd in de lucht te staren).
Wat een zonderlinge wolk! 't Lijkt wel een paard.
En een man zit er op,... en zadel en teugels...
Daar achter rijdt een heks op een bezemsteel.
(Lacht stil in zich zelf).
Van een Peer!...
(Even later sluit hij de oogen).
Peer Gynt rijdt voorop, en een heele troep volgt hem...
't Tuig is verzilverd, goudglanzend de hoeven.
Zelf draagt hij handschoenen, sabel en schede,
'n Mantel heel lang en met voering van zijde.
Dapper zijn zij die vertrouwend hem volgen.
Geen één toch zit er als hij in het zadel,
Geen één toch straalt er als hij in het zonlicht.
Menschen staan ginds aan het hek bij elkander,
Nemen hun hoed af en staren naar boven;
Nijgende vrouwen ook. Allen erkennen
Keizer Peer Gynt en zijn duizenden mannen.
Onder hem schittren als kiezelsteenen
Zilveren munten, die strooide op den weg hij.
Allen in 't dorp zijn rijk nu als graven.
Peer Gynt rijdt er dwars door de lucht over zee heen!
Engelands prins staat aan 't strand hem te wachten;
Evenzoo doen alle Engelsche meisjes.
Engelands grooten en Engelands keizer,
Waar Peer voorbij rijdt, staan op van hun zetels.
De kroon van zijn hoofd neemt de keizer af, zeggend....
SMID ASLAK (tegen eenige anderen terwijl zij aan de andere zijde van
het hekje voorbij gaan).
Kijk dáár eens, Peer Gynt, dat dronken zwijn!
(komt half overeind)
(leunt over het hek, sarrend:)
(tegen de anderen:)
(springt op)
Maar zeg, waar kom jij nu 't laatst van daan?
Zes weken weg... behekst in de bergen?
(knipoogt tegen de anderen)
(na een oogenblikje)
Dat vroeger jij die meid daarginder wel mocht.
(wijkt een beetje terug)
Heeft Ingrid jou versmaad, er zijn 'r nog meer...;
Er komen daar jonkies en weeuwen allebei...
Goên avond! Ik zal vast de bruid van je groeten.
(af, lachend en fluisterend).
keert zich half om).
Voor mijn part kan die Haegstad-meid trouwen
Met wien ze lust heeft, 't Raakt mij geen zier!
(kijkt langs zijn beenen).
Had ik maar iets nieuws om aan te trekken.
(stampt op den grond).
Hun eens die minachting uit 't hart rukken!
(kijkt plotseling in het rond).
Hm, het leek mij toch net... Neen er was toch niemand...
'k Ga naar moeder thuis.
(gaat den weg op, maar blijft weer staan en luistert naar den kant
van het feesthuis).
Nu begint de dans!
(staart en luistert; gaat stap voor stap weer terug; zijn oogen
schitteren; hij wrijft langs zijn beenen).
Wat een gewemel van meiden! Zes... acht wel de man!
O, haal mij de duivel,... daar doe ik aan mee!...
Maar moeder, die nog zit op het molendak...
(weer dwalen zijn oogen naar beneden; hij springt en lacht).
Ja, die Guttorm speelt flink er op los!
Dat stampt en dat bruist als een vallende stroom.
En dan die troep heerlijke, frissche meiden!...
Ja, haal mij de duivel, daar doe ik aan mee!
(is met één sprong over het hek en holt naar beneden).
gasten. Op het grasveld wordt levendig doorgedanst. De speelman zit
op een tafel. De keukenmeester staat in de deur. Keukenmeisjes loopen
af en aan tusschen de verschillende gebouwen; oudere menschen zitten
hier en daar samen te praten.
EEN VROUW (gaat bij een troepje zitten dat op eenige balken is neer
gezegen).
O, de bruid? Ja, die huilt wel een beetje,
Maar wie neemt daar nu notitie van.
(in een ander groepje)
EEN JONGKEREL (tegen den fiedelaar, terwijl hij voorbij stuift met
een meisje aan de hand).
Heisa, Guttorm, strijk wat je kunt maar!
(in een kring om een jongen die danst)
(dansend)
DE BRUIDEGOM (komt grienend naar zijn vader toe, die met een paar
anderen staat te praten, en trekt hem aan zijn buis).
Zij wil niet, vader; zij is zoo stug!
(keert zich weer tot de anderen. De bruidegom slentert weg over
het voorplein).
(van de achterzijde van het huis)
Peer Gynt is gekomen!
(die er zoo even bij gekomen is)
(gaat naar het huis toe).
(tegen de meisjes)
(tegen de anderen:)
PEER GYNT (komt verhit en opgewonden aan, blijft midden voor den
zwerm staan en klapt in de handen).
Wie van jullie kan het flinkste draaien?
(op wie hij toetreedt)
(evenzoo)
(tegen een vierde:)
(keert zich om)
(tegen een vijfde:)
(terwijl zij wegloopt:)
(even later, halfluid:)
(wendt zich snel tot een ouderen man)
(Peer Gynt is opeens stil geworden. Hij gluurt schuw onderuit naar
de groep. Allen kijken naar hem, maar niemand zegt iets. Hij gaat
naar andere groepjes toe. Waar hij komt wordt het stil; als hij zich
verwijdert, glimlachen zij en kijken hem na).
(zachtjes)
Dat krast en knarst als zaaghout onder vijlen!
(Hij sluipt langs het hek. Solvejg, met de kleine Helga aan de hand,
komt het voorplein op, vergezeld van haar ouders).
(tegen een anderen, dicht bij Peer Gynt)
PEER GYNT (treedt de komenden in den weg, wijst op Solvejg en vraagt
aan den man:)
Mag 'k met je dochter dansen, zeg?
(zacht:)
Moeten wij de menschen binnen begroeten.
(zij gaan binnen).
aanbiedt:)
Als je hier bent moet je de kruik eens aanspreken!
(kijkt onafgewend naar de binnengaanden)
(De keukenmeester gaat weg; Peer Gynt kijkt naar het huis en lacht).
Keek neer op haar schoenen en haar witte schortje...!
En terwijl hield zij moeders schortpunt vast,
En droeg een kerkboek in een doek gewikkeld...!
Ik moet dat meisje zien. (wil de kamer in).
(komt met verscheidenen er uit)
Van 't dansen?
(pakt hem bij den schouder om hem om te draaien).
(het troepje gaat lachend weg naar de dansenden).
(in de deur)
Kom dan!
Hoe oud ben je?
(trekt haar hand terug)
(loopt weg).
(trekt zijn moeder aan haar rok)
(zachtjes en nijdig)
(zij gaan weg).
(die met een heelen troep van de dansplaats komt)
(kijkt hem donker aan)
(haalt een zakflesch te voorschijn en drinkt).
Kom Peer, drink!
(halfluid:)
Laatst nog te Lunde ons wat van je kunsten.
(fluisterend:)
(vormen een kring om hem heen)
Wat kan je?
Ik heb hem één keer toch gejaagd in een noot.
Die was wormstekig, zie je!
(lachend)
Alles en nòg wat...
EéN UIT DEN HOOP.
Maar hij moest er in?
O! Dat was me een gebrom en gerommel!
Nu is hij lang al weer er van door.
Het is zijn schuld dat Aslak zoo 't land aan mij heeft.
Of hij de noot voor mij wilde kraken?
"Welzeker!" Hij legde ze neer op het aambeeld;
Maar Aslak pakt erg hardhandig aan;...
En slaat er terstond op met zijn hamer...
Maar slim was de ander, en stoof als een brand
Dwars door het dak heen en scheurde den wand.
Sedert dien dag mag hij mij niet lijden.
(algemeen gelach).
Dat is niet noodig; ik ken al het meeste
Van vroeger...
(met een handzwaai)
Dwars door de lucht heen op wilde paarden!
Och, ik kan allerlei dingen doen, weet je.
(weer schaterend gelach).
Ik zal rijden als een stormwind over jullie allen!
't Heele kersspel zal nog te voet mij vallen!
(dreigt hen)
(halfdronken)
(De troep verspreidt zich, de ouderen kwaad, de jongeren spottend
en lachend).
(vlak bij hem)
(kort)
(keert zich van hem af. Solvejg gaat over de dansplaats met Helga
aan de hand).
(Peer Gynt naar hen toe, met stralende oogen).
Nu zal ik je draaien lustig in 't rond!
Kom toch, deern, en wees niet zoo dwars!
(trekt haar arm terug)
(gaat met Helga weg).
Dwars door hun korpus... allemaal!
(stoot hem aan met zijn elleboog)
(verstrooid)
(een gedachte gaat hem door het hoofd; hij zegt zachtjes en heftig:)
Heb jij je bedacht, zeg?
(Solvejg wil doorgaan, hij treedt haar in den weg).
(haastig)
Maar dat was uit nijd, omdat jij mij afwees.
Kom nou!
Die 't hoofd laat hangen? Of niet soms, zeg?
Je vader, je moeder, en ook jij?
Nou, kan je niet spreken?
Ik kom bij je als een booze geest!
Ik kom voor je bed staan, als de klok twaalf slaat van nacht.
Hoor je dan om je heen blazen en sissen,
Dan hoef je niet te denken dat het maar de kat is.
Dat ben ik dan! Ik tap je bloed af in een kop;
En je kleine zusje eet ik heelemaal op;
Ja, je moet 't maar weten dat ik 's nachts een weerwolf ben.
'k Zal je bijten in je lenden, je rug...
(slaat plotseling over en smeekt als in angst:)
(kijkt hem donker aan)
(gaat de kamer binnen).
(komt weer aangeslenterd)
(Zij gaan achter het huis. Op 't zelfde oogenblik komt er een heele
troep van de dansplaats; de meesten zijn dronken. Drukte en lawaai,
Solvejg en Helga komen met hun ouders en een aantal oudere gasten
aan de deur).
(tegen den smid die vooraan staat in den troep:)
(trekt zijn buis uit)
Worden, Peer Gynt of ik moet 't veld maar ruimen.
(tegen den smid:)
(gooit zijn buis uit)
(tegen Solvejg:)
(komt met een stok in de hand)
'k Geef hem een rammeling die hem heugen zal!
(stroopt zijn hemdsmouwen op)
(spuwt in zijn handen en knikt Aase toe)
Tanden en nagels heeft Aase nog wel!
Waar is hij? (roept over de dansvloer) Peer!
(komt hard aangeloopen)
godallemachtig!
Kom, vader, moeder,...!
(gilt)
(laat den stok vallen)
(als uit de lucht gevallen)
Klautert de kerel op als een geit!
(huilend)
(maakt een dreigend gebaar tegen hem)
Wees toch voorzichtig!
(komt blootshoofds en bleek van woede:)
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF
Tweede bedrijf
Een smal voetpad hoog boven in 't gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt
loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet
tracht hem terug te houden.
(schreiend)
Waarheen dan?
(wringt de handen)
Elk gaat nu zijn eigen weg.
Naar den duivel alle vrouwen...
Uitgezonderd één...!
Naar je vader!
Wat je zegt.
Heb jij lange gouden haren?
Kijk jij blozend langs je schortje?
Hoû jij vast je moeders rokken?
Zeg?
Aangenomen?
Kan jij afslaan als 'k wat vraag?
Zeg!
(treedt hem in den weg)
Als je weggaat?
Als je mij neemt...
(barst in tranen uit)
(dreigend)
(is een poos stil, dan roept hij luid)
Naar den duivel alle vrouwen!
(draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)
(Zij gaan ieder huns weegs).
komt op.
Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in 't rond. Solvejg
heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind
achter hen aan.
(slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd)
Water en bergen en onweerslucht!
Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!
Het valsche meer wil hem 't leven benemen!
Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;
En dan de menschen! Als die hem eens krijgen...!
Maar 't zal hun niet lukken! 'k Kan hem niet missen nog
Dat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!
(keert zich tot Solvejg).
Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,
En alleen dapper was met zijn mond;
Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;...
Hij...! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen...!
Och, zooveel hebben wij al doorstaan!
Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,
Haalde overal dolle streken uit;
't Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.
Intusschen bleven wij samen thuis zitten
En deden ons best de ellende te vergeten;
Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.
Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;
En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,
En zien hoe hij zijn gedachten 't best kan afleiden.
De een doet 't met brandewijn, de ander met verdichtsels;
Och ja! Zoo namen wij sprookjes dan
Van prinsen en geesten en allerlei meer.
Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedacht
Dat zoo iets nu nog spoken zou in hem? (weer angstig).
Huuh, wat een schreeuw! Dat 's een watergeest of dwerg...
Peer! Peer!... Daar boven op den berg...!
(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen
komen bij haar).
(stil)
(zucht zachtjes)
Hij is zoo'n kerel. Geen een is als hij.
Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!
(altijd gedempt en met zachte oogen)
(angstig)
(ijverig)
Je zult zien, als hij maar in 't leven mag blijven.
(gilt)
Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.
(duizelig)
Komt mee! 't Geldt...
Zit hij in 't moeras, dan trekken wij hem op;
Is hij behekst, dan laten we 'm overluiden.
Dat je helpt hem te zoeken!
Er was er geen een die mee wilde zoeken...
Bedenkt toch,... zijn leven staat op 't spel!
(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).
(tegen Aase)
(droogt haar oogen af)
Alles!
(glimlacht en heft trotsch haar hoofd op)
Dan ik van te luisteren.
Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter
bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; 't is al laat op den dag.
PEER GYNT (komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de
helling).
't Heele dorp zit mij achterna!
Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.
D'ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen...
Alom is 't bekend: Peer Gynt is er van door!
Dat 's toch wat anders dan te vechten met een smid!
Dat 's leven! 'k Voel me als een beer in elk lid.
(slaat in 't rond en maakt een luchtsprong).
Dennen uitrukken met wortel en al!
Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!
Naar de hel met al die flauwe leugens!
(loopen over de heuvels schreeuwend en zingend)
Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?
(stiklachend)
Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.
Nu zwerven zij samen als landloopers rond.
Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.
Kabouters, wil je bij ons komen slapen?
(staat met een sprong ineens tusschen hen in)
(kust hem)
(evenzoo)
(danst in hun midden)
Met lachend oog; de keel gesnoerd!
DE MEIDEN (trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen
en zingen).
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters!... Zou je bij ons willen slapen?
(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).
(komt verward en verwilderd op)
O, wat een schittrende poort!
Sta toch! Blijf staan! Het wijkt al
Verder en verder terug!
Hoog op den toren slaat er
't Haantje zijn vleugels al uit;....
Verblauwend in verre kloven
Vliedt alles... de berg 's weer dicht.
Wat zijn dat voor stammen en wortels.
Opschietend uit spleten daar?
Dat zijn reuzen met reigerpooten!
Nu zinken die ook weer weg.
Als regenboog-strepen daast het
Vlijmend in oog en brein.
Wat is dat voor klokkengelui nu?
Wat drukt 't op mijn oogen zwaar!
O, hoe het woelt in mijn voorhoofd...
Die ring, die mij brandt als vuur...!
Ik kan mij maar niet meer bezinnen
Wie duivel mij dien óm bond!
(zinkt neer).
Leugens en zinsbedrog?
Op tegen muursteile wanden
Met de bruid... en 'n dag lang in roes
Jagende valken en gieren,
Dreigend kaboutervolk,
Scharrelen met dolle meiden;...
Leugens en zinsbedrog!
(staart lang in de hoogte).
Naar 't Zuiden de ganzen gaan.
En ik moet hier zwoegen en ploetren
In modder en vuil, kniehoog! (springt op).
Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein in
Der scherpste winden bad!
Ik wil óp! 'k Wil mij vermooien
In stralenden zonneglans!
Ik wil weg, ver over de bergen,
'k Wil rijden tot 'k alles vergeet;
Ik wil voort over zilte zeeën,
En hoog over Engelands prins;
Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;
Wat ik doe gaat niemand aan;
Wat sta je beneden te wachten...?
Ja, misschien val ik toch wel omlaag.
Waar zijn nu die arenden heen weer?...
De duivel heeft ze gehaald!...
Daar rijst nu een hooge gevel;
Al grooter wordt 't puntige dak;
Uit steengruis groeit 't heele huis op;...
Kijk, wijd open staat de deur
Ha, nu herken ik het huis wel,
Dat is grootvaders nieuwe plaats!
Weg is het oude kavalje,
Weg 't hek, dat op vallen stond.
En blinken doen alle ruiten;
Er is feest in de groote zaal.
Daar hoorde ik tegen zijn glas juist
Den proost tikken met zijn mes;...
Daar smijt de kaptein zijn flesch weg...
Dat de spiegel in scherven springt;
Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!
Stil moeder; het doet er niet toe!
De rijke Jon Gynt viert er feest nu;
Hoera voor 't geslacht der Gynts!
Wat 's dat voor een joelen en schreeuwen?
Wat voor een rumoer en lawaai?
De kapitein roept om Peer-zoon,...
De proost wil drinken op mij.
Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,
Daar klinkt de uitspraak dan:
Peer, jij bent van groote afkomst,
En wat groots zal je worden eenmaal!
(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok,
valt en blijft liggen).
Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken
door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in 't groen
gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna
met allerlei verliefde gebaren.
(blijft staan en keert zich om)
(strijkt als snijdend langs zijn keel)
Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!
Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;
Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.
Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.
Nooit zal ik je bij je haren trekken...
Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.
Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:
Al ons eigendom heeft twee kanten.
Als je meegaat naar mijn vaders slot
Kon 't gebeuren, dat je op den schijn afgaande,
Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.
't Verguldsel zou lijken vol roest en roet,
En misschien zou je wel de glinstrende ruiten
Voor opgestopt houden met lappen en lompen.
(roept achterom naar den berg)
(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig
en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en
neemt de vrouw vóór zich).
Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!
(teeder)
Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!
(zweept het varken dat weg draaft)
Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon,
met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn
beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.
Des Kabouterkonings lieflijkste maagd!
(met een schuimspaan)
(met een slachtmes)
(wenkt zijn getrouwen naderbij).
't Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;
Wij hebben den rechten houvast verloren,
En hulp van 't volk moeten wij niet versmaden.
Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;
En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.
Waar is 't dat hij maar één enkel hoofd heeft;
Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;
Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,
Zelfs tweehoofd'ge krijgt men haast niet meer te zien;
En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.
(tegen Peer Gynt).
En de andre helft als 't met mij eens gedaan raakt.
Jij moet ook nog een paar beloften geven;
Alles is verbroken, als je er een verbreekt,
En je komt niet levend meer hier van daan dan...
Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijkt
Naar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;
Dag en daad moet je schuwen,... elk plekje licht.
(staat op van zijn troon).
(tegen Peer Gynt)
En 's konings raadselnoot weet te kraken!
Grooten willen knijpen en kleinen wringen;...
Net zooals bij ons, als zij maar durfden.
Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,
Dus verschil blijft er alevel toch.
Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:
Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,
Onder menschen heet 't: Man, wees je zelf!
Hier binnen bij ons, bij 't kaboutervolk
Daar heet 't: "Wees je zelf... genoeg!"
Woord, moet voortaan je lijfspreuk worden.
(krabt zich achter het oor)
Onze eenvoudige, huis'lijke levenswijs.
(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen
enz. brengen spijs en drank).
De koe geeft koeken en de os geeft meed';
Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;
Hoofdzaak is, en dat 's niet te vergeten,
Dat het thuis toebereid is.
(duwt de dingen weg)
'k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.
En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.
(huilend)
Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.
Komaan! (geeft toe).
Spuw je?
Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,
Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,
Behalve de zijden strik aan 't eind van den staart.
(nijdig)
Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.
Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.
Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,
En dat geldt nu hier voor de grootste eer.
(nadenkend)
En men moet zich wat schikken naar 't gebruik.
Bind maar aan!
(nijdig)
Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?
Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;
Aan handel en wandel herkent men den kabouter.
Als wij 't maar eens zijn over doen en laten,
Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.
Een verstandiger kerel dan men zou denken.
Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons...
Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;
Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.
Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!
Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!
(Spel en dans).
Wat zie je, zeg?
Met 'r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;
In 'n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.
(huilend)
Als ik en mijn zusje spelen en dansen!
Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.
Was, haal mij de koekoek, allerliefst.
Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;
Krijgt die een knauw bij ons in d' omgang
Wordt 't wel een litteeken, maar geneest heel gauw.
Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;
Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;
Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,
Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart...
Zoo gewillig in 't kort, voor al wat ik hem vroeg,
Dat 'k stellig al dacht, de oude Adam
Was eens en voor altijd de poort uitgejaagd;
Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.
Ja, ja, dan is er noodig een kuur
Voor die hardnekkige menschennatuur.
Geef 'k even 'n sneetje; dan kijk je scheel;
Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.
Dan snijd ik je rechter kijkglas uit...
(legt eenige scherpe instrumenten op tafel)
Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;
Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,...
En nooit maken je oogen je dan meer wat wijs
Van tripp'lende biggen en 'n bellenkoe...
Hij is de wijze, jij bent de gek!
Je daardoor bewaard blijft je heele leven.
Zie het toch in dat je oogen de bron zijn
Van 't bijtende, kwellende tranenloog.
Ergert uw oog u, ruk het dan uit.
Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,
Wordt 'n menschenoog weer?
Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.
Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doet
Zich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.
En dat wil je immers ook?
Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,
Kan ik mij wel 't een en ander getroosten.
Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.
Den staart nam ik aan, dat 's volkomen waar:
Maar ik kan losmaken wat een ander bond.
Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;
Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.
En mooglijk zie 'k ook nog wel kans vrij te komen
Van die kaboutersche levensmanier.
Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,...
Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;
Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,
Dat je niet kunt doodgaan als 'n fatsoenlijk mensch,
Kabouter moet blijven al je levensdagen...
En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden...
Zooals 't boekje zegt: mij daarop toe te leggen,
Dat 's iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.
En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.
Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?
Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier...
Dat je haar begeerde en achterna liep?
(fluit)
De bedoeling erken je volmondig genoeg;
Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;
Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?
Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan...
Krijg jij 't jong thuisgestuurd.
(wischt zich het zweet af)
Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,
En ook dat je telg opgroeien zal;
Zoo'n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op...
Meisje, wees wijs! En luister naar rede.
Je moet weten dat 'k geen prins ben en ook niet rijk;...
En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,
Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.
(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).
Wolf en schaap! 'm Bijten en jagen in 't nauw!
(opgejaagd door de kleine kabouters)
(wil door den schoorsteen naar boven).
Bijt hem van achtren!
(wil door het keldergat naar beneden).
PEER GYNT (vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor
heeft vastgebeten).
Laat je los, smeerlap!
(slaat hem op zijn vingers)
(loopt rond).
(draaien om hem heen)
(huilend)
(valt neer).
(begraven onder den hoop kabouters)
(Klokgelui in de verte).
(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in;
alles verzinkt).
Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in 't rond met een
grooten tak.
(wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit)
Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!
Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.
(slaat en houwt).
Hoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!
Wát ben je?
Eerst was 't raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.
Uit den weg, Böjgen!
(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).
Böjgen, die 'n slag kreeg, en toch niet gewond is.
Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.
(gooit den tak weg)
(slaat zich door).
Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.
(komt terug)
Er uit of er in, 't is een zelfde gang!
Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!
Zóó als ik er uit ben, sta 'k weer in den kring...
Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?
(tast in 't rond)
Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpen
In een hoop brommende halfwakk're beren! (schreeuwt).
Sla van je af!
Was hier maar 'n kabouter niet ouder dan één jaar!
Maar iets om mee te vechten. Maar dat is hier niet...
Nou snurkt hij! Böjg!
(bijt zich in armen en handen)
Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!
(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).
Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uit
Je kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!
Met zulk een uur van moordend spel.
(zakt in elkaar).
(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).
Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.
Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase's berghut. De deur is gesloten;
alles stil en leeg.
Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.
(ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt)
(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren
aankomt).
Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?
(springt op)
(verscholen)
De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.
Wat zeg je, hè?
(huilend)
Wacht even!
(houdt haar bij een arm vast)
Een zilv'ren knoop, zeg! Die is voor jou...
Doe een goed woord voor mij!
(zacht; laat haar los)
(Helga loopt hard weg).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF
Derde bedrijf
Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat
in zijn hemdsmouwen hout te kloven.
(hakt een groote den met kromme takken om)
Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.
(hakt weer).
Maar dat sla 'k wel kapot, al was 't ook nog zoo sterk...
Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;
't Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt 't land;
Maar hoe 't ook zij, je moet bukken voor mij...!
(breekt plotseling af).
Zinsbedrog! 't Is geen pantserhemd;
Het is maar een pijnboom met ruigen bast...
Het is inspannend werk, dat boomen hakken,
Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.
Dat moet uit zijn nu,... in den mist te staren
En zich klaar wakker te laten wegdrijven...
Verbannen ben je! Een 't bosch in gejaagde.
(hakt een tijdlang hard door).
Om je eten te brengen, je tafel te dekken;
Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,
Haal je wat rauws uit bosch of beek.
Zoek je wat rijshout en steek het in brand,
Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.
Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;
Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;
Wil je 't opbouwen, moet je balken zagen
En zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen....
(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).
Zal er op het dak staan en uitsteken hoog;
En op den gevel, van hout gesneden,
Een zeemeermin, met 'n vischstaart in plaats van beenen.
Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.
Glas moet ik ook zien te krijgen nog;
Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,
Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.
(lacht grimmig).
Je bent 'n banneling, kerel!
(hakt weer met woede).
Beschut ook voldoend tegen wind en vorst.
(kijkt op naar den boom).
Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;
Het trilt al in 't jonge hout, ruischend en klagend!
(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert
hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).
Daar komt iemand achter mij!... Doe je het zóó,
Jij Haegstad-boer;... dat is een valsche streek.
(schuilt weg achter den boom en gluurt).
Schuw kijkt hij in 't rond. Wat verbergt hij
Onder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,
Legt zijn vuist op zijn stok neer... en nu? Wat is dat?
Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?
O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!
Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!
Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.
(staat op).
Er af! En zonder dat iemand hem dwingt...
Wacht! Nu begrijp ik 't...! Dat is het eenige
Middel om van den dienst vrij te komen.
Dat is 't. Zij wilden hem in d'oorlog sturen,
En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg...
Maar afhakken...? Hem verliezen voor goed...?
't Te bedenken, te wenschen, te willen zelfs;
En 't te doen! Neen, dat begrijp ik toch niet!
(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).
daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het
bed. Aase en de buurvrouw druk bezig met bij elkaar te pakken en op
te ruimen.
(loopt naar den éénen kant)
(aan den anderen kant)
Waar ligt...? Waar kan 'k vinden...? Zeg eens, waar is...?
Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!
Waar is de sleutel van de kist?
Wordt naar Haegstad gebracht.
(schreiend)
Als 'k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!
Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!
God zij mij genadig! 't Heele huis is leeg!
Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.
Zelfs de kleeren aan 't lijf bleven niet gespaard.
't Is schande een mensch zoo te behand'len!
(gaat op den rand van het bed zitten).
Hard was de oude, maar harder het gerecht;
Er was geen hulp meer en ook geen genade;
Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.
Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.
Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;...
Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;
De booze dreef mijn armen jongen er toe!
't Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.
(richt zich op).
Ik zal helpen; dat 's niet meer dan mijn moederplicht;
Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.
Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.
'k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!
Waar zijn de kousen?
(rommelt er in)
Gietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeld
Knoopen-gieten, smelten en stemplen.
Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuis
En vroeg zijn vader om een klomp tin;
Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,
Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon Gynt
God vergeve het Jon; maar dronken was hij,
En dan lette hij op geen goud of geen tin.
Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!
Dat geeft stopwerk, Kari!
Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd...
Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!
Het eene kan je op zijde leggen.
Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;
Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.
Vergeving voor dit en meer andere zonden.
Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de
deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de
deur en spijkert een groot houten slot vast.
(lacht nu en dan hardop)
Al de kabouters, mannen en vrouwen.
Een slot moet er zijn, om de hut af te sluiten
Voor al die kwaadaardige, looze dwergen...
Zij komen met 't donker; zij kloppen en tikken:
Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!
Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,
Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.
Hihi! Peer, denk je met spijkers en planken
Den toegang voor 't nijdige dwergvolk te stuiten?
(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek
over het hoofd en een bundel in de hand).
Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.
En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!
Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.
'n Boodschap was al wat je moeder vertelde,
'n Boodschap mijn droom als 'k te slapen mij legde.
Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,
Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.
Als uitgebluscht was het leven daarginder;
Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.
Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;
Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.
Heb 'k niemand, die vader of moeder mij is.
Ik ben los nu van allen.
Om de mijne te zijn?
Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.
(schreiend).
Maar erger toch nog van vader te gaan;
Maar 't allerergst te scheiden van moeders borst;...
Neen, God vergeef mij, 't ergst nog van alles
Was de smart van 't heengaan van allen... allen!
Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.
Voor altijd van die mij lief waren scheidde?
Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?
Zij vorschten waar 'k heen moest; ik antwoordde: naar huis.
Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.
Durf jij voortaan bij den jager te blijven,
Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.
Solvejg! 'k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!
Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!
Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!
Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!
'k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armen
Hou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!
Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen...!
O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.
Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;
Maar dat moet nu weer weg; 't is hier arm en kaal...
Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind...
Beneden was 't bedompt; daar had ik het benauwd;
Dát was het óok wel wat uit 't dorp mij heeft gejaagd.
Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch....
Hier is rust en gezang!... hier voel ik mij thuis.
Ga binnen! 'k Zal even wat brandhout gaan halen;
Warm en gezellig en licht zal het worden,
Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!
(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil;
dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).
Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!
(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik
komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het
kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt
haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).
Wij zijn buren.
(wil weg)
Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.
Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.
Vergeet je...?
Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?
(tegen den jongen).
Heb je geen oogen? Je kunt 't toch wel zien
Zijn poot is even lam als jouw heele aard is.
(huilend).
Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?
De duivel, toen 'k baarde in den herfst, trok krom
Mijn rug, en daar wordt je niet beter van.
Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,
Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.
Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;...
Doe dat, lieve vriend, dan verander 'k van tronie!
Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!...
Ik kom hier toch iedren dag weer terug.
Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.
Zit met de deern je dan in 't schemeruur,...
Wordt je teeder... Peer Gynt... wil je een deuntje vrijen,...
Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.
Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.
Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!
Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!
Duivelskind, wil jij naar je vader toe?
(spuwt naar hem)
'k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!
(kust den jongen)
Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!
(stampvoetend)
(balt de vuisten)
't Is zonde van je, Peer!
Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!
Toen z'n vader zat was en z'n moeder 'm sloeg!
(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch
achterna gooit).
(na lang zwijgen)
Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!
't Trok een muur op om haar... en 'k was zoo nabij;
Op-eens was hier 't mooi weg; verlept was mijn blijdschap...
Geef het op, kerel! Er is geen weg
Dwars door dat alles van jou naar haar toe.
Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.
Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.
Maar wat? Wat staat er? Ik heb 't boek niet meer,
Heb 't meeste vergeten, en hier is ook niemand
In 't wilde bosch, die mij terecht kan helpen...
Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaan
Eer ik er doorheen was. Zoo'n leven zou triest zijn.
Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,
En dan van de scherven weer maken wat nieuws.
Dat gaat met 'n viool maar gaat niet met een klok.
Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.
Maar dat was toch 'n leugen van die heksentronie!
Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen...
Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.
Nasluipen zal dat mij toch overal.
Ingrid! En die drie daar boven op den berg!
Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doen
Eischen als zij te worden omarmd,
Voorzichtig en teer te worden gedragen?
Buiten om, Peer; al was je arm zoo lang
Als de slankste den of een pijnboomstam,...
'k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hield
Om haar smetloos en ongedeerd neer te zetten...
Ik moet daar omheen komen, hoe 't dan ook ga,
Dat 't mij geen gewin wordt en ook geen verlies.
Je moet zoo iets afschudden tot je 't vergeet...
(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).
Binnen gaan met al die spoken achter me aan?
(werpt de bijl weg).
Zoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.
(in de deur)
(halfluid)
't Is hier donker, en 'k heb nog iets zwaars te halen.
Of lang of kort,... blijf maar wachten.
(knikt hem toe)
(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur
staan).
Aase's kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht
de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te
bed en tast onrustig met de handen over de dekens.
Het duurt al zoo schrikkelijk lang.
'k Kan niet meer om hem zenden
En zeggen moet ik hem zooveel.
Ik heb niet veel tijd te verliezen!
Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!
O, als ik toch maar kon weten
Of 'k niet te streng voor hem was!
(komt binnen)
Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!
Maar hoe durf je hier je te wagen?
Hier loopt je leven gevaar!
Ik moest nu eens naar je toe.
Nu ga ik in vrede heen!
Waar denk je dan heen te gaan?
Het duurt met mij niet meer lang!
(wringt de handen en loopt op en neer)
En meende hier vrij te zijn...!
Heb je 't koud aan handen en voeten?
Als je ziet dat mijn oogen breken,
O, druk ze dan zachtjes dicht.
En dan moet voor een kist je zorgen;
Maar, jongen, laat mooi die zijn.
Och, neen, 't is waar...
Daarvoor is 't nog tijds genoeg.
Hier zie je het beetje
Dat overbleef. Zoo zijn de luî.
(balt de handen)
Ik weet dat 't mijn schuld is.
Wat helpt 't of ik het weer hoor?
Daar komt al het onheil van daan!
Mijn jongen, jij was immers dronken:
Dan weet iemand niet wat hij doet;
En dan hadt je op dat rendier gereden;
Dat je dol was is duidlijk genoeg!
Laat rusten die heele zaak.
Wat droef is zullen wij sparen
Tot later... een andren dag.
(gaat op den rand van het bed zitten).
Over koetjes en kalfjes maar,
En 't nare en bitt're vergeten,
En alles wat pijn doet en kwelt...
Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;
Dus die hield het ook zoo lang uit?
Je weet wel wat dat beduidt!
(glimlachend)
Een meisje, dat naar de bergen...
(snel)
Voor beî haar ouders verdriet.
Jij moest er toch eens naar hooren
Jij, Peer, weet misschien wel raad...
Liever wil ik den naam je zeggen
Van 't meisje, je weet wel... van haar...
Over koetjes en kalfjes alleen,
En al 't nare en bitt're vergeten
En alles wat pijn doet en kwelt.
Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?
Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.
Laat eens zien;... ja dat is zoo waar nog
Het bed, waar 'k als jongen in sliep?
Weet je 't nog, hoe dikwijls je 's avonds
Daar zat aan het voeteneind,
Mij toedekte warm en lekker,
En allerlei liedjes zong?
Als vader aan 't boemelen was.
't Dek was de vacht van de slede
De grond een bevroren fjord.
Zeg, moeder weet je 't nog?...
Dat waren de wilde paarden...
Wij leenden de kat van Kari;
Die zat op een houten kruk...
Naar 't oosterslot van de zon,
Naar 't Soria-Moria slot dan
Ging 't hoepla-hei! over den vloer.
Een stok, in de kast gevonden
Gebruikten wij voor een zweep.
Je keek om, zoodra als wij reden,
En vroeg mij: heb je 't niet koud?
God zegen je, oude stumperd,...
Je was toch een goede ziel...!
Hoe kreun je zoo?
Mijn rug, van die harde plank.
Zie zoo; lig je nu niet zacht?
(onrustig)
Laat mij zitten aan 't voeteneind.
Zie zoo; nu korten wij d' avond
Met sprookjes en allerlei spel.
Ik ben zoo onrustig te moê.
Geven koning en prins een groot feest.
Rust maar uit in de warme slede
Ik rijd door het veld je er heen...
(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in
de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).
Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!
Zeg, moeder, heb je 't niet koud?
Ja, ja; want je voelt het snijden
Als Grane aan 't draven gaat!
En steunen, zoo wonderlijk wild?
Van 't pijnbosch. Zit nu maar stil.
Waar komt toch dat schijnsel van daan?
Hoor je wel hoe zij dansen?
En noodigt tot binnengaan.
Inschenkend den lekkersten wijn.
De vrouw van den proost komt ook aan
Met koffie en suikerwerk.
Waar je mij, arme ziel, heen brengt!
(klapt met de zweep)
(klapt weer)
Dat maakt mij zoo raar en moe.
Nog even, dan zij wij er al.
Vertrouwen op jou, mijn Peer!
In 't slot is er groot gedrang;
Zij stuwen en dringen de poort in.
Dáár komt Peer Gynt met oud' Aase!
Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?
Mag moeder niet binnengaan?
'k Geloof dat u lang kan zoeken
Eer u vindt een zoo eerlijke ziel;
Van mij wil ik maar niet spreken;
Ik kan òmkeeren als het moet.
Wil u inschenken, neem ik 't in dank aan
Zoo niet, ga ik óók tevree weg.
'k Heb verzonnen evenveel leugens
Als de duivel die preêken ging,
En moeder voor 'n kip uitgescholden
Omdat zij kakelde soms.
Maar haar moet u achten en eeren
En maken dat goed zij het heeft;
Er komt hier stellig geen beetre
Van waar ook, in dezen tijd...
Aha! daar is God de Vader!
Sint Petrus, nu krijg je er langs!
(met diep stemgeluid).
Moeder Aase heeft vrij entree!"
(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).
Nu komt er wat anders weer!
(angstig).
Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan...?
(gaat naar het hoofdeinde).
Spreek, moeder, ik ben het, Peer!
(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw
van den stoel af en zegt gedempt):
Zoo, ja!... Je kunt uitrusten, Grane;
Want nu is de reis volbracht.
(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).
Voor klappen en teedere zorg...
Maar nu moet jij mij ook bedanken...
(drukt zijn wang tegen haar mond).
(De buurvrouw komt binnen).
Haar bitterste leed al heen!
Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!...
Of is zij al...?
(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer;
eindelijk blijft hij bij het bed staan).
Laat haar met alle eer begraven.
Ik moet zien hoe 'k hier van daan kom.
(af).
EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF
Vierde bedrijf
Aan de zuidwestkust van Marokko. Een palmbosch. Gedekte tafel,
zonnetent en biezenmatten. Dieper onder de boomen hangmatten. Buiten
op zee ligt een stoomjacht met Noorsche en Amerikaansche vlaggen. Aan
het strand een sloep. Het gaat tegen zonsondergang.
Peer Gynt een knap heer van middelbaren leeftijd in elegant reistoilet,
een gouden lorgnet op de borst hangend, presideert de tafel als
gastheer. Mister Cotton, Monsieur Ballon en de heeren von Eberkopf
en Trumpeterstraale zijn juist gereed met hun maaltijd.
Om te genieten, dat hij 't doe dan.
En dood is dood... Wat mag 'k aanbieden?
Mijn kok en steward...
Ik drink op 't heil van alle vier!
Als zelden nu meer wordt gevonden
Bij iemand, levend en garçon,...
Een zeker... 'k weet niet wat...
Een glans van vrije geestontwikling,
Een wereldburgerschapbezitting,
Een blik door 't dichte wolkenfloers,
Door geen vooroordeelen gebonden,
Begaafd met hoogere verlichting,
Een oer-natuur die kent het leven
Vereend op 't hoogst der trilogie.
Niet waar, monsieur, dat meende u?
Die dingen, op zijn Fransch, zoo mooi niet.
Maar zullen wij den grond nu zoeken
Van 't fenomeen...
Dat komt doordat 'k niet ben getrouwd.
Ja, mijne heeren, dat 's zoo klaar
Als water. Wat moet 'n man toch wezen?
Zich zelf: antwoord ik in 't kort.
Voor zich en 't zijne moet hij zorgen.
Maar kan hij dat, als pakkameel
Voor 't wel en wee van andren, soms?
Vermoed ik, heeft u strijd gekost...
Maar altijd kwam 'k met eer er af.
Een keer toch was 'k er na aan toe
Te vallen in 'n gespannen strik.
Ik was een flinke, knappe kerel,
En zij, de dame was mijn keus,...
Die was van vorstelijken bloede...
(minachtend)
U weet wel...
(slaat op de tafel)
(haalt de schouders op)
Hun trots, in 't hun geslacht vrijhouden
Van vlekken door plebeïsch bloed.
(vergoelijkend)
Er was iets, dat vereischte 't huwlijk
Zoo snel als mooglijk te doen doorgaan.
Maar, 'k zeg 't ronduit, die heele zaak
Stond van 't begin af mij al tegen.
In enkele dingen ben 'k wat vreemd,
En liefst blijf ik mijn eigen baas.
En toen mijn schoonvader nu kwam
Met d'eisch, ofschoon verbloemd gesteld,
Dat 'k zou van stand en naam verandren,
In d'adelstand mij doen verheffen,
Met nog veel meer dat onaanneemlijk,
Om niet te zeggen hoogst onkiesch, was...
Toen trok 'k fatsoenlijk mij terug.
Ik weigerde zijn ultimatum,...
Deed afstand van mijn jonge bruid.
(trommelt op de tafel, schijnbaar met aandacht).
Waarop een mensch vertrouwen kan;
En dat te weten is een troost.
Want onbevoegden mengden zich
Met luid gekrijsch ook in 't geval;
't Ergst der familie jong're leden.
Met zeven kreeg ik een duel.
Dat was een tijd, dien 'k nooit vergeet,
Ofschoon 'k er heel gelukkig afkwam.
Het kostte bloed; maar al dat bloed
Heeft mij in waarde veel doen winnen,
En wijst bekrachtigend op 't feit,
Zoo 'k zei, van een besturend Fatum.
Die tot een denker u verheft.
Terwijl een ander meent te aanschouwen
Afzonderlijk verspreide beelden,
En nooit een oplossing kan vinden,
Weet u het àl bijeen te voegen.
Met ééne maat meet u de dingen.
U scherpt een punt aan al uw woorden,
Die, alle dan als stralen uitgaan
Van 't licht van één levensbeschouwing...
En u is nooit student geweest?
Gewoonweg een autodidact.
Methodisch heb ik niets geleerd;
Maar veel gedacht en overwogen,
En over alles veel gelezen.
'k Begon er mee op later leeftijd;
Dan valt het wel een beetje zwaar soms
Maar door te lezen, blad voor blad,
En op te nemen rijp en groen.
Geschiedenis nam ik bij stukjes,
Want voor méér had ik nooit den tijd.
En daar men toch in booze tijden
Iets hebben wil tot vasten steun,
Zoo nam 'k den godsdienst in met rukjes.
Zoo gaat 't gemaklijker naar binnen.
Men moet niet al te gulzig lezen,
Maar enkel zien wat nuttig zijn kan...
(steekt een sigaar op)
Bedenkt toch wat mijn levensloop was.
Hoe kwam ik daar toch aan in 't Westen!
Een arme vent, met leege handen!
Ik moest hard zwoegen voor mijn broodje;
Gelooft mij, 't viel mij dikwijls zwaar.
Maar 't leven, vrienden, is veel waard;
En, zoo men zegt, de dood is bitter.
Wel! Fortuna, ziet u, was mij gunstig;
En 't oude Fatum niet afgunstig.
Het ging. En daar ik zelf ook flink was,
Zoo ging 't gestadig beter, beter.
Tien jaren later werd 'k genoemd
Den Kroesos onder Charlestown's reeders.
Nu vloog mijn naam van stad tot stad;
't Geluk had ik nu binnen boord...
Naar onzen Bondsstaat Carolina;
En afgodsbeelden ook, naar China.
Met wat geoorloofd is... of niet?
Ik voelde dat soms zelf ook levendig,
En vond het menigmaal odieus.
Maar, eens begonnen... zooals 't gaat,...
Is 't moeilijk het weer los te laten.
En 't gaat althans zoo maklijk niet
In zulk een groote onderneming,
Waar duizend andren in gemoeid zijn,
Botweg te breken met zoo'n zaak.
Aan "botweg breken" heb 'k een hekel;
Maar geef toe aan den andren kant dat
Ik altijd acht geslagen heb
Op wat men noemt de konsekwenties;
En dat, de grenzen overschrijden
Onaangenaam mij altijd was.
Ook werd ik bovendien wat ouder;
'k Begon de vijftig al te naadren,...
Kreeg zachtjes aan al grijzend haar;
En schoon mijn voorspoed steeds nog toenam,
Werd de gedachte mij toch pijnlijk:
Wie weet hoe gauw het uurtje slaat,
Dat het gerecht ingrijpend optreedt,
De bokken scheidend van de lamm'ren.
Wat nu te doen? De vaart te staken
Op China ging onmooglijk aan.
'k Vond toch een uitweg. Ik begon met
Wat anders op hetzelfde land.
In 't voorjaar exporteerde ik goden,
In 't najaar klaarde ik priesters uit;
Voorzag hen goed van al het nood'ge
Als kousen, bijbels, rhum en rijst...
Het ging. Zij werkten onvermoeid, en
Voor iedren god, dien ik verkocht,
Werd een Chinees bekeerd, gedoopt.
Zoo werkte 't dus neutraliseerend.
Het veld der missie lag nooit braak,
Want iedren god, dien 'k colporteerde,
Dien hield een priester in bedwang.
'k Zag in dat 't geen geschikt bedrijf
Meer was voor iemand op mijn leeftijd.
Men weet toch niet wanneer het afloopt.
En dan de strikken ons gespannen
Door 't heele filantropen-heir,
Om van de kapers niet te spreken,
En risico van wind en weer.
Dat alles samen gaf den doorslag.
Ik dacht: Kom Peter, reef de zeilen;
En zie wat je nog goed kunt maken.
Zoo kocht ik dan wat land in 't Zuiden,
Behield den laatsten vleeschimport,
Die prima kwaliteit ook was.
Zij tierden, werden rond en vet,
Dat het voor hen en mij een lust was.
Ja, ik durf zeggen, zonder grootspraak,
Dat ik voor hen was als een vader,...
Wat dan ook goede renten opbracht.
Ik bouwde scholen, dat behoorlijk
De deugd bestendig blijven zou
Op 'n zeker algemeen niveau,
En zag streng toe dat onder 't peil nooit
Haar thermometer even zakte.
Nu trouwens heb ik dan ook dáárvan
Teruggetrokken mij geheel;...
'k Heb de plantage met het heele
Gedoe verkocht met huid en haar.
Ten afscheid gaf ik allen nog,
Zoo groot als klein, ook gratis grog.
Toen kreeg al 't volk een flinken roes,
De weduwen daarbij nog snuif.
Kijk, daarom hoop ik, in zoover
Dat woord geen holle frase is:
Hij, die geen kwaad doet, die doet goed,...
Zoo is mijn vroeg're schuld gedelgd;
En meer dan velen kan ik steunen
Mijn zonden, met veel goede werken.
(klinkt met hem)
Een theorie tot daad gemaakt,
Ontdaan van nevelen en nacht,
Trots al het uiterlijk gebeuren!
PEER GYNT (die onder het voorgaande de verschillende flesschen vlijtig
heeft aangesproken).
Wij, volk van 't Noorden, wij verstaan het
Ons door te slaan! 't Geheim daarvan,
Door 't leven heen, is doodgewoon:
Hoû je ooren altijd stevig dicht,
Dat er geen adder binnen sluipe.
Tot 't eens-en-voor-altijd beslissende. (drinkt weer.)
De heele kunst om wat te wagen,
Den moed te hebben van zijn daad,...
Is die: te staan voor vrije keus
Op 's levens duizend slingerpaden...
Te weten vast, dat alle dagen
Niet uit zijn met één dag van strijd,...
Te weten dat er open staat
Een brug, die u terug kan voeren.
Die theorie hield mij steeds óp;
Die heeft gekleurd mijn levenswandel.
En dat beginsel is een erfstuk
Van mijn voorvaderlijk geslacht.
Maar wereldburger van gemoed.
Wat van 't geluk mijn aandeel werd,
Dank ik meest aan Amerika.
Mijn welvoorziene boekenplanken
Aan Duitschlands jongere geleerden.
Uit Frankrijk kreeg 'k, behalve vesten,
Manieren en mijn beetje geest,...
Van England leerde ik zaken doen
Met scherpen blik op eigen voordeel.
De Joden leerden mij te wachten.
Wat zin voor dolce far niente
Kreeg 'k van Italië meegegeven...
En één keer, in het nauw gedreven,
Verweerde ik mij, redde ik mijn leven,
Door middel van het Zweedsche staal.
(heft zijn glas op)
Laat allereerst ons hulde brengen!
(Zij klinken en drinken met hem. Zijn hoofd begint warm te worden).
Maar Sir, nu zou 'k zoo gaarne weten
Wat u met al uw geld wil doen?
(schuiven naderbij)
Kijk, daarom nam 'k u mee aan boord,
Tot reisgezelschap, in Gibraltar.
'k Verlangde naar een vriendenkring
Om rond mijn gouden kalf te dansen.
Zijn zeil uitsluitend om te zeilen.
U heeft een doel, dat kan niet missen,
En 't doel is...?
(knikt)
Het plan is heelemaal niet nieuw;
Het was de ziel van al mijn tochten.
Als jongen reed ik in mijn droomen
Ver op de wolken over zee,
Steeg op met zwaard en langen mantel...
En kwam pardoes omlaag getuimeld.
Maar 't doel bleef vast bij mij bestaan.
Er is geschreven of gezegd
Hier of daar, ik weet niet meer waar,
Dat als heel de aarde hij gewint
En toch zich zelf verliest, een man
Niets meer wint dan een doornenkroon.
Zoo staat er... of iets dergelijks;
En in dat woord ligt heel veel waars.
Die maakt dat 'k niemand ben dan ik,
Als God, God, niet de duivel is.
(in stijgende opwinding)
Van wenschen, lusten en begeerten,...
Het Gyntsche Ik, dat is de zee
Van eischen, invallen, verlangens,
Van alles wat mijn borst doet zwellen,
En maakt dat ik als Gynt moet leven.
Maar zooals God behoeft de aarde
Zal hij bestaan als 's werelds God,
Zoo heb ook ik aan geld behoefte
Zal ik een echte keizer zijn.
Ja, mooglijk voor een dag of vier, vijf,
Als keizer à la Lippe-Detmold.
Maar ik wil zijn mijzelf en bloc,
Wil Gynt zijn waar ik ga of sta,
Sir Gynt zijn, zeg 'k, van top tot teen!
(meegesleept)
Die goed rendeert...
En daarom liet 'k hier 't anker vallen.
Van avond gaan wij noordwaarts op.
Couranten die ik kreeg aan boord
Berichten me een gewichtig nieuwtje...!
(staat op met opgeheven glas).
Om hem te helpen, die zelf "pluck" heeft...
(opspringend)
Ik help mee met mijn Fransche zwaard!
Door Koning Karel daar verloren!
(valt Peer Gynt om den hals)
U heb miskend!
(drukt hem de handen)
Ik hield u haast voor een schavuit.
(wil hem kussen)
Van 't ergste Yankee-volk-gespuis...!
Vergeef mij...!
Nu schitterend 't heele Gyntsche heir
Van wenschen, lusten en begeerten...!
(bewonderend)
(evenzoo)
Naar Griekenland met schip en geld?
(fluit spottend)
En leen den Turk mijn zilverlingen.
PEER GYNT (zwijgt even, leunt op een stoel en neemt een voornaam
air aan).
Hoort nu eens, heeren, 't lijkt mij best
Te scheiden, vóór de laatste rest
Van vriendschap gansch opgaat in rook.
Wie niets bezit kan licht wat wagen.
Wie van de wereld niets beheert
Dan 't streepje grond dat hij beschaduwt,
Is voor kanonvleesch als gemaakt.
Maar heeft zijn schaapjes men op 't droge
Als ik, dan is de inzet grooter.
Gaat u naar Hellas! Ik zend, gratis
Gewapend, u er allen heen.
Hoe meer u aanmoedigt den strijd,
Hoe beter ik den boog kan spannen.
Dus òp voor vrijheid en voor recht!
Loopt storm! Maakt het den Turken heet!
En sluit met eere dan uw loopbaan
Op spitse Janitscharen-lansen...
Maar excuseert mij. (klopt op zijn zak).
Ik heb geld
En ben mijzelf, Sir Peter Gynt.
(Hij steekt zijn zonnescherm op en gaat naar het boschje waar de
hangmatten hangen).
Maar denkt eens wat een kans voor ons
Als de opstand lukt en 't land wordt vrij...
Omringd van mooie Grieksche vrouwtjes!
De eens verloren heldensporen!
Uitgaande van mijn vaderland...
Goddam! 'k Zou tranen kunnen storten!
'k Zag mij al als Olymp-bezitter.
Als 't waar is wat er wordt gezegd,
Moet men er kopermijnen vinden,
Die te exploiteeren zouden zijn.
En daarbij die rivier Kastale,
Waarvan zooveel al is verteld,
Met vallen, die men laag gesteld,
Op meer dan duizend paardenkracht schat...!
Is meer dan Yankee-dollars waard!
Verdrinken wij gauw in de massa;
En waar blijft dan de kans op voordeel?
En plotsling het te zien verzinken!
(met gebalde vuisten tegen het jacht)
't In goud verkeerde negerbloed!...
Zijn keizerrijk is naar de maan!
Vooruit!
Het scheepsvolk is wel om te koopen.
Aan boord! Ik annexeer het jacht!
(loopt naar de sloep toe).
Dat 'k ook wat pak. (volgt hem).
(volgt de anderen).
Doch onder hevig protesteeren...!
(volgt hem).
jacht ver weg in zee onder vollen stoom.
Peer Gynt loopt langs het strand. Dan knijpt hij zich in zijn arm,
dan weer staat hij in zee te turen.
't Jacht steekt in zee! En in razende vaart!
't Is verbeelding! Ik slaap! Ik ben dronken en gek!
(wringt de handen).
(trekt zich aan de haren).
Ontzettend! Och neen, het is waarheid, helaas!
Zulke schurken van vrienden...! Verhoor mij, o Heer!
Gij zijt immers wijs en rechtvaardig...! O, straf...!
(met opgeheven armen).
Ontferm u mijner, anders moet ik vergaan!
Laat hen achteruit stoomen! Laat hen de boot neerlaten!
Houd de dieven! Maak iets onklaar aan het tuig!
Hoor mij! Laat andere zaken liggen!
De wereld redt wel zich zelf, in dien tijd...
Och hemel, hij hoort niet! Hij is doof als gewoonlijk!
Dat 's wat moois! Een God die geen uitkomst weet!
(wenkt naar boven).
Ik heb zendelingen overgezonden naar Azië!
De eene dienst is toch den anderen waard!
Och, help mij aan boord...!
(Een vuurstraal schiet òp uit het jacht en een dikke rookwolk stijgt
op; men hoort een doffen knal; Peer Gynt geeft een gil en zinkt neer
in het zand; langzamerhand trekt de rook op; het schip is verdwenen).
(bleek en zachtjes)
Verzonken op slag met man en muis!
O, gezegend zij 't toeval en mijn geluk... (aangedaan).
't Toeval? O, neen, het was meer dan dat.
Mij moest hij redden; zij moesten vergaan.
O lof en dank, dat gij mij bewaard hebt,
Een oog op mij hieldt, trots al mijn gebreken...
(haalt diep adem).
Is 't zich zoo apart beschermd te weten.
Maar hier in de woestijn! Waar vind 'k wat te eten?
Och, ik vind toch wel iets. Dat is zijn zaak nu.
Het is niet zoo gevaarlijk;... (luid en vleiend).
hij zal niet willen
Dat ik, kleine armzalige musch, zal vergaan?
Maar nederig van zin zijn. En hem gunnen den tijd.
Laat den Heer zorgen. Niet het hoofd laten hangen...
(schrikt plotseling op).
(klappertandend).
Een leeuw, wel waarom niet!
Die beesten, die blijven wel op een afstand,
't Is geen zaak te beginnen met wie de baas is.
Zij hebben instinkt;... zij voelen, dat 's zeker,
Dat 't gevaarlijk is te spelen met olifanten...
Maar alével... ik ga zoeken naar een boom.
Daarginder wuiven acacia's en palmen.
Als 'k daarin kan klimmen, zit ik veilig en kalm;...
Vooral als ik daarbij kende een paar psalmen...
(klautert naar boven).
Dat woord is al dikwijls gewikt en gewogen.
(gaat op zijn gemak zitten).
Edel te denken is meer dan zich rijk te weten.
Maar vertrouwen op hem. Hij weet wel hoeveel
Als lijdenskelk, ik voor mij, kan verdragen.
Hij voelt vaderlijk ook jegens mijn persoon...
(werpt een blik op de zee en fluistert met een zucht):
Maar econoom,... neen, dat is hij niet!
Nacht. Een Marokkaansch kamp op de grens der woestijn. Wachtvuren en
rustende soldaten.
(komt op, zich de haren uittrekkend)
(komt op, zijn kleeren verscheurend)
(komt op)
Krijgt wie niet den dief kan vangen!
(De soldaten stijgen te paard en galoppeeren in alle richtingen weg).
PEER GYNT (op een boom met een afgebroken tak in de hand, houdt zich
een troep apen van het lijf).
Fataal! Een allerellendigste nacht! (slaat om zich heen).
Nu gooien zij met vruchten. Neen, dat 's wat anders.
Akelige dieren zijn apen toch!
Er staat wel geschreven: gij zult waken en vechten;
Maar ik kan waarachtig niet; ik ben stijf en moe.
(wordt weer geplaagd; ongeduldig).
'k Moet zien een van die kerels te vangen,
Hem hangen en villen, en met zijn vel
Bedek ik mijzelf, zoo goed als 't gaat;
Dan houden de andren mij voor een echten...
Wat zijn wij menschen? Niet meer dan een zucht.
En men moet zich wat voegen naar landsgebruik...
Alweer een troep! Dat kruipt en krioelt...
Ga je! Kischt! Zij doen of ze gek zijn.
Had ik nu maar een verdwaalden staart!...
Iets dat mij zoowat op 'n dier deed gelijken...
Wat 's dat? Nu hokken ze boven mijn hoofd...!
(kijkt naar boven).
(kruipt angstig in elkaar en houdt zich een poosje stil. De aap maakt
een beweging; Peer Gynt begint te lokken en liefjes te praten als
tegen een hond).
Zoo,... ben je daar, jij oude Sim!
Hij is braaf, ja, niet waar! Hij wil aangehaald worden!
Hij zal niet gooien;... hij denkt er niet aan...
Kent mij wel! Piep-piep! Wij zijn goede vrienden!
Ai-ai! Hoor je wel dat ik je taal kan spreken?
Sim en ik, wij zijn nog familie, niet waar?
Morgen krijgt Sim wat lekkers, hoor...! Jij beest!
Heel de lading over mij heen! Bah! Wat een smerigheid!..!
Of was 't eten misschien? Aan den smaak was 't niet te kennen;
Maar wat smaak betreft doet gewoonte het meest;
Wie was ook weer de denker, die eens heeft gezegd:
Men spuwt maar en moet hopen dat 't wennen zal...?
Daar heb je ook de jongen! (vecht en slaat).
't Is toch al te gek,
Dat de mensch, die toch heet heer der schepping,
Zich genoodzaakt ziet tot...! Politie! politie!
Gemeen was de oude, maar de jongen zijn erger!
Vroege morgenstond. Een rotsachtige streek met uitzicht op de
woestijn. Aan den eenen kant een bergkloof en een hol. Een dief en
een heler in de kloof met het paard en het gewaad van den keizer. Het
paard, rijk opgetuigd, staat aan een steen vastgebonden. Ruiters in
de verte.
Punten van lansen,...
Kijk! Kijk!
In 't zand wegrollen.
Wee! Wee!
(kruist zijn armen over de borst)
Zijn zoon moet stelen.
Zijn zoon moet helen.
Je zelf moet je wezen.
(luisterend)
Gauw weg! Maar waar?
En groot de Profeet!
(Zij vluchten en laten hun buit in den steek. De ruiters verliezen
zich in de verte).
(komt op, een fluitje van riet snijdend)
De mestkever rolt zijn ballen van mest,
De slak kruipt uit haar slakkenhuis.
D'ochtendstond ja, heeft goud in den mond.
Het is in den grond toch 'n merkwaardige macht,
Die in 't daglicht aldus de natuur heeft gelegd.
Men voelt zich zoo kalm, voelt zijn moed weer groeien.
Zou wel durven 't desnoods met een os op te nemen...
Wat een stilte in 't rond! Ja, de landlijke vreugden...
Onbegrijplijk toch dat ik ze vroeger versmaadde;
Dat men zich opsluit in groote gebouwen,
Om allerlei volk in huis te halen...
Och, kijk, wat heeft 't hagedisje het druk,
Hapt maar en denkt verder aan niemendal!
Wat een onschuld toch in 't leven van zoo'n dier.
Elk volgt zijns Scheppers gebod in gehoorzaamheid,
Bewaart onvervreemdbaar zijn eigenaardigheid,
Is zich zelf, zich zelf in spel en strijd,
Zich zelf, zoo als het werd, toen voor 't eerst het werd.
(zet zijn lorgnet op).
Versteening rondom. Alleen de kop er uit.
Daar zit ze nu te kijken als door een ruit,
Naar de wereld en is zich zelf... genoeg... (denkt na).
Genoeg? Zich zelf...? Waar staat dat ook weer?
Ik las het als jongen in 'n godsdienstig boek.
Was 't in den bijbel? Of in Salomons spreuken?
Treurig; ik merk dat jaar op jaar
Mijn geheugen afneemt voor tijd en plaats.
(gaat in de schaduw zitten).
Kijk, hier groeien varens. Eetbare wortels. (proeft er van).
't Is wel meer eten voor 't redelooze vee;...
Maar er staat geschreven: dwing je natuur!
En verder staat er: hoogmoed moet men buigen.
En wie zich vernedert zal worden verhoogd. (onrustig).
Verhoogd? Ja, zeker, dat gebeurt met mij;...
Iets anders laat zich onmogelijk denken.
't Fatum helpt mij wel dat 'k hier van daan kom,
Zal 't aanleggen zóó dat ik hooger stijg.
Dit is een beproeving; later komt er verlossing,...
Als de Heere mij maar gezond blijven laat.
(schudt die gedachten van zich af, steekt een sigaret op, strekt zich
uit en staart over de vlakte van de woestijn).
Wat een onmetelijk, grenzenloos vlak.
Heel in de verte wandelt een struis...
Wat of toch Gods bedoeling kon zijn
Met het scheppen van al dat leege en doode,
Dat, wat ontbeert alle levensbronnen;
Dat verzengde, dat niemand ten goede komt;...
Dat stuk van de wereld, dat daar ligt braak;
Dat lijk, dat nooit sinds het uur der schepping,
Zijn Schepper zooveel als dank heeft gebracht!
Waar dient het voor?... De natuur is verkwistend...
Is dat de zee, daar in 't oosten, dat vlakke,
Daar schitt'rend? Neen, 't is maar zinsbedrog,
De zee is in 't westen; daarachter, en hooger,
Afgedamd door een glooiende heuvelrij.
(een gedachte gaat door zijn hoofd).
Afgedamd? Een doorbraak maar, een kanaal,...
Als een levensstroom zou het water zich storten
Door de geul en vullen de gansche woestijn!
Gauw zou dat heele gloeiende graf
Worden een frissche, golvende zee.
Tot eilanden werden dan de oasen,
Groen rees de Atlas als noordlijke grens;
Zeilschepen zouden, als vogels, doorklieven
't Pad, voor karavanen tot heden bestemd.
Frissche lucht zou er verdrijven de heete
Dampen,... uit wolken druppelen dauw;
Stad aan stad zou er bouwen het volk,
En gras zou er groeien om wuivende palmen.
In 't zuiden werd 't land, achter Sahara's muur,
Een kustland met nieuwe, verjongde cultuur.
Stoom zou er drijven Tomboektoe's fabrieken;
Bornoe werd ras gekoloniseerd;
Veilig door Habes reed dan de explorator
In zijn waggon naar den Boven-Nijl.
Midden in zee, op een vette oase,
Wil 'k overplanten het Noorsche ras;
't Bloed van mijn dalvolk is bijna vorstlijk;
Kruising met 't Arabische doet dan de rest.
Rondom een bocht, op een rijzende kust,
Zal ik de hoofdstad, Peeropolis, stichten.
De wereld is afgeleefd! Nu komt de beurt
Aan Gyntiana, mijn jonge land!
(springt op)
Een gouden sleutel voor de poort der zee!
'n Kruistocht tegen 't doode! Kom! Open de zakken
O, schraper, door u angstvallig bewaakt.
Men gloeit voor vrijheid in alle landen;...
Als de ezel van Noach wil 'k over de wereld
Uitzenden een kreet, den bevrijdingsdoop brengen
Aan de heerlijke, zwoele, wordende stranden.
Ik moet voort! Kapitaal uit het Oosten of 't Westen!
Mijn rijk,... de helft in 't Oosten of 't Westen!
Mijn rijk,... mijn halve rijk voor een paard!
(het paard hinnikt in de rotskloof).
(komt naderbij).
Ergens, dat willen kan bergen verzetten;...
Maar dat het óók kan verzetten een paard...!
Onzin! 't Is mijn Fatum, dat hier een paard staat...
"Ab esse ad posse" en wat verder mag volgen...
(trekt de kleeren aan over de zijne en bekijkt zich).
Een mensch weet toch nooit wat er kan gebeuren...
Spoed je, Grane, mijn klepper fier!
(bestijgt het paard).
Aan 't paardentuig kent men de groote heeren!
(hij galoppeert de woestijn in).
in zijn Turksche kleeding rustend op kussens. Hij drinkt koffie en
rookt uit een lange pijp. Anitra en een troepje meisjes dansen en
zingen voor hem.
De Profeet, de heer, de alles wetende!
Tot ons, tot ons is hij gekomen,
Over de zandwoestijn rijdende!
De Profeet, de heer, de nooit mistastende.
Tot ons, tot ons is hij gekomen,
Door de zandwoestijn zeilende!
Roert fluiten en trommels,
De Profeet, de Profeet is gekomen!
Die golvend door 't Paradijs vloeit.
Zinkt op de knieën! Buigt 't hoofd in ootmoed!
Zijn oogen zijn sterren, blinkend en blijde.
Maar geen schepsel verdraagt
Den schitt'renden glans van dier sterren stralen!
Door de zandzee kwam hij.
Goud en paarlen ontsprongen aan zijn borst.
Waar hij reed werd het licht.
Achter hem werd het donker.
Achter hem woedde Samoem,... werd dorheid.
Hij, de heerlijke, kwam!
Door de zandzee kwam hij,
Versierd als een zoon der aarde,
Kaba, Kaba, staat leeg;...
Hij heeft 't zelf verkondigd!
De Profeet, de Profeet is gekomen;
(De meisjes dansen op gedempte muziek).
"Niemand wordt profeet in zijn eigen land."...
Dit leven hier bevalt mij veel beter
Dan dat daarginds, onder Charlestowns reeders.
Er was iets hols in die heele zaak,
Iets vreemds, onzuivers, dat altijd bleef;...
Ik voelde mij nooit recht op mijn gemak,
En nooit zoo heelemaal man van 't vak.
Wat deed ik daar eigenlijk, vraag ik mij af?
Als een molenpaard altijd maar in de zaken;
Als ik het bedenk, kan ik 't niet begrijpen;...
Het kwam zoo; dat is het heele geval...
Zich zelf te zijn, gebaseerd op goud,
Dat is als zijn huis te bouwen op zand.
Voor ringen en kettingen en de rest,
Kwisp'len de menschen en kruipen in 't slijk;
Zij nemen hun hoed af voor 'n dasspeld met kroon,
Maar een ring of speld is toch niet de persoon...
Profeet;... kijk, dat 's een zuivre positie.
Dan weet men op welken voet men staat.
Gaat het òp, dan is men 't toch zelf, die ontvangt
De hulde, en niet zijn pond sterling of shilling.
Men is, wat men is, eenvoudig-weg;
Geen toeval of kans is men dank verschuldigd,
Men steunt ook niet op patent of vergunning...
Profeet;... ja, dat is net iets voor mij.
En ik werd het zoo uiterst onverwacht,...
Uitsluitend doordat ik reed door de woestijn,
En deze natuurkindren trof op mijn weg.
De Profeet was gekomen; daarmee was 't klaar.
Het lag waarlijk niet in mijn plan te bedriegen;
Profetisch te antwoorden is ook geen liegen,
En terugtrekken kan ik mij altijd nog.
Ik ben niet gebonden; dat is buiten kwestie;...
't Geheel is meer een persoonlijk geval;
Ik kan gaan als ik kwam; mijn paard staat gereed
In 't kort, ik ben meester van de positie.
(nadert den ingang van de tent)
Zij vragen uw aangezicht te mogen...
Zeg hun, dat zij er maar gauw van doorgaan:
Zeg hun, dat 'k van ver hun gebeden wel hoor.
Voeg er bij, dat ik hier geen manvolk wil hebben!
Mannen, mijn kind, zijn ellendig volk,...
Echte smeerlappen, zoo als men het noemt!
Anitra, je kunt niet begrijpen, mijn kind,
Hoe gemeen... ik bedoel, hoe zondig zij zijn!...
Nou ja; al genoeg. Danst voor mij, kindren!
De Profeet wil droevig herdenken vergeten.
(dansend)
Over 't kwaad bedreven door de zonen van 't stof!
De Profeet is mild; zijn mildheid zij geloofd;
Hij opent voor zondaars zijn Paradijs!
(terwijl hij Anitra onder het dansen met de oogen volgt)
Jongens! 't Is een lekker klein ding waarachtig.
Zij heeft wel wat extravagante vormen,...
Niet gansch overeenkomstig de eischen der schoonheid;
Maar wat is schoonheid? Traditie alleen,...
Een munt, enkel gangbaar naar plaats of tijd.
En juist dat extravagante is aantreklijk
Als je het normale door-en-door kent.
Het gemiddelde wekt niet gauw meer een roes.
Of overdreven gevuld, òf overdreven mager,
Of beangstigend jong, òf afschrikkend oud;...
Van 't gemiddelde walg ik...
Haar voeten... nou ja, munten niet uit door reinheid;
Ook haar armen niet, dat 's waar, vooral de ééne.
Maar daar is ze in den grond toch niet minder om;
Ik zou eerder zeggen, dat hoort er zoo bij...
Anitra, hoor eens!
(komt naderbij)
Als je mij niet gelooven wilt, hoor dan 't bewijs:
Ik maak je tot Houri in het Paradijs!
Het is hooge ernst, zoo waar als ik leef, hoor.
Ik zal je opvoeding in handen nemen.
Geen ziel! Ja, zeker, je bent wel erg dom,
Zooals men 't noemt. Dat heb ik met smart ondervonden.
Maar toch, voor een ziel heb je nog wel plaats.
Kom hier! Laat mij je hersenpan eens meten...
Er is plaats; er is plaats; ja, dat dacht ik ook wel.
't Is waar,... heel diep zal je wel nooit leeren denken;
En een heel groote ziel zal je ook niet krijgen;...
Maar och, dat doet er ook eigenlijk niets toe;...
Je zult zooveel krijgen, dat je niet beschaamd hoeft te staan...
Als ik 't zeggen mag...
(wijst op zijn tulband)
(verrukt, terwijl hij haar het kleinood toereikt)
Magnetisch trek je me aan; 'k ben een man,
En, zoo als staat bij een hoogberoemd schrijver:
"Das ewig weibliche zieht uns an!"
Maanlichte nacht. Palmenboschje vóór Anitra's tent. Peer Gynt met een
Arabische luit in de hand zit onder een boom. Zijn haar en baard zijn
geknipt; hij ziet er aanmerkelijk jonger uit.
(speelt en zingt)
En nam den sleutel mee;
De Noorderbries mijn schip voortdreef,
En schoone vrouwen aan het strand
Beweenden hun verlies.
Naar 't Zuiden joeg door 't zilte nat
Der baren, 't vluchtend schip.
Waar palmen wuiven mooi en fier,
Omkransend luwe, blauwe baai,
Stak ik mijn schip in brand.
Toen steeg ik op een zandzee-schip...
Vier beenen had dat schip;
Het schuimde onder spoor en zweep...
Ik ben een vogel, vang mij toch,...
Zit tjilpend op een tak.
Anitra, palmwijn ben je, zoet,
Dat kan 'k getuigen nu!
Ja zelfs Angorageiten-kaas
Is nog maar half zoo lekker als
Anitra, schatje, jij!
(hangt de luit over zijn schouder en komt nader).
Hoorde zij mijn liedje wel?
Gluurt zij achter de gordijnen,
Niet in sluiers gedrapeerd?...
Stil! Het klonk of met geweld daar
Van een flesch de kurk afsprong
Nu alweer! En nog eenmaal!
Liefdezuchten? Neen, gezang;...
Neen, het is een hoorbaar snurken.
Zoet geluid! Anitra sluimert!
Nachtegaal, houd op met slaan!
Of het zal je er naar vergaan,
Als je 't nog waagt met je fluiten...
Doch, het zij zoo, zegt het boek.
Nachtegaal is toch een zanger,
Ach, ik ben het eveneens.
Hij, als ik, vangt met zijn tonen
Teedre harten, week en jong.
Zwoele nacht en zoet gezang
Zijn ons beiden lief en gunstig;
Als wij zingen, zijn wij beiden
Wij, Peer Gynt en nachtegaal.
En juist dat zij slaapt, mijn liefje,
Voert mijn liefderoes ten top;...
Met de lippen aan den beker
Zonder dat ik er van proef...!
Maar daar is zij net, zoo waar!
Beter toch maar dat zij kwam.
(uit de tent)
Ik werd wakker straks door katten
Die een woeste drijfjacht hielden...
't Was iets van heel andren aard.
(dichterbij)
Wat mij zoo geheel vervulde,
Toen ik jou gaf mijn opaal?
(verschrikt)
In één adem met een kat!
Soms een kater en 'n Profeet
Vrijwel op eenzelfde lijn.
Van uw lippen.
Jij, als andre meisjes, ziet nooit
Groote mannen als zij zijn.
'k Hoû van schertsen, moet je weten,
Met je beidjes zoo vooral.
'k Ben verplicht door mijn positie
Tot een valschen schijn van ernst;
Plichten maken mij gedwongen,
Al die zorgen, dat gedoe,
Dat ik heb met iedereen,
Maakt mij vaak het leven zwaar:
Doch dat ligt maar bovenop...
Weg daarmee! In 't tête-à-tête
Ben ik Peer,... ja dat ben ik.
Hop, wij jagen den profeet weg,
En hier ben ik zelf nu, Peer!
(gaat onder een boom zitten en trekt haar naar zich toe).
Onder groene palmenwaaiers!
Ik zal fluistren, jij moet lachen;
Later wislen wij de rollen;
En terwijl ik lachend luister
Fluister jij dan liefdewoordjes!
(gaat voor zijn voeten liggen)
Al begrijp ik lang niet alles.
Zeg mij, heer, kan uwe dochter
'n Ziel verkrijgen door te luistren?
Zal je later wel geworden.
Als het oosten rood-goud-glanzend
Meldt: nu breekt er weer een dag aan,
Geef ik jou, mijn liefje, lessen;
O, je zult van alles leeren,
Maar in nachtlijk stille uren
Ware 't dwaasheid zoo ik wilde
Met geleerdheid, duf, versleten,
Als magister mij gedragen.
Eigenlijk is ook de ziel niet
Welbeschouwd, zoozeer de hoofdzaak.
't Is het hart, waar 't meest op aan komt.
Zie 'k een glans als van opalen!
Lafheids knop ontbloeid, is boosheid;
Overdreven waarheid is
Averechtsche wijsheidstaal;
Ja, mijn kind,... 't is ongelogen,
Er zijn menschen op de wereld
Met een overvoerde ziel,
Die tot klaarheid moeilijk komen.
Ik heb er zoo een gekend,
'n Parel uit den heelen hoop;
En zelfs hij heeft 't doel gemist toch
In 't gedrang van 't drukke leven.
Zie je 't zand rondom de oase?
Wenk ik even met mijn tulband,
Dwing 'k de wereldzee te vullen
Met haar waatren heel de vlakte.
Maar ik zou een domkop wezen
Als ik nu schiep zee en landen.
Weet je wat het is te leven?
Droogvoets met den tijdstroom mee,
Gansch en eenig als zichzelf.
Slechts als man van kracht kan 'k wezen
Hij, die 'k ben, mijn lieve kleintje!
'n Oude valk verliest zijn veeren,
'n Oude ram krijgt zwakke pooten.
'n Oude vrouw verliest haar tanden
'n Oude vent krijgt dorre handen,...
Iedereen een dorre ziel.
Jong zijn! Jong zijn! Ik wil heerschen
Als een sultan, vurig, echt,...
Niet aan Gyntiana's kusten,
Onder loofomrankte palmen,...
Maar gegrondvest op de frischheid
Van jonkvrouwlijke gedachten...
Zie je nu, mijn lieve kindje,
Waarom ik je uitverkoren
En je hartje zoo ontroerd heb?
Waarom ik, om zoo te zeggen,
Daar mijn kalifaat gesticht heb?
Naar mij moet gaan je verlangen.
Almacht wil ik in mijn staat!
Jij moet heel alleen van mij zijn.
Ik wil 't zijn die je gevangen
Houdt, als goud en edelsteenen.
Scheiden wij, is 't leven niets meer,...
Althans, dat wil zeggen: 't jouwe!
Heel je wezen, alle leegten,
Zonder willen ja of neen,
Wil ik weten vol van mij.
't Nachtlijk donker van je lokken,
En al je bekoorlijkheden
Moeten... Babylonsche tuinen...
Wenken mij tot sultansfeesten.
Daarom is 't ook nog zoo kwaad niet
Dat je hoofdje leeg maar blijft.
Met een ziel wordt zelfbeschouwing
Tot een allereersten plicht.
Wacht eens,... 'k krijg daar juist een inval:
'k Zal je geven, als je 't wilt,
'n Mooien ring voor om je enkel;...
Dat is 't best voor allebei;
Jij krijgt mij als ziel, en verder
Blijft het alles... status quo.
(Anitra snurkt).
Langs haar heen, wat 'k heb gezegd?...
Neen; dat kenmerkt juist mijn macht,
Want gewiegd door liefdewoorden
Zweeft zij weg in zoete droomen.
(staat op en legt sieraden in haar schoot).
Slaap, Anitra! Droom van Peer!
Slaap! En op je keizers voorhoofd
Drukte slapend jij de kroon!
Peer won, enkel door zijn wezen,
'n Keizerrijk in dezen nacht!
Karavaanweg. De oase ver weg op den achtergrond. Peer Gynt op zijn
witte paard, jaagt door de woestijn. Hij heeft Anitra vóór zich op
het zadel.
'k Voer je weg! Ik bega dolle streken!
De Profeet is nog niet oud, kleine gans!
Vind je dat dit dan op ouderdom wijst, zeg?
Naar huis! Naar schoonpapa! Die is goed!
Wij dolle vogels, de kooi ontvlogen,
Wij komen hem nooit meer onder de oogen.
En daarbij, mijn kind, op dezelfde plek
Moet men nooit vertoeven te langen tijd;
Men verliest dan in achting, hoe meer men bekend wordt;...
Vooral als men komt als Profeet of zoo iets.
Vluchtig moet men voorbij gaan, als een "bon mot".
't Werd waarlijk al tijd dat 't bezoek op zijn eind liep.
Die woestijnzonen zijn onstandvastige zielen,
Op 't laatst al ontbraken gebeden en wierook.
(wil haar kussen).
Ik stijg af! Ik zal leiden het paard als je slaaf.
(reikt haar de karwats en stijgt af).
Hier wil ik loopen in zand en wind,
Tot een zonnesteek mij treft en ik niet verder kan.
Ik ben jong, Anitra, hoû dat in 't oog!
Neem het met mijn fratsen maar niet zoo nauw.
Grappen uithalen is een teeken van jeugd!
Als dus je hoofdje wat helderder was,
Dan zou je begrijpen, mijn lieflijk juweel,
Je liefste maakt grappen... ergo is hij jong!
Was hier wijnloof in de buurt, dan zou 'k mij bekransen.
Ja, waarachtig ben 'k jong! Hopsa! 'k Ga dansen!
(danst en zingt).
Pik mij, mijn lief kippetje!
Hei! Hop! Laat mij trippelen;...
Ik ben een gelukkig haantje!
Geef mij dat zware, dat aan uw gordel bengelt.
Zonder goud zijn minnende harten content!
(danst en zingt weer).
Hij weet niet op welken voet hij zal staan.
Pah, zei Peer;... laat maar begaan!
Jonge Peer Gynt is een dolleman!
Komaan! Trek uit!
Uw gordel te wijd en uw kousen te nauw...
Maar doe mij een groot verdriet,
Het is zoet te lijden, voor minnende harten!
Hoor, als wij aankomen in mijn slot,...
Doch u vroeg om verdriet...
(staat op)
Hevig, maar kort,... voor een dag of twee, drie!
(Zij geeft hem een duchtigen slag met de karwats over zijn vingers
en holt in vliegenden galop terug door de woestijn).
(staat een tijdlang als door den bliksem getroffen)
Zelfde plaats. Een uur later.
Peer Gynt bedachtzaam en nadenkend, trekt zijn Turksche kleeren uit,
stuk voor stuk. Het laatst haalt hij zijn reispetje uit zijn jaszak,
zet het op, en staat weer in zijn Europeesche kleeding.
(terwijl hij den tulband ver van zich afgooit)
Die heidensche boel deugt ook al niet.
't Was gelukkig, dat 't mij alleen zat in de kleeren,
En niet diep tot in 't merg was doorgedrongen...
Wat wou ik toch eigenlijk, vraag ik mij af?
Een mensch doet toch 't best als een christen te leven,
Te versmaden het kleurige pauwenkleed,
Zijn doen te steunen op wet en moraal,
Zich zelf te zijn, en ten slotte te krijgen
Een toespraak aan 't graf en een krans op de kist.
(doet eenige stappen).
Of door haar had 'k haast mijn verstand verloren.
'k Ben een kabouter als ik nòg recht begrijp
Wat het was, dat zóó me in de war gebracht heeft.
Nou goed: het is uit! Was één stap verder
De grap gegaan, was 'k belachlijk geworden.
'k Heb gefaald. Och ja;... maar het is toch een troost
Dat ik faalde als gevolg van mijn valsche positie.
Het was niet dezelfde persoon die nu viel.
Het is eigenlijk dat: als-profeet-moeten-leven,
Zoo gansch ontbloot van der werkzaamheid zout,
Dat nu zich met weeë smaakloosheid wreekte.
Een slechte betrekking profeet te zijn!
In dat beroep moet je zweven in wolken;...
Profetisch beschouwd heb je afgedaan
Zoodra als je optreedt nuchter en wakker.
In zoover heb ik de rol volgehouden,
Juist door dat gansje aldus te huldigen.
Maar, dat laat niet na...
(barst in lachen uit).
Met trip'len en dansen mijn dagen vertreuz'len,
Zwemmen tégen den stroom al draaiend en kwisp'lend,
Kozen bij snarenspel, spelen en zuchten,
En eindigen als haan... met mij te laten plukken!
Voorwaar, mijn doen was profeetachtig dol...
Ja, plukken!... Jongens, wat bén ik geplukt;
Nou; iets hield ik gelukkig nog achter de hand;
Ik heb nog wat in Amerika, en wat in mijn zak;
Ben dus nog niet tot den bedelstaf gebracht.
En dit gemiddelde is in den grond het beste,
Nu ben ik niet afhanklijk van koetsier of paarden;
Ik heb niets te maken met koffers en karren;
Kortom, zooals 't heet, ik beheersch de positie...
Welken weg moet ik kiezen? Vele staan mij nu open;
En de keus doet een dwaas van een wijze onderscheiden.
Mijn zakenmans-leven is 'n afgedaan hoofdstuk,
Mijn minnarij is een afgelegd jasje.
Tot den kreeftengang voel ik volstrekt geen lust:
"Heen en terug, het is even lang;
Er uit of er in, 't is een zelfde gang,"...
Zoo staat er, meen 'k, in een geestig geschrift...
Dus weer iets nieuws; een verheffend werk,
Een doel, dat het geld en de moeite loont.
Mijn leven beschrijven, zonder iets te verbloemen...?
'n Boek, dienend tot wegwijzer, desnoods als voorbeeld...?
Of wacht...! 'k Heb den tijd gansch tot mijn beschikking...
Als 'k eens de begeerigheid van vroeger tijden,
Als een reizend geleerde ging bestudeeren...?
Ja waarlijk; dàt is nu net iets voor mij!
Kronieken las ik, toen 'k nog klein was,
En wetenschap heb ik ook later beoefend...
'k Zal volgen der menschheid oeroude baan!
'k Zal drijven op den stroom der historie als 'n veer,
Die weer doorleven, als in een droom,...
Der helden strijd zien, voor wat groot is en goed,...
Doch als toeschouwer maar, op een veilige plek,...
Zien denkers vallen, martelaars sneven,
Zien rijken stichten en rijken vergaan,...
Zien wereldmomenten uit het kleine ontstaan...
Kortom, 'k wil de heele historie afroomen...
Ik moet zien mij een Becker aan te schaffen,
En chronologisch te reizen zoo ver ik kan komen.
't Is waar... in geschiedenis ben ik niet sterk,
En hoe 't in elkaar zit begrijp ik nooit recht.
Maar och! waar 't uitgangspunt soms het gekst is,
Wordt dikwijls de oorspronklijkste uitkomst verkregen...
Hoe verheffend toch is 't zich een doel te kiezen,
En alles te willen om dat te bereiken!
(stil aangedaan).
Alles wat bindt aan magen en vrienden,...
In de lucht laten vliegen je geld en goed,
Zeggen zijn liefdegeluk goeden nacht,...
Alles om te vinden der waarheid mysterie..
(droogt een traan af).
'k Gevoel mij toch zoo bovenmatig gelukkig
Nú weet ik dan 't raadsel van mijn bestemming.
Nu maar mij er doorslaan, door dik en dun!
't Is wel te vergeven dat ik 't hoofd hoog draag
En voel wat ik waard ben als man, Peer Gynt,
Ook wel genaamd de keizer van 't leven...
De som van 't verleden wil ik bezitten;
Nooit meer loopen der levenden wegen;...
Het heden is nog geen schoenzool waard;
Zonder merg of pit is der mannen gedoe:
Hun geest heeft geen vlucht, hun daden geen kracht;...
(haalt de schouders op).
Zomerdag. Hoog boven in 't Noorden. Een hut in 't bosch in de
bergen. Open deur met een groot houten slot. Een rendiergewei boven
de deur. Een troep geiten bij den muur van de hut staande.
Een vrouw van middelbare jaren, blond en mooi, zit te spinnen buiten
in den zonneschijn.
(werpt een blik op den weg beneden en zingt)
En zomer en herfst met stervende blaân...
Maar ééns zal je komen... mijn liefde gelooft!
En wachten zal ik... dat heb ik beloofd.
(lokt de geiten, spint en zingt weer).
God zegen je, als aan zijn voeten je staat!
Hier zal ik wachten van jaar tot jaar...
En wacht jij hier boven, dan vind ik je daar!
In Egypte. Morgenschemering. De Memnonszuil in het zand. Peer Gynt
komt aanloopen en kijkt een oogenblik rond.
Dus nu ben 'k Egyptenaar voor de verandring;
Maar Egyptenaar, steunend op 't Gyntsche ik;
Later denk ik dan naar Assyrië te gaan.
Te beginnen heelemaal met de schepping,
Zou enkel tijdverlies na zich slepen;...
'k Laat de bijbelsche historie er dus maar buiten,
Het spoor dáárvan vind 'k toch altijd terug;
En om, zooals 't heet, 't naadje van de kous te zoeken,
Ligt buiten mijn plan en buiten mijn kunnen.
(gaat op een steen zitten).
Tot Memnon zijn morgenzang heeft voorgezongen.
Na 't ontbijt ga ik dan de Pyramide beklimmen;
Heb ik tijd, ga ik later er ook nog eens binnen.
Dan over land naar de Roode Zee;
Misschien vind ik daar Koning Potifars graf...
Dan ben ik Aziaat weer. In Babylon ga 'k zoeken
De wereldberoemde hangende tuinen,
Te weten, 't voornaamste spoor van cultuur.
En dan met een sprong naar Troja's muur.
Van Troja is er directe verbinding
Over zee, naar 't heerlijke, oude Athene;...
Daar wil 'k op de plaats zelf, goed bezien
En berijden, den pas dien Leonidas dekte;...
Dan maak 'k mij vertrouwd met de beste filosofen,
Zoek het huis op, waar Socrates stierf als offer...;
Neen, 't is waar ook,... daar wordt nu gevochten...!
Nou, dan moet 't Hellenisme maar blijven liggen.
(kijkt op zijn horloge).
Vóór de zon opgaat. Mijn tijd is kort.
Dus 't oude Troja;... daar kwam ik van daan...
(staat op en luistert).
(Zonsopgang).
(zingt)
Vogels, zingende.
Zeus, de Alwetende,
Schiep hen als strijdenden.
Wijsheidsuilen,
Waar slapen mijn vogels?
Gij moet sterven of raden
't Gezongen raadsel!
Geluid uit de zuil! Dat was oudheidsmuziek.
Ik hoorde het stijgen der stem en het dalen...
Dit zal ik noteeren. Iets voor de geleerden.
(noteert in zijn zakboekje):
"De zuil zong. Ik hoorde duidlijk het geluid,
Doch verstond van het lied de woorden niet heel goed.
Het geheel was natuurlijk zinsbedrog.
Anders niets belangrijks opgemerkt van daag."
(gaat verder).
verte de torens en minarets van Kaïro.
Peer Gynt komt op; hij bekijkt de sfinx aandachtig, dan door zijn
lorgnet, dan door de holle hand.
Iets, dat mij herinnert aan dit model?
Want 'k héb 't gezien ergens, in Noord of Zuid.
Was het een persoon? En zoo ja dan, wie?
Hij, Memnon, dat viel mij achterna in,
Leek op den ouden Kabouterkoning,
Zoo als hij zat daar, stijf en strak,
Zijn zitvlak rustend op stompe zuilen...
Maar hier, dit tweeslachtige wonderdier,
Deze kruising, zoo vreemd, van leeuw en vrouw,...
Zit mij dit ook uit een sprookje in 't hoofd?
Of herinner ik 't mij uit de werkelijkheid?
Uit een sprookje? Wacht, nu weet ik het weer!
't Is Böjgen, zoo waar, dien ik sloeg op zijn kop,...
Dat 's te zeggen, ik droomde... want ik lag te ijlen...
(komt nader).
Niet zoo dof, de oogen, wat meer geslepen;
Maar verder in hoofdzaak vrijwel dezelfde...
Zoo, zoo, jij Böjg; je lijkt op een leeuw,
Als men je ziet van achtren en ontmoet over dag!
Kan je nog wel raden? Dat zal 'k eens probeeren.
Nu zal 'k eens zien of je weer antwoordt als laatst!
(roept tegen de sfinx).
(achter de sfinx)
Die opmerking is van mij en nieuw.
(noteert in zijn zakboekje:)
(komt van achter de sfinx te voorschijn)
(noteert weer:)
(onder allerlei zenuwachtige gebaren)
Wat voert u op heden juist hierheen?
Mijn voorhoofd hamert! Ik vrees dat 't zal barsten!
Kent u de sfinx? Antwoord! Spreek! Kan u zeggen
Wat zij is?
Zij is zich zelf.
(opspringend)
Als 'n bliksemschicht daar!... Inderdaad? Weet u 't vast?
Zich zelf?
(neemt zijn hoed af).
(met stille bewondering)
Peer Gynt! Dat wil zeggen: de onbekende,...
De komende, wiens komst mij verkondigd was...
Ieder woord is een bron van diepe wijsheid!
Wat is u?
(bescheiden)
Mij zelf. En ovrigens, hier is mijn pas.
(grijpt hem bij den pols).
(terwijl hij hem meetrekt)
In Kaïro. Een groote binnenplaats met hooge muren, omgeven door
gebouwen. Getraliede vensters; ijzeren kooien.
Drie oppassers op de binnenplaats. Een vierde komt op.
Want van nacht...
(Begriffenfeldt leidt Peer Gynt binnen, sluit de deur en steekt den
sleutel in zijn zak).
(in zich zelf)
Bijna al wat hij zegt gaat boven mijn begrip.
(kijkt rond).
Een zeventig navorschers en geleerden,
Sedert kort nog tot honderd en drie vermeerderd...
(roept tegen de oppassers).
Gauw in je kooien, een, twee, drie!
Draait rond de wereld, dan draaien wij mee.
(dwingt ze in een kooi).
De rest kan je wel begrijpen,... ik zeg verder niets meer.
(sluit de kooi af en gooit den sleutel in een put).
Mijnheer Peer, kan u zwijgen? Ik moet mij uiten...
(in toenemende onrust)
(trekt hem in een hoek en fluistert)
Is gistren gestorven precies om elf uur.
En dubbel onaangenaam in mijn positie,
Want dit huis werd tot op dit uur nog beschouwd
Als een gekkenhuis.
(bleek en zachtjes)
En gek is die man;... en niemand weet het!
(tracht weg te komen).
(volgt hem)
Als ik zeg: zij is dood, dan is dat schijn.
Zij ging van haar zelve... is uit haar vel gesprongen,...
Net precies als deed wijlen Münchhausens vos.
(houdt hem vast)
Niet als een vos. Door het oog stak een naald;
Zij spartelde hevig...
Dit van-zich-zelf-gaan zal ten gevolge hebben,
Een heelen omkeer te land en te zee.
De personen, die vroeger krankzinnig heetten,
Zijn gistren avond normaal geworden,
Overeenkomstig 't verstand in zijn nieuwe phase.
En kijkt men dan verder de zaak goed aan,
Dan volgt dus, dat juist op datzelfde uur
De zoogenaamd wijzen begonnen te razen.
(opent een deur en roept).
De rede is dood. Leve Peer Gynt!
(De krankzinnigen komen allengs naar buiten de binnenplaats op).
Begroet der bevrijding morgenrood!
Uw keizer staat vóór u!
In 'n uur als dit...
Neen, ik deug er niet voor; ik ben glad versuft al!
Die zichzelf is?
Ik ben mijzelf in allen deele;
Maar hier, zoover 'k begrijp, hier moet
Men buiten zichzelf zijn, om zoo te zeggen.
Hier is men zichzelf juist zonder genade,
Volstrekt zichzelf, zonder ook maar iets anders;
Men zeilt als zichzelf, vlak voor den wind.
In 't vat van zijn ik bergt een ieder zich op;
In eigen gisting duikt hij naar den grond,...
En sluit zich hermetisch met de prop van zijn ik;
En dicht het hout in de bron van zijn ik.
Niemand heeft tranen voor andermans smarten,
Niemand gedachten voor andermans denken.
Ons zelf, dat zijn wij in geest en geluiden,
Ons zelf, tot den uitersten rand van de springplank...
En dus, moet er keizer hier iemand worden,
Is u voor den troon onze ware man.
Haast alles op aarde is nieuw in 't begin.
"Zichzelf";... kom, hier zal 'k een voorbeeld u toonen,
Ik kies maar het eerste het beste dat 'k zie...
(tegen een sombere gedaante).
Nog altijd maar rond in droefheids gewaad?
Onvertolkt, vergeten sterft? (tegen Peer Gynt).
U is vreemdling; wil u hooren?
(buigt)
Als een bloemkrans, ver in 't Oosten,
Ligt de Malabaarsche kuststreek.
Hollanders en Portugeezen
Hebben daar gebracht beschaving.
Bovendien zijn daar nog massa's
Van de echte Malabaren.
Zij, die onze taal verknoeiden,
Zijn nu meester van het land daar;
Maar in lang vervlogen tijden
Heerschte daar de Orang-oetan.
Hij was heer van 't bosch en meester;
Vrij mocht hij daar dooden, brullen.
Ongetemd natuurvoortbrengsel
Groeide en gaapte hij als zoodanig.
Onbelemmerd mocht hij schreeuwen;
Hij was in zijn rijk de heerscher...
Maar toen kwam het juk der vreemden
Onze oerwoudstaal verwarren.
'n Nacht van viermaal honderd jaren
Sloopte Orang-oetan's krachten;
En men weet, zoo lange nachten
Houden alle ontwikling tegen.
't Oergeluid van 't woud verstomde
En men hoorde niet meer brommen;...
Zullen wij gedachten uiten
Moeten wij dat doen met woorden.
Welk een dwang voor alle standen!
Hollanders en Portugeezen,
Kleurlingen en Malabaren,
Alles was het even lastig...
'k Heb beproefd er voor te vechten,
Voor onze oerwoudstaal, de echte,...
't Arme lijk te doen herleven,...
't Recht van 't volk op schreeuwen steunend,...
Zelf geschreeuwd, en aangetoond ook
't Nut er van in volksgezangen...
Doch geen mensch waardeert mijn pogen...
Mijn verdriet zal u begrijpen.
Dank, dat u naar mij wou luistren;...
Weet u raad, laat mij dien hooren!
(zachtjes)
Met de wolven, die in 't bosch zijn.
(luid).
Dat er in Marokko's bosschen
Nog zijn Orang-oetantroepen,
Levend zonder tolk of zangen;
Hun geluid klonk Malabarisch!
't Ware mooi en exemplarisch,
Als u nu, als andre grooten,
Daarheen trok, uw volk ten bate...
Ik zal doen wat u mij aanraadt.
(met een plechtig gebaar).
Orang-oetans heeft het Westen! (Af).
Van zichzelf is hij vol, en alleen van dat ééne.
Hij 's zichzelf in alles wat hij van zich geeft,
Zichzelf juist krachtens zijn ván-zichzelf-zijn.
Kom hier! Nu zal 'k u een ander wijzen,
Sedert gistren niet minder behoorlijk verstandig.
(tegen een Fellah die een mummie op zijn rug draagt).
(woest tegen Peer Gynt)
(schuift achter den dokter)
Dat 'k niet ben op de hoogte der omstandigheden.
Maar 'k geloof toch, als 'k mag afgaan op den toon, dat...
Hoe dan de zaken staan.
(wendt zich tot Peer Gynt).
Koning Apis was eens zijn naam.
Nu draagt hij den naam van mummie,
En is dan ook heelemaal dood.
Hij bouwde de Pyramiden,
Beeldhouwde de groote sfinx,
En streed, zooals zegt de dokter,
Met de Turken, rechts en links.
En daarom heeft heel Egypte
Als 'n God hem geprezen hier,
En vereerd hem in al zijn tempels
In de afbeelding van een stier...
Maar ik ben die koning Apis,
Dat 's zoo zeker als 'k hier sta;
En als je dat niet begrijpt nog,
Dan zal je 't zien weldra.
Koning Apis, die was op de jacht eens,
En steeg even af, de held,
En ging een oogenblik zitten
Terzijde, op mijn voorvaders veld.
Maar 't veld dat de koning bemestte,
Dat voedde mij met zijn graan;
En eischt iemand meer bewijzen,
'k Toon onzichtbare horens hem aan.
En is 't dan voor mij niet wanhopig
Dat niemand erkent mijn macht!
'k Ben Apis naar recht van geboorte,
Maar word als Fellah veracht.
Kan een goeden raad je mij geven
O, doe het dan, zonder bedrog;...
Wat moet ik doen om te worden
Als Apis, de Groote, nu nog?
Beeldhouwe een groote sfinx,
En strijde, als zegt de dokter,
Met de Turken, rechts en links.
Een Fellah! Zoo'n kale luis!
'k Heb mijn handen vol om mijn hut vrij
Te houden van 't rattengespuis.
Ga, man,... ga, zoek naar wat beters,
Wat groot maakt, geeft rust mij terug!
En daarbij geheel mij gelijk maakt
Aan Apis, den held, op mijn rug!
En daarnà in der aarde schoot,
Zich binnen de grenzen der doodkist
Ook hield als volslagen dood?
Aan de galg dan met mijn huid...
Aanvanklijk maakt 't eenig verschil wel;
Maar dat slijt mettertijd wel uit.
(gaat heen en maakt toebereidselen om zich op te hangen).
Een man met methode...
Maar hij doet het waarachtig! God zij ons genadig!
Ik word duiz'lig;... 'k voel in mijn hoofd al verwarring!
(houdt hem vast)
(Alarm. De minister Hoessein dringt vooruit door de menigte).
(tegen Peer Gynt)
(wanhopend)
(grijpt zich in 't haar)
Ik ben een pen.
(buigt nog dieper)
Een verfrommeld keizerlijk perkament.
Mij houdt men voor 'n zandkoker en 'k ben een pen.
'k Ben een vel wit papier en werd nooit nog beschreven.
Allen willen mij gebruiken om zand uit te strooien!
Wees wijs of wees gek, dat 's alleen maar een drukfout!
Pen te zijn en nooit 't genot van een mes te smaken!
(maakt een sprong)
Aldoor vallen,... nooit grond voelen onder zijn hoeven!
De wereld vergaat, als men 't mes er niet in zet!
Door onzen-lieven-Heer zoo goed gelukt werd gevonden.
(grijpt het)
Wat een wellust zich te snijden.
(snijdt over zijn keel).
(wijkt op zij)
(in stijgenden angst)
Houd! Houd de pen vast! Papier op de tafel...! (valt neer).
Nu ben 'k verbruikt. Onthoud dat: dit is 't naschrift:
Hij leefde en hij stierf als een vastgehouden pen!
(wankelend)
'k Ben al wat gij wilt... een Turk, een zondaar,...
'n Kabouter...; maar help!... er was iets dat brak...!
(schreeuwt).
Help mij... gij toevlucht voor alle dwazen!
(valt flauw).
sprong schrijlings boven op hem zitten).
Ha, kijk hoe hij in 't stof zich hoog houdt!...
En van zichzelf is...! Hij zij gekroond!...
(drukt hem den krans op het hoofd en roept uit:)
(in de kooi)
EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF
Vijfde bedrijf
Aan boord van een schip in de Noordzee, bij de kust van
Noorwegen. Zonsondergang. Stormachtig weer.
Peer Gynt, een krachtig oud man, haar en baard zilvergrijs, staat
achter op het dek. Hij is half-en-half als zeeman gekleed, met
een jekker en hooge laarzen. Zijn kleeren zien er wat versleten en
afgedragen uit; hij zelf verweerd en met een hardere uitdrukking
in zijn gezicht. De kapitein van het schip aan het roer bij den
stuurman. Het scheepsvolk verder vooruit.
(leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust)
Hij tooit zich, de oude, met 't avondrood.
Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;
Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.
De Folgefaan is al bizonder fijn,...
Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.
Weest toch geen dwazen, oude jongens!
Blijft waar je staat maar, granieten kerels!
(roept naar voren)
Zie je bij mooi weer den Galdhöpig.
(wijst)
En 't aanzetsel, zegt men, hangt 't langst in den pot.
(spuwt en tuurt naar de kust).
Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,
En onderlangs, aan de open fjord,...
Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.
(kijkt den kapitein aan).
Er is ruimte en afstand van huis tot huis.
Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.
Herinner 'r mij aan, als wij afreeknen straks...
Ik ben van plan 't met het scheepsvolk... zooals men zegt...
"Goed te maken"...
Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;...
't Fatum en ik zijn geen vrienden meer;
U weet wat 'k u hier te bewaren gaf.
Dat is 't overschot;... de rest nam de duivel mij af.
Bij de menschen daarginds.
Geen mensch verwacht er den rijken booswicht...
Nou,... dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.
Heeft één van de mannen 't bizonder noodig,
Dan zie ik zoo nauw niet op 'n paar centen.
Allen hebben een vrouw en kindren thuis.
Alleen met hun loon, is 't armoe troef;
Maar brengen ze soms nog wat extra's mee,
Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.
Zijn ze getrouwd?
Wie 't slechtst er aan toe is, dat 's wel de kok;
Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.
Die blij is als zij komen? Wat?
Op armelui's manier.
Wat dan?
Wat lekkers, zoo'n enklen keer...
Met kindren om zich heen? En in huis een leven
Dat niemand verstaat wat de andren vertellen,...
Is dat hun feestvieren, zeg...?
En daarom zou 't royaal zijn, wat u daar straks
Beloofde, te doen.
(slaat op de reeling)
Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuif
Om andermans kindren te plezieren?
'k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.
Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.
Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!
Passage van Panama als kajuitspassagier,
En 'n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;
Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!
Maar pardon; nu wordt de bries een storm.
(Hij loopt naar het voordek. Het is donker geworden; in de kajuit
wordt licht opgestoken. De zee wordt woelig. Mist en zware wolken).
In 't aandenken van andren als 'n vreugde leven;...
Door hun gedachten gevolgd op hun weg...
Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij...
Licht op tafel? Dat zal 'k beletten!
Ik zal wat bedenken...! Ik maak hen stomdronken;...
Geen een van de kerels komt nuchter aan land.
Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!
Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,
Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!
De vrouw zal schreeuwen en 't huis uit vluchten;
De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!
(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande
te houden).
Nou, dat heet je slingren naar behooren.
De zee werkt of ze er voor betaald wordt;...
Het is nog hetzelfde langs de kust hier in 't Noorden;...
Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig... (luistert).
Wat is dat voor een kreet?
(vooruit)
(midscheeps, kommandeerend)
(gaat naar voren).
(tegen sommigen van het volk).
Helpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt...
Kok, durf je 't wagen? Kom, ik betaal je...
Dat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?
Die zitten te wachten...
Dan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.
(Het stormweer wordt heviger. Peer Gynt gaat naar het achterdek).
Geen christendom, zoo, als 't geleerd en geschreven is,...
Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,
En letten niet op de geweldige machten...
In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.
De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,
Dat 't gevaarlijk is te spelen met olifanten;...
En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!
Ik heb geen schuld; de offerschaal heeft,
Ik kan 't bewijzen, mijn geld ontvangen.
Maar wat geeft mij dat nu?... Men zegt zoo wel eens:
Op een goed geweten is 't heerlijk rusten;
Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,
Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,
Waar 'n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.
Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;
Je moet mee met de andren van 't dek naar den kelder;
Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,
Dan word ik met de bende ook meegesleept;...
Je eigen verdienste wordt in 't geheel niet geteld,
Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd...
De fout is dat ik te vroom ben geweest.
En ondank is nu mijn loon voor alles.
Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,
En probeerde eens een tijd den baas te spelen.
Wel, ik heb nog den tijd! In 't dorp zal men zeggen:
Peer kwam terug als een groote meneer!
De hoeve wil 'k weer hebben, het ga hoe het ga;...
Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.
Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!
Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;...
Beedlen en smeeken,... dat mogen ze vrij;
Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;...
Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,
Dan vind ik er wel, die 'k op mijn beurt slaan kan...
DE VREEMDE PASSAGIER (staat in 't donker naast Peer Gynt en groet
vriendelijk).
Goên avond!
U hier zie...
Het is om er van te watertanden!
Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;...
En hoeveel lijken zullen drijven aan land!
Gestikt,... of verdronken?
En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.
Als wij bijvoorbeeld stootten op grond...
En zonken...
Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond...
Maar staat men met éénen voet in het graf,
Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven...
(tast in den zak)
Mij uw hoog vereerd kadaver te schenken?
't Is voor de wetenschap...
Ik open uw lichaam en toon het der wereld.
Voornaamlijk wil 'k zoeken den zetel der droomen...
En overigens kritisch 't geheel onderzoeken...
Het is toch te erg, met storm en regen
Een woeste zee en allerlei teekens
Van iets, dat ons een kop kleiner kan maken,
Doet u alles als 't ware om 't uit te lokken!
Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring...
(groet vriendelijk).
Misschien is u dan in een beter humeur.
(gaat de kajuit binnen).
Zulke vrijdenkers toch...
(tegen den bootsman die langs hem komt).
Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?
(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).
(gaat verder).
(roept)
Mijn bagage aan dek!
Ik beloof 't u vast, 'k geef wat aan den kok...
(roept vooruit)
(Het schip stoot. Leven en verwarring).
mist ziet men onduidlijk de sloep met twee man. Een stortzee doet die
omkantelen; men hoort een kreet; daarna een poos alles stil. Dan komt
de omgekeerde boot aandrijven.
Peer Gynt duikt op, dicht bij de boot.
Help mij, o God,... als zegt uw woord!
(klampt zich vast aan de kiel).
(duikt op aan den anderen kant)
Mijn arme kindren! Stuur me aan land!
(houdt zich aan de kiel vast).
Laat los! De kiel draagt geen twee man!
(Zij vechten; de kok bezeert zijn eene hand; hij klampt zich vast
met de andere).
Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!
Want ik laat nog geen kindren na.
Om u wordt door geen mensch getreurd...
(schreeuwt en laat los).
(grijpt hem vast)
Bid gauw je Onze-Vader nog!
Je krijgt wel wat je noodig hebt.
't Is merkbaar... altijd was je kok... (laat hem glippen).
(zinkend)
Je was en bleef tot 't eind je zelf...
(werkt zich boven op de kiel).
(slaat de hand aan de boot)
't Doet mij plezier dat 'k u toch vond.
Wel? Ziet u dat 'k voorspellen kan?
Ik drijf, al houd ik maar den top van
Mijn vinger hier, in deze gleuf vast.
Maar à propos van 't lijk...
Wat wil je?
(grijpt zich in 't haar)
Wat ben je?
(knikt)
Die op mij lijkt?
(zachtjes)
Op 's levens weg door angst en donker?
U mooglijk wel een lichtgezant?
Den diepen ernst van angst gevoeld?
Maar opgeschroefd vind ik uw woorden...
De zege, in den angst gegeven?
(kijkt hem aan)
Dat had u eerder moeten doen.
Het lijkt naar niets uw tijd te kiezen
Als ik op 't punt ben te verdrinken.
Gezellig bij uw haardvuur zittend?
Denkt u dat die opwekkend zijn kan?
Net zooveel als verheven taal.
Mag 'n bisschop zich niet permitteeren.
Gaan ook niet altijd op kothurnen.
Ik wil niet sterven! Wil aan land!
De vijfde akte sterft men niet.
(glijdt weg).
't Was een zwaarwichtig moralist.
Kerkhof in een hoog gelegen berggehucht. Een begrafenisstoet. De
priester en het volk. Het laatste psalmvers wordt gezongen. Peer Gynt
gaat er langs over den weg.
(bij het hek)
God lof en dank dat ik 't niet ben.
(gaat het hek binnen).
(spreekt aan het graf)
En 't lichaam als een leeg omhulsel ligt,...
Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegd
Van 't leven van dien doode, hier op aard'.
Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.
Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.
Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,
En nauwlijks was hij baas in eigen huis;
In 't kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,
Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.
Uit 't Gudbransdal, gij weet 't, was hij gekomen.
Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;
En tot op 't laatst, gij weet het vast nog wel,
Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.
De rechterhand verstopt,... dat was het kenmerk...
Dat 't beeld van dezen man onthouden deed,
En daarbij dat gedrukte, die verlegen
Teruggetrokkenheid, bij 't binnen gaan.
Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg ging
En ook een vreemdling bleef hier onder ons,
Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,
Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.
Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,
Toen er te Lunde keuring werd gehouden.
Het was in oorlogstijd. In aller mond was
De nood van 't land en wat te wachten stond.
Ik was er ook. Breed voor de tafel zat
De kapitein met ambt'naar en sergeanten;
En de eene knaap na d'andere werd gemeten,
Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.
Vol was 't vertrek, en buiten voor de ramen
Klonk van het jonge volk luidruchtig lachen.
Een naam werd afgeroepen. 'n Nieuwe kwam,
Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.
Men wenkte hem; hij naderde de tafel,
De rechterhand gewikkeld in een doek;...
Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,
Maar kon niet spreken, schoon men 't hem gebood.
Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,
Half staamlend, stotterend en dan weer snel,
Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,
Hem had glad afgekapt den éénen vinger.
't Werd in de kamer doodlijk stil.
Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;
Men steenigde den knaap met stomme blikken.
Hij voelde 't wel, maar dorst niet op te kijken.
De kapitein stond op, oud, grijs en stram;...
Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!
En hij ging heen. Men week naar beide kanten,
Dat 't was of hij spitsroeden loopen moest;...
Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;...
Naar boven nu,... òp, tusschen rots en struiken,
Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend...
Hoog boven in 't gebergte lag zijn woning...
Een half jaar later was het toen hij hier kwam
Met moeder, zuigling en aanstaande vrouw.
Hij pachtte 'n stukje land, dat braak lag ginds,
Daar, waar de grens is van de groote hei.
Hij trouwde toen zoo gauw als 't doenlijk was;
Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;
Hij kwam vooruit, wat menig stukje land
Getuigde, golvend als een gele zee;...
Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,...
Maar ongezien en thuis, daar werkten wel
Die negen vingers ruim zoo hard als tien...
Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.
Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,
Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.
En vóór het najaar, steeg alweer de rook
Op meer beschutte plek, uit 'n nieuwe hut.
Beschut? Voor 't water, ja... niet voor lawinen;
Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,
Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;
Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,...
En vóór in 't volgend jaar de eerste sneeuw viel
Stond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.
Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;
Die moesten schoolgaan en de school was ver.
Om van zijn huis te komen op den landweg,
Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,
Wat deed hij toen? De oudste moest zich redden
Zoo goed als 't ging,... waar 't pad werd àl te steil,
Sloeg hij een touw om 't kind om het te steunen;...
De andre twee droeg hij op arm en rug.
Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.
Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?
Drie rijke heeren in de nieuwe wereld
Vergaten 't Noorsche bergland en hun vader.
Hij had geen ruimen blik. Van wat er buiten
Zijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.
Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,
Sonoor van klank, tot diep in 't harte dringt.
Volk, vaderland, 't verhevene, het hooge,
Stond als in mist gehuld voor 't oog zijns geestes.
Maar hij was needrig, needrig deze man;
En van dien keuringsdag af droeg hij 't oordeel,
Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,
En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.
Een schender van de wet des lands? O, ja!
Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,
Zoo wel als ginds dier toppen blanke tent
Heeft wolken en daar boven uit weer toppen.
Slecht burger was hij. En voor kerk en staat
Onvruchtbaar hout. Maar hier, op 't hooge veld,
In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,
Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!
Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;
Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.
En daarom: vrede zij u, stille strijder,
Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!
Wij willen hart en nieren niet doorgronden;
Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;...
Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:
Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!
(De menschen van den stoet gaan uiteen en weg. Peer Gynt blijft
alleen achter).
Volstrekt niets dat iemand griezelig aandoet...
Ja, 't thema; zichzelf te wezen onwrikbaar,...
Waar heel de preek zich omheen bewoog,...
Is op zichzelf alleen al opbouwend.
(kijkt in het open graf).
Toen ik in 't bosch was aan 't boomen vellen?
Wie weet? Stond ik hier niet met mijn stok
Aan den rand van 't graf van dien geestverwant,
Kon ik denken dat ik het was, die sliep
En hoorde, als waar-gedroomd, mijn lof...
Inderdaad, 't is een christelijk mooi gebruik,
Welwillend den blik nog te laten gaan
In herinring over des dooden leven.
Ja, zelf zou 'k wel mijn lot willen hooren
Den volke verhaald door dien waardigen man.
Nou, het kan licht nog een poosje duren,
Eer de doodgraver komt en mij noodigt te gast;...
En, als de Schrift zegt: beter is best,...
En eveneens: alle leed op zijn tijd,...
En verder: leen voor je begraafnis geen geld...
De kerk blijft toch maar je ware troost.
'k Heb er vroeger zooveel niet aan gehecht;...
Nu voel ik toch hoeveel goed het doet,
Door kundige menschen te hooren verzeekren:
Wat iemand zaait, dat zal hij ook oogsten...
Zichzelf moet hij wezen; om zich en 't zijne
Moet hij zich bekomren in 't groote en 't kleine.
Loopt 't hem niet mee, dan blijft hem de eer toch
Dat hij zijn leven naar de leer wist te richten...
Nu huiswaarts! Valt moeilijk en steil ook de weg,
Laat 't lot toch lang nog maar met mij spotten;...
Oude Peer Gynt gaat zijn eigen weg,
En blijft wie hij is altijd: arm maar braaf.
(af).
molen aan de beek; opengebarste grond, verwoesting rondom. Hoogerop
een groote hoeve.
Boven, op de hoeve, wordt publieke verkooping gehouden. Veel menschen
zijn er bijeen. Drinken en lawaai. Peer Gynt zit beneden op een
puinhoop dicht bij den molen.
Er in of er uit, 't is een zelfde gang;...
De tijd verwoest, de beek is verdroogd.
Ga buitenom, zei Böjgen;... dat doe 'k dus ook.
(krijgt Peer Gynt in het oog).
Is hier een doopfeest, of wordt bruiloft gevierd?
De bruid, die ligt in een wormenkast.
En allemaal zijn ze oud; ik kende ze al als knaap.
(met een gietlepel)
Hierin goot zijn zilvren knoopen Peer Gynt!
Dat hij zwager van Aslak was en van den dood.
Je voelt je toch altijd verwant aan Peer Gynt.
(gaat met hem weg).
(zachtjes)
(roept den man-in-de-rouw na)
Dan komt moeder uit haar graf je nog halen, Aslak!
(staat op)
Hoe meer men omgraaft, hoe beter het riekt.
(met een berenvel)
Dat was 't wat kabouters weg joeg, met Kerstmis!
(met een rendierschedel)
Peer Gynt droeg over den Gendinskam.
(met een hamer, roept tegen den man-in-de-rouw)
Heb je dien niet gebruikt om die noot te kraken?
(met leege handen)
Daarmee vloog Peer Gynt met Ingrid de lucht in!
Nu ga ik eens wat ouden rommel veilen!
Dat ligt in den Ronden; 't is stevig ommuurd.
Minder te bieden zou schande zijn.
(De menschen komen om hen heen staan).
Wie biedt er?
Ver van hier, jongens! Die draver kan rennen,
Zoo gauw, zoo gauw, als Peer Gynt maar kon liegen.
't Is gekocht met verlies! 'k Verkoop het met schâ.
Die 's voor een kromme vischhaak te koop.
Dat gooi ik te grabb'len; je moogt vechten er om!
Die past d'eersten den besten, die ze zet op zijn hoofd.
Hier is nog meer! Een windei, kijk!
Een grijs haar van 'n gek! Een profetenbaard!
Alles krijgt hij, die mij toont op den berg
Den wijzer met opschrift: hier loopt de weg!
(die er bijgekomen is)
Kan het zijn dat je weg regelrecht in arrest voert.
(met zijn hoed in de hand)
Dat stelde hij voor alsof hij 't had gedaan.
Maar permitteer,... ik heb andre plichten... (af).
Daar ging het hem slecht, als men wel had verwacht...
En jaren geleden hing men hem op.
Wijlen Peer Gynt bleef tot 't laatst zich gelijk. (groet).
Gegroet,... en vriendelijk dank voor van daag!
(gaat enkele schreden verder maar blijft weer staan).
Zal ik, op mijn beurt, je nu een verhaal doen?
(Komt nader; er glijdt als een vreemde uitdrukking over zijn gezicht).
Heel de stad was van kermisvolk vol.
Eén kon viool spelen met zijn teenen;
Eén danste een Spaanschen dans op zijn knieën.
Een derde, hoorde ik, maakte verzen
Terwijl men zijn hersenkas doorboorde.
Daar kwam ook de duivel met zijn kunsten;...
Wou zien, als zoovelen, wat te verdienen.
Zijn kunst was dit: op bedrieglijke wijs
Te kunnen knorren als een werklijke big.
Zijn persoonlijkheid trok, hoewel onbekend.
't Huis was propvol, de verwachting was groot.
Hij kwam òp in een mantel met zwierende slippen;
Men moet zich "drapiren", als zeggen de Duitschers.
Maar onder dien mantel, wat niemand wist...
Was 't hem gelukt te verstoppen een big.
En nu kon de voorstelling dan beginnen.
De duivel kneep en de big gaf geluid dan.
't Geheel werd gegeven als een fantazie
Over 't bestaan van de big, gevangen en vrij;
Tot slot een schreeuw, als onder 't slagersmes;...
Waarna dan de artist buigend groette en ging...
't Geval werd door vaklui besproken heel druk;
De toonaard gelaakt, zoowel als geroemd;
Het stemgeluid klonk toch te dun, vond de één;
Een ander den doodsschreeuw te veel bestudeerd;...
Maar allen waren het daarover eens: als geknor
Was de prestatie bepaald overdreven...
Kijk, zoo ging 't den duivel, omdat hij dom was,
En met zijn publiek geen rekening hield.
(Hij groet en gaat heen. Een weifelend zwijgen overvalt de menigte).
land, een hut met een rendiergewei boven den gevel.
Peer Gynt kruipt door het hout en zoekt wilde uien.
Onderzoek alles, en kies dan het beste.
Zoo deed ik ook;... van af keizer Caesar
Tot in de diepte naar Nebukadnezar,
Zoo moest ik nu toch heel den bijbel doorwerken.
De oude kwam weer bij zijn moeder terecht.
Er staat immers ook: uit stof zijt gij geboren...
Waar 't op aankomt in 't leven, is je pens te vullen.
Met uien te vullen? Dat lijkt mij niet bijster;...
Ik zal liever sluw zijn en strikken zetten.
Hier is weer water, dorst zal ik niet lijden;
Onder wilde dieren geld ik als nommer één nog.
Als ik eens dood ga,... wat ook wel gebeurt...
Dan kruip ik onder 'n omgewaaiden boom;
En dek,... als een beer... mij toe met dorre blaren,
En snijd in den bast met heel groote letters:
Hier rust Peer Gynt, die brave kerel,
Keizer van alle andere dieren,...
Keizer?
(lacht in zichzelf).
Je bent geen keizer; je bent een ui.
Nu zal 'k je eens schillen, mijn waarde Peer!
Het helpt niets of je al huilt of smeekt.
(neemt een ui en schilt laag voor laag af).
De schipbreukeling op de kiel van de jol.
De passagiershuid hier, schraal en dun;...
Heeft in haar smaak toch iets weg van Peer Gynt.
Daar onder weer zit de goudgravers-ikheid;
Het sap is er uit... als 't er ooit in geweest is.
Die dikke huid hier, met die harde slip,
Is de pelsjager aan de Hudsons-baai.
Dat daaronder lijkt op een kroon... dank je wel!
Dat gooien wij zonder praatjes maar weg.
Hier d'oudheidsnavorscher, kort, maar krachtig.
En hier de profeet, kersversch en sappig.
Hij stinkt, als geschreven staat, naar leugens,
Dat een eerlijk man tranen krijgt in de oogen.
Dit huidje, dat week en slap zich laat rollen,
Is 't heertje, dat lui en lekker geleefd heeft.
Dat nu komt lijkt wel ziek. Het heeft zwarte strepen;...
Zwart kan beteeknen priesters en negers.
(plukt er verscheidene tegelijk af).
Komt nu de kern niet voor den dag haast?
(plukt de heele ui kapot).
Zijn 't allemaal huidjes,... al kleiner en kleiner...
De natuur is geestig!
(gooit de overblijfselen weg).
Ga je aan het denken, kom je slecht te pas soms.
Nou, ik heb althans van gevaar niets te vreezen,
Want ik lig hier stevig op handen en voeten.
(krabt zich in den nek).
't Leven als men zegt, heeft een vos achter de ooren;
Maar grijpt men er naar, gaat heer vos aan den haal,
En men vangt dan wat anders,... of ook niemendal.
(hij is de hut genaderd, krijgt ze in het oog en schrikt).
(wrijft zich de oogen).
Of ik eens aan dat bouwwerk kennis had...
'n Rendierschedel, die prijkt aan den gevel...?
Een zeemeermin, half visch, half vrouwmensch...!
Leugens! Geen zeemeermin!... Spijkers,... planken,...
'n Slot dat afsluit kaboutergedachten...!
(zingt in de hut)
Mijn lieve jongen, zoo ver, ver weg...
Je komt toch, zeg?
Heb je een zware vracht,
Gun je dan tijd;...
Je weet dat ik wacht...
Dat heb ik gezeid.
(staat op, stil en doodsbleek)
Een, die bewaard heeft,... en een, die verloor...
O, ernst!... En nooit is 't over te doen!
O, angst!... Hier lag mijn keizerrijk!
(loopt het bosch in).
mijlen ver. Witte nevels hier en daar over den boschgrond hangend.
Peer Gynt loopt haastig door het bosch.
Al genoeg bouwstoffen hier!
Stank en rottend loof van binnen,
Saâm te mets'len tot een graf.
Schijn, droom, doodgeboren weten,
Daarmee wordt het geplaveid dan;
Overwelfd, door 't werk, als koepel,
Waarvoor leugens treden vormen.
Vlucht voor ernst, afkeer van boete,
Als een wapenschild er boven...
Prijkt er met de oordeelswoorden:
Petrus Gyntus Caesar fecit!
(luistert).
Schreien, dat op zingen lijkt...
Voor mijn voeten rollen kluwen...!
(schopt er naar).
(op den grond)
Ons moest je denken;...
Trippelvoetjes
Moest je ons schenken!
(loopt er om heen)
't Werd een leelijk, kreupel wicht!
Als trillende stemmen,...
Nu moeten wij rollen
Als grauw-garen kluwen.
(struikelt)
Wou jij vader beentje lichten?
(vlucht).
Wij zijn een leuze,
Die moest je voeren.
Zie hoe de asch ons
Jammerlijk scheurde.
'n Worm doorknaagde ons
Iedere vezel;
Nooit mochten wij vormen
Een krans om vruchten.
Ligt maar stil en dient voor mest nog.
Ons moest je zingen!...
Duizende malen
Heb je gesmoord ons.
Diep in je ziel eens
Lagen en wachtten wij;...
Nooit riep je óp ons.
Gif in je keel nu!
Had ik tijd voor lied en zang?
(slaat zich door het kreupelhout heen).
(druppelen van de takken)
Die je niet stortte.
IJskorst, die open rijt,
Konden wij smelten.
Nu zit het ijs vast
Om 't hart gevroren;
Dicht is de wond nu;
En wij zijn machtloos.
En toch kreeg ik daar een staart aan!
Die moest je volbrengen;
Twijfel, de moordende,
Knakte en kloofde ons.
Aan 't einde der dagen
Komen wij allen
Om je aan te klagen,...
Dan krijg je 't loon!
Op mijn schuldboek 't negatieve?
(ijlt weg).
(ver weg)
Ach, je hebt me omgegooid!
Sneeuw viel den heelen dag;...
Kwaad heeft die mij gedaan...
Mis ging de heele rit.
Peer, waar is 't slot nu?
Verlokt heeft de duivel je
Met den stalbezemsteel!
Moet 'k bij al mijn zonden ook nog
Die des duivels voortaan dragen,
Dan zal ik wel gauw bezwijken.
(haastig af).
Gezang uit balkende kostermonden;
Een rouwfloers, gebonden om mijn hoed.
Ik heb vele dooden; die begraaf ik nu!
DE KNOOPENGIETER (met een kist met gereedschappen en een grooten
gietlepel, komt van een zijweg).
Goên avond, oude!
Vraag excuus,... heet jij bij geval ook Peer?
Peer Gynt is het juist, dien 'k moet halen van daag.
(wijst op zijn gietlepel)
'k Ben knoopengieter. En jij moet hierin.
Je graf is gegraven, je kist gereed.
Je lichaam is voor de wormen bestemd;...
Maar ik heb order, om, zonder dralen,
Op last van mijn Meester je ziel te halen.
In stilte den dag voor het feest te kiezen,
En den held van het feest niets vooruit te zeggen.
Je bent dus...?
Zoo zoo, Peer, kom je dus daar te belanden!
Maar dit, goede vriend, is geen eerlijk spel!
Ik weet dat ik beet're behandling verdien;...
Ik ben niet zoo slecht als je denkt misschien,...
Heb hier op aarde ook wel goeds gedaan;...
Op zijn ergst kan men een domkop mij noemen,...
Maar volstrekt niet zoo'n bizonder groot zondaar.
Je bent ook geen zondaar in hoogeren zin;
En daarom ontkom je dan ook aan de hel,
En komt in mijn lepel, als zoovelen meer.
Brown stout of ale, 't is allebei bier.
Weg Satan!
Om te denken dat 'k loop op een paardevoet?
Pak je weg! En let op wat je doet!
Wij hebben allebei haast, en om tijd te sparen
Zal ik je grondig de zaak verklaren.
Je bent, als je zelf daareven gezegd hebt,
Niet wat men noemt een waarlijk groot zondaar;
Op z'n best middelmatig...
Verstandig te praten...
Maar je deugdzaam te noemen, zou wat te ver gaan...
Een zondaar van 't echte voorname slag
Vindt men tegenwoordig niet zoo langs den weg;
Daar hoort wat meer toe dan ploetren in vuil;
Echte zonde eischt ernst, echte zonde eischt kracht.
Je moet er op los gaan als de oude Vandalen.
Is niet voor jullie, die ploetert in 't vuil...
Hier thuis, terwijl ik in 't buitenland was?
En berekend om waardeverlies te voorkomen.
Je kent toch het handwerk,... weet wel dat vaak
Een gietsel mislukken kan, en niets meer waard is;
Soms worden het knoopen zonder oog.
Wat zou jij doen?
Zoo lang er nog geld was in geldkist en zak.
Maar, Meester, zie je, die is heel spaarzaam;
En daardoor is hij 'n welgesteld man.
Hij gooit 't minste niet weg, als geheel ondeugdlijk,
Zoo het als grondstof nog valt te gebruiken.
Jij was bedoeld als een blinkende knoop
Op 't vest van de wereld; maar 't oog hield niet.
Daarom moet 'k je nu met het uitschot smelten,
Om, zooals 't heet, òp te gaan in de massa.
Samen op te smelten, weer tot iets nieuws?
Dat hebben we al zoo vaak gedaan.
In Kongsberg doen zij hetzelfde met de munten,
Waar de stempel van afsleet door 't lange rollen.
Beste vriend, hoor eens, laat mij nu vrij!...
Een knoop zonder oog, een versleten stuk geld,...
Wat is dàt nu voor iemand in je Meesters positie?
Heeft als metaal iemand altijd nog waarde.
Zal ik mij verzetten. Alles liever dan dat!
Je bent toch niet luchtig genoeg voor den hemel...
Maar van mij zelf geef ik niets af.
Laat mij straffen op de oude manier, volgens recht!
Zet mij een tijdlang bij hem-met-de-hoef,...
Een honderd jaren, als 't niet minder kan;
Kijk, dat is iets wat iemand kan dragen;
Want de pijn is toch enkel maar moreel
En dus ook wel niet zoo pyramidaal.
Het is een overgang, zooals er staat,
En zooals de vos zei:... men wacht dan; eens slaat
Het uur der verlossing; men trekt zich terug,
En hoopt maar intusschen op betere dagen...
Maar dat andere,... óp te moeten gaan
In een vreemd, onverschillig lichaam, als damp,...
Die gietlepel-manier, dat oplossen van Gynt,...
Dat brengt in oproer mijne heele ziel!
Zoo'n drukte te maken voor een kleinigheid.
Je bent nooit vroeger je zelf geweest;...
Wat hindert 't dan nu of je heelemaal sterft?
Peer Gynt is wat anders geweest dus? Och kom!
Neen, Knoopengieter, je praat in den blinde.
Kon je doorzoeken mijn hart en mijn nieren,
Dan vondt je daar Peer, en nog eens Peer.
En stellig niets anders en ook niet veel meer.
Kijk, hier staat duidlijk: Peer Gynt moet je halen.
Hij heeft zijn levensbestemming gemist.
In den gietlepel met hem, als mislukte waar.
Staat er werkelijk Peer? Is 't niet Rasmus of Jon?
Kom dus nu goedschiks en verspil geen tijd meer!
Als het morgen dan bleek dat een ander bedoeld was.
Jij bent verantwoordelijk, mijn goede man!
Pas dus maar op, voor wat volgen kan...
Dat ik was mijzelf mijn heele leven;
En dat is toch de kwestie waarover wij keven.
Goede vriend, laat mij stellen mijzelf als borg;
Ik kom gauw weer terug. Men komt ééns maar ter wereld,
En men houdt aan zichzelf, als schepsel, vast.
Zeg zijn wij 't nu ééns, hè?
Maar onthoû, 'k vind je weer op den volgenden kruisweg!
(Peer Gynt loopt hard weg).
(in volle vaart)
Als je nu maar wist waar een kruisweg komt...
Misschien is 't nog ver, misschien al vlak bij,
De grond brandt mij hier als gloeiend metaal.
'n Getuige! 'n Getuige! Waar vind ik er een?
Het is haast ondenkbaar hier in het bosch.
De wereld is knoeiwerk. De inrichting slecht,
Als iemand moet bewijzen zijn zonneklaar recht.
(Een kromgebogen, oude man, met een stok in de hand en een zak op
zijn rug, sukkelt voor hem uit).
(blijft staan)
Nu loop ik te bedelen met een honger als 'n wolf.
Nou; wij halen 'n streep door private affaires,...
En, bovenal geen familietwist.
Ik was een dolleman...
Maar wijs was de prins dat hij de bruid niet wou;
Daardoor heeft hij zich verdriet en schande bespaard!
Want sedert heeft zij zóó er op los geleefd...
En nu,... denk eens aan, woont zij samen met Trond.
Hij was 't wien ik eens drie meiden ontstal.
En heeft knappe kindren over 't heele land...
Er ligt mij iets heel anders nu op 't hart...
Ik ben in een moeilijk parket geraakt, naamlijk...
En verlang een getuignis of een attest;...
Daarmee kan nu schoonpapa mij helpen 't best...
'k Heb daar natuurlijk wel wat voor over...
Misschien krijg ik dan ook een getuigschrift in ruil?
En moet zuinig zijn, en sparen aan alle kanten.
Maar hoor nu wat de zaak is. Je weet nog wel
Toen ik om je dochter kwam, op Ronden, dien dag...
Genoeg. Jullie wilden met alle geweld toen
Mij 't gezicht benemen door een snee in de lens,
En van Peer Gynt een kabouter maken.
Wat deed ik toen? Ik bleef mij verzetten,...
Zwoer dat ik mijn eigen zin wou volgen;
Ik deed afstand van liefde en eer en macht,
Enkel en alleen om mijzelf te zijn.
Dit feit, zie je, moet je voor de rechtbank bezweren...
Je weet toch wel dat je onze broek aantrok,
En dronk van de mede...?
Maar tegen 't beslissende bleef 'k mij verzetten.
En het is juist dááraan dat men zijn man kent.
De slotwoorden zijn het waar het op aan komt.
Schreef jij je achter 't oor mijn levensleuze.
En zegt: kabouter, wees u zelf genoeg!
(wijkt achteruit)
Sedert altijd daarnaar gehandeld.
(huilt)
Je leefde als 'n kabouter maar hieldt het verborgen.
't Woord, dat ik je leerde, stelde je in staat
Om vooruit te komen als 'n welgesteld man!...
En nu kom je hier en wilt niets meer weten
Van mij en van 't woord, waaraan je 't hebt te danken.
Dat is toch alles onzin; 't is zeker een streek!
(haalt een pak oude couranten te voorschijn)
Wacht; dan zal je eens zien hier, rood op zwart,
Hoe de "Bloksberg-post" je prijst en verheerlijkt;
En dat zelfde deed ook de "Heklaberg-courant",
Al sinds den winter toen je vertrok...
Wil je ze lezen, Peer? Doe 't dan gerust;
Hier staat iets onderteekend met: "Paardehoef",
En hier: "Van 't kabouterachtig-nationale".
De schrijver discht hier de waarheid op
Dat het weinig aankomt op staart en horens,
Als je er verder van binnen maar op gelijkt.
"Ons genoeg", zegt hij, "drukt kabouters" stempel
"Op den man",... en dan noemt hij jou als exempel.
Kon in Ronden blijven zitten op mijn doode gemak?
Sparen zorg en moeite en schoenen menig paar?
'n Kabouter... Peer Gynt!... Dat is onzin! Dat 's klets!
Vaarwel! Daar heb je een fooitje voor tabak.
Of misschien kindsch. Zoek een hospitaal op.
Maar mijn kindskindren, zooals ik al zei,
Hebben verbazend veel invloed in 't land;
En zij zeggen, dat 'k enkel besta in boeken.
Men zegt wel eens, van je familie moet je het hebben...
Ik stakkerd, voel wat een waar woord dat is.
't Is hard om voor leugen en nonsens te gelden...
Geen spaarpot, hulpkas of bedeeling;...
In Ronden zou zoo iets toch ook niet gaan.
En als hij, op eene of andere wijs...
Ik ben zelf, als men zegt, zoo kaal als een kerkrot...
En dat 's jullie schuld, vervloekte kabouters!
Zoo ziet men wat 't gevolg is van slecht gezelschap.
Vaarwel! 'k Zal mijn best doen de stad te bereiken.
Zij vragen in de krant nationale sujetten...
Als 'k los komen kan, ga ik ook maar dien weg.
Dan schrijf ik een farce, dwaas en diepzinnig,
Die heeten zal: "Sic transit gloria mundi."
(Loopt hard weg. De Oude roept hem nog na).
Dat kaboutersche woord heeft het oordeel geveld.
't Schuitje is wrak, je moet drijven op planken.
Alles liever dan in den hoop oude lorren!
(op het kruispunt)
Wat 't papier vertelt, nog vóór ik het zie.
Wat is dat: "zichzelf te zijn" welbeschouwd toch?
Een man, die nog pas...
Maar voor jou is die uitleg bepaald niet genoeg?
Laat ons zeggen daarom: overal te verschijnen
Met mijn Meesters bedoeling als uithangbord.
Wat Meester vóór had met hem?
En dan gaat men ad undas zoo ongemerkt.
Doet hem-met-de-hoef, de beste vangst doen.
Hoor eens, 'k doe afstand van mijzelf-te-wezen;...
Het kon mooglijk lastig zijn het te bewijzen.
Dat gedeelte van de zaak houd ik voor verloren.
Maar onlangs, toen 'k hier eenzaam dwaalde door 't pijnbosch,
Voelde ik mijn geweten toch ernstig knagen;
Ik zei tegen mijzelf: je bent toch een zondaar.
Niet in daden alleen, ook in woorden en willen.
In 't buitenland heb ik schandalig geleefd...
En biecht hals over kop, en breng je zijn attest dan.
En blijf je gespaard voor de gietlepel-kwestie.
Maar mijn order, Peer...
Dat moet van een vroeger tijdperk dateeren;...
Toen leefde ik een tijd, zoo misselijk en week
En speelde profeet en geloofde aan 't Fatum.
Dus, mag ik 't beproeven?
Je hebt toch zeker zooveel niet te doen,
Hier in 't district is de lucht zoo gezond;...
De menschen hier leven zooveel langer daardoor.
Bedenk wat de priester van Justedal schreef:
"'t Komt zelden voor dat iemand sterft hier in 't dal."
(draaft weg).
Zei Esben, en raapte een eksterwiek op.
Wie kon nu denken dat zijn zondenschuld
Hem den laatsten avond nog vrij maken zou?
Nou, eigenlijk blijft 't zaakje al even leelijk,
Want 't brengt me uit de asch in het vuur toch ten slotte;...
Maar er is ook een troostwoord, oud en beproefd,...
Dat zegt: zoo lang er leven is, is er nog hoop.
(Een magere persoon, in een hoog opgenomen priesterkleed en met een
vogelvangersnet over den schouder, loopt snel den heuvel op).
Peer, je bent toch de lieveling van 't geluk!
Goeden avond, eerwaarde! Het pad is steil...
Ik hoop dat hij is op een and'ren weg.
Ik heb nooit gezondigd tegen de wet;
Heb nooit gezeten achter grendel en slot.
Doch, somtijds verliest men vasten voet
En struikelt...
Van zonden "en gros" hield ik altijd mij vrij.
Ik ben niet de man voor wien u mij houdt...
U kijkt naar mijn vinger? Wat vindt u daaraan?
(wijzend)
(neemt zijn hoed af)
En dus heb ik de eer... Wel, beter is best;
Staat de zaaldeur open... mijd dan de keuken;
Kan je terecht bij den koning... laat den lakei staan!
Nu, vriendlief, waar kan ik u mee van dienst zijn?
Maar u moet mij niet vragen om macht of geldswaarde,
Dat kan 'k u niet verschaffen, al wou u mij ook hangen.
U kan niet begrijpen welk een slapte er is in zaken.
Er is zoo'n geweldige achteruitgang in den omzet;
Niets geen aanvoer van zielen; maar zoo nu en dan
Een enkle...
De meesten komen in 'n gietlepel terecht.
't Was eigenlijk naar aanleiding dáárvan dat 'k kwam.
Dan zou ik wel wenschen...
't Bedrijf gaat, zoo zegt u, niet bijster goed;
Misschien neemt u het daarom niet al te nauwkeurig...
Eenig loon is eigenlijk volstrekt niet noodzakelijk;
Enkel vriendlijke omgang, naar omstandigheid en plaats.
Verlof om weer heen te gaan, vrank en vrij,...
't Recht, zooals men 't noemt, om terug te treden,
Als zich gelegenheid opdoet om 't beter te krijgen.
U zou niet gelooven, wat een massa verzoeken
Van dergelijken inhoud, de menschen mij sturen,
Als zij van hun aardsche werk weg moeten.
Dan komt mij het toegangsrecht, meen ik, wel toe...
Doch, het viel mij nu in, ik dreef handel in negers...
Maar zij deden het dom, en kwamen ook niet binnen.
Er zijn er die erger figuren uitzenden
In preeken, in kunsten en litteratuur...
Toch moeten zij buiten staan...
U moet weten,... ik heb voor profeet gespeeld.
"Ins Blaue" komen terecht in den lepel.
Heeft u anders niet om u op te beroepen
Dan kan 'k, tot mijn spijt, u geen onderdak geven.
En wie verdrinkt grijpt naar een stroohalm,...
En er staat geschreven: zichzelf is men het naast,...
En zoo verloor, half door mij, een kok het leven.
Tegelijk iets anders verloor, half door u.
Wat zijn dat nu toch voor praatjes van "half"?...
Met alle respect... Wie, denkt u, heeft lust om
Het kostbare vuur te stoken, in tijden
Als deze, voor zulk karakterloos volk?
Word niet boos; uw zonden zijn boevenstreken;
Excuseer dat ik ronduit maar zeg mijn opinie...
Neen, beste vriend, zie daarvan af;
En maak u vertrouwd met de lepelgedachte.
Wat wint u er bij, of 'k u kost geef en woning?
Denk na toch; u is een verstandig man.
Ja, herinring behoudt u; dat is wel waar;...
Maar 't uitzicht over 't áchter-u-liggende land
Werd, voor uw hart en voor uw verstand,
Een uitkijk over een dorre vlakte.
Niets heeft u om over te huilen, te lachen,
Niets om over te juichen of wanhoop te voelen;
Enkel dingen waarover u ergernis voelt.
Waar de schoen wringt, heeft men dien zelf niet aan.
Enkel behoefte aan een ònpare laars.
Maar 't was 'n geluk dat ik sprak van laarzen;
Het herinnert mij dat ik verder moet...
Ik moet uit op gebraad, naar ik hoop dik en vet;
En ik sta mijn tijd hier maar te verpraten...
Dien kerel gemest heeft?
Was hij altijd zichzelf, bij nacht en bij dag;
En dat is toch ten slotte de hoofdzaak maar.
Bedenk, men kan zijn op tweeërlei wijs
Zichzelf: zijn de rechterkant of de verkeerde.
U weet, men heeft pas te Parijs uitgevonden
Om portretten te maken met hulp van de zon.
Men kan geven daarop directe beelden,
Of negatieve, die evenveel waard zijn,...
Alleen dat daar licht en schaduw verkeerd zijn,...
En voor leeken-oogen dus leelijk lijken;
Maar gelijkenis ligt er toch ook in deze,
En het is maar de zaak die te voorschijn te halen.
Heeft nu een ziel in haar levenswandel
Zich negatief gefotografeerd,
Wordt daarom de plaat nog niet gebroken,...
Men stuurt die dood-eenvoudig aan mij.
Ik neem die dan onder verdre behandling,
En passende midd'len bewerken verandring.
Wij stoomen, wij baden, wij branden, wij poetsen,
Met zwavel en meer zulke ingrediënten,
Tot het beeld verschijnt dat de plaat moest geven,...
Dat naamlijk, wat men noemt 't positieve.
Maar heeft men, als u, zich half uitgewischt,...
Dan helpen geen zwavel of kaliloog meer.
Als een witte patrijs? Mag 'k vragen welke naam
Er staat onder 't negatieve portret,
Dat u nu tot een positief maken moet?
En is Gynt zichzelf?
Men kent zooveel menschen.
Waar zag u hem 't laatst?
Met 't eerstvolgende schip, als 'k goed mij herinner.
Als 'k hem nu nog maar bijtijds kan vangen!
Dat Kaapland... daaraan had ik altijd het land;
Daar zijn van die kwade zendelingen van Stavanger.
(zuidwaarts af).
Als een hijgende hond, met de tong uit den bek!
't Was mij een wellust hem te bedotten.
Zoo'n kerel verbeeldt zich wat en speelt den baas nog!
't Is wel de moeite waard om zich dik te maken.
Zijn ambacht zal hem niet den mond open houden;
Straks valt hij van de graat nog met al zijn drukte...
Hm, ik zit ook niet zoo heel vast in het zadel;
Ik ben uitgestooten, kan 'k zeggen, van den eigen-zelf adel.
(een vallende ster licht; hij knikt haar toe).
Lichten, dooven en vergaan in een zucht...
(Huivert als in angst, en loopt dieper de nevels in; na een poos
zwijgen schreeuwt hij het uit:)
Is er niemand, niemand in 't heele woelen...
Niemand in den afgrond, niemand in den hemel...!
(Komt een eind lager weer te voorschijn, gooit zijn hoed op den
grond en grijpt zich met de handen in 't haar. Zachtjes aan wordt
hij kalmer).
Zoo onzegbaar arm kan een menschenziel
Terugvallen in grauwe neev'len van 't Niet.
O, heerlijke aarde, wees niet verstoord,
Dat ik trad op uw gras, zonder nut te doen.
O, heerlijke zon, die uw stralen zondt
In een leege hut, waar geen mensen ze begroette.
Er zat niemand binnen om te warmen, te koestren,...
De eigenaar, zei men, was altijd van huis.
Heerlijke zon, en heerlijke aarde,
Waarom deedt gij mijn moeder ontstaan in uw licht?
Geest is maar schaarsch, de natuur is verkwistend,
Het is hard zijn geboorte te boeten met 't leven...
Naar boven wil ik, naar de heel hooge toppen;
Nog éénmaal wil ik zien opgaan de zon,
Moe staren mij op het beloofde land,
Zien in een sneeuwval mijn rustbed te vinden;
Daar kan men dan schrijven: "hier ligt niemand begraven".
En dan,... daarna...! moet 't maar gaan zooals 't kan.
(Kerkgangers zingen op den boschweg).
Toen vurige tongen
Uit 't Godsrijk neerdaalden op aard'!
Van de aarde nu stijgen
Der kindskindren zangen,
Tot lof van den Heiligen Geest!
(krimpt verschrikt ineen)
Ik ben bang dat ik dood was lang vóór ik stierf!
(Wil door het kreupelhout wegsluipen, maar stuit op een kruisweg).
Wat in mijn bereik viel?
De uil speurt een prooi. Hoor je hem huilen?
(wijzend)
Mijn zondenregister...
(pakt hem beet)
(Zij zijn uit het hout gekomen en staan bij de hut. De dag breekt aan).
Ga heen! Was de lepel zoo groot als een kist...
Voor mij en mijn zondenlijst ware er geen ruimte.
(hij buigt op zij af en verdwijnt).
(dichter bij het huis)
Er uit of er in, 't is een zelfde gang. (blijft stilstaan).
Neen!... Als een wilde, oneindige klacht
Is 't naar huis te gaan, binnen, en weer terug.
(gaat enkele stappen verder, maar blijft weer staan).
(hoort zingen in de hut).
Dwars er doorheen, hoe moeilijk het ook zij!
(Hij loopt hard naar het huis toe; op hetzelfde oogenblik komt
Solvejg de deur uit, gekleed voor de kerk en met het gezangboek
in haar zakdoek gewikkeld; een stok in de hand. Zij staat rechtop,
hoog en zachtzinnig).
(laat zich op den drempel neervallen)
(zoekt tastend naar hem).
(tast weer en vindt hem).
(achter het huis)
(gaat bij hem neerzitten)
Wees gezegend dat je weer bij mij kwam!
Gezegend het Pinksterfeest, waarop we elkaar weerzien.
(lacht)
Kan je zeggen waar Peer Gynt is geweest al dien tijd?
Geweest... zoo als God hem gewild en gedacht had!
Kan jij dat zeggen? Zoo niet, dan moet ik weg...
En ondergaan in de nevellanden.
(glimlacht)
Waar was ik, als mij zelf, als de heele, de ware?
Waar was ik, met Gods stempel gemerkt in mijn wezen?
(schrikt terug)
Van den jongen in mij, was moeder jij zelf!
Dat is hij, die vergeeft om moeders gebeden.
(een lichtglans glijdt over hem heen; hij roept uit)
O, berg mij, berg mij in je ziel!
(Hij klampt zich aan haar vast en verbergt zijn gezicht in haar
schoot. Lang zwijgen. De zon komt op).
(zachtjes zingend)
Ik zal je wiegen, ik zal waken...
Mijn jongen zat op zijn moeders schoot.
Zij speelden samen hun leven lang.
Mijn jongen sliep aan zijn moeders borst
Zijn leven lang. God zegen je, mijn vreugd!
Mijn jongen lag zoo dicht bij mijn hart
Zijn levenlang. Nu is hij zoo moe.
Slaap nu liefste jongen mijn!
Ik zal je wiegen, ik zal waken!
(achter het huis)
En dan zullen wij zien, of...; ik zeg niets meer.
(zingt luider in het licht van den dag)
Slaap en droom nu, liefste mijn!
[2] "den store Böjgen" = letterlijk: "het groote Buigen". Bedoeld
wordt alle halfheid, alles wat niet flink durft, maar langs omwegen
gaat en buigt en uitvluchten zoekt. Hier een onzichtbaar, ontastbaar,
ongrijpbaar symbolisch spooksel dat Peer Gynt aan alle kanten omsluit
en belemmert. (Vert.

BokRobot
BokRobot brings together books and fairy tales to read and explore. Discover a growing collection, or create books and fairy tales of your own.